Betekenis en achtergronden van de Deuterocanonieke boeken

Achtergronden Tekst, Gábor Locht

Kom je in een rooms-katholieke eredienst, dan heb je kans dat er gelezen wordt uit een boek als Tobith. Dat boek staat in een rooms-katholieke Bijbel gewoon tussen de Bijbelboeken. Sla je echter een protestantse Bijbel open, dan is Tobith niet te vinden. Hoe komt het dat protestanten een dunnere Bijbel hebben?

Deutrocanonieke boeken

In rooms-katholieke Bijbels en in oude Statenvertalingen van de Bijbel staan ook de zogenaamde deuterocanonieke  boeken, zoals Tobith, Judith en De Wijsheid van Jezus Sirach. Door protestantse christenen worden zij gezien als waardevol, maar hebben zij niet hetzelfde gezag als de canonieke  Bijbelboeken. Waarom eigenlijk niet? Vanaf de derde eeuw v.Chr. zijn de oudtestamentische, Hebreeuwse boeken in het Grieks vertaald. De vertaling van de eerste vijf boeken is volgens een legende gemaakt door zeventig (of tweeënzeventig) Joodse mannen in Alexandrië (Egypte). De Griekse vertaling van het Oude Testament heeft daardoor de naam Septuaginta (‘zeventig’) gekregen. In de eeuwen voor het begin van de jaartelling – maar ná de periode dat de oudtestamentische, Hebreeuwse boeken zijn geschreven – is een aantal boeken geschreven dat door Joodse mensen waardevol werd gevonden en om die reden werd gelezen. Deze boeken waren in het Grieks geschreven en hebben (pas vele eeuwen later overigens) de benaming ‘deuterocanoniek’ gekregen. De eerste christenen kenden en gebruikten deze boeken ook, al worden ze niet expliciet geciteerd in het Nieuwe Testament. Er zijn geen aanwijzingen dat deze boeken onder Joden net zoveel gezag hadden als de oudtestamentische (oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven) boeken. Toen er in Joodse kringen in de tweede eeuw n.Chr. een officieel afgebakende verzameling van Heilige Schriften (een ‘canon’) ontstond, hoorden de deuterocanonieke boeken daar dan ook niet toe. Deze Joodse verzameling van ‘canonieke’ boeken (boeken behorend tot de ‘canon’) is gelijk aan de latere protestantse canon van het Oude Testament (OT).

Het gebruik van Deutrocanonieke boeken

Vanaf de tweede eeuw n.Chr. bekeerden steeds meer niet-Joden zich tot het christendom, waardoor niet-Joden de meerderheid binnen het christendom gingen vormen. Zij hadden vaak minder kennis van de Joodse tradities en veel christenen zetten zich zelfs af tegen het Jodendom. (Vanaf deze tijd is helaas een zwarte bladzijde gekomen in de geschiedenis van het christendom: het begin van vele eeuwen van anti-Joodse ideeën.) Het Oude Testament (OT) werd door christenen in het oosten van het Romeinse rijk vrijwel alleen nog maar in de Griekse Septuagintavertaling gelezen. In het westen van het Romeinse rijk gebruikte men eveneens de Septuaginta of, vanaf het midden van de derde eeuw n.Chr., Latijnse vertalingen van de Septuaginta. Het Latijn kreeg vanaf die periode namelijk de overhand in het westen en werd belangrijker dan het Grieks. Heel weinig christenen waren nog in staat om het OT in het Hebreeuws te lezen. Door deze situatie vervaagde voor veel christenen het onderscheid tussen de canonieke en deuterocanonieke boeken: veel christenen wisten niet meer welke boeken oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven waren en welke in het Grieks. Daarbij moet in gedachten gehouden worden dat een codex (een ‘boek’ zoals wij dat kennen) pas vanaf de tweede eeuw n.Chr. gebruikt werd. Daarvóór las men uit boekrollen . De eerste christelijke gemeenten lazen de oudtestamentische geschriften dus niet uit een codex (‘boek’), maar uit afzonderlijke rollen. Op één rol paste namelijk maar één lang Bijbelboek, of enkele korte. Het héle OT paste echter niet op één rol. De verzameling van Heilige Schriften zag er in die tijd dan ook uit als een stapel boekrollen en niet als één boek. Omdat de rollen met deuterocanonieke boeken in dezelfde ‘kerkelijke biblio theek’ werden bewaard als de canonieke boeken, konden de deuterocanonieke boeken gemakkelijk per abuis worden beschouwd als even belangrijk als de canonieke. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de deuterocanonieke boeken vanaf de derde eeuw n.Chr. steeds vaker werden gebruikt: er wordt vanaf die tijd door kerkvaders vaker uit geciteerd (al bleven ze altijd veel minder gebruikt dan de oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven boeken). Toen er na enkele eeuwen codices (het meervoud van ‘codex’) gemaakt konden worden waarin het hele OT paste, werden daarin door christenen zodoende óók vaak een aantal deuterocanonieke boeken gekopieerd.

Officiële lijsten

Kerkvaders in het oosten van het Romeinse rijk stelden de deuterocanonieke boeken op officiële lijsten van de Heilige Schriften vrijwel nooit gelijk aan de canonieke boeken, gedurende de eerste eeuwen van deze jaartelling. Misschien heeft contact met Joodse gemeenschappen daarvoor gezorgd. In het Latijnsprekende westen werden de deuterocanonieke boeken echter soms wel gelijkgesteld aan de canonieke boeken, met name in het Latijnsprekende deel van Noord-Afrika.

Terug naar het Hebreeuws

In de vierde eeuw n.Chr. kreeg de kerkvader Hiëronymus van paus Damasus I de opdracht om een goede Latijnse vertaling van de Bijbel te maken. De Latijnse vertalingen die in omloop waren, waren namelijk van slechte kwaliteit. Gaandeweg zijn werk raakte Hiëronymus ervan overtuigd, dat hij voor het maken van een goede vertaling terug moest naar de Hebreeuwse grondtekst en niet naar de Septuaginta. Daar kreeg Hiëronymus van andere kerkvaders overigens stevige kritiek op – zo vertrouwd was de Septuaginta inmiddels onder christenen. In de Latijnse vertaling van Hiëronymus, de Vulgata, werd door Hiëronymus aan elk Bijbelboek een inleiding toegevoegd. Omdat de deuterocanonieke boeken populair waren, werden zij ook in de Vulgata opgenomen. Hiëronymus maakte echter in zijn inleidingen duidelijk, dat deze boeken niet hetzelfde gezag hadden als de canonieke boeken. Zodoende bleven de deuterocanonieke boeken in het westen – net als in het oosten van het Romeinse rijk – toch altijd op een tweede plan staan: ze waren leerzaam, maar hadden minder gezag dan de canonieke boeken.

Reacties op het protenstantisme

Luther wilde bij de Reformatie in de 16e eeuw n.Chr. weer terugkeren naar ‘de Schrift alleen’ en had kritiek op alle kerkelijke tradities. Zodoende maakte hij in zijn Duitse vertaling van de Bijbel een scherp onderscheid tussen de canonieke en deuterocanonieke boeken: alleen de canonieke boeken hadden het hoogste gezag. De Rooms- Katholieke kerk reageerde op de Reformatie door middel van het concilie van Trente (1545-1563). Zij verklaarde dat de deuterocanonieke boeken evenveel gezag hadden als de oorspronkelijk Hebreeuwse boeken van het OT. In deze beslissing speelde mee, dat het Rooms-Katholieke gebruik om te bidden tot overleden ‘heiligen’ verdedigd kon worden met behulp van de deuterocanonieke Maccabeeënboeken en niet met behulp van de canonieke boeken. Luthers kritiek op het bidden tot de doden kon op die manier beter door rooms-katholieken worden bestreden. De rooms-katholieke theoloog Sixtus van Siena noemde de betreffende boeken in 1566 voor het eerst ‘deuterocanoniek’, dat wil zeggen: in tweede instantie als canoniek aangemerkt. Ook in de oosters-orthodoxe kerk zijn deze boeken in reactie op het protestantisme canoniek verklaard. In het protestantisme hebben ze hun ‘leerzame’ status echter in de loop van de tijd juist verloren en worden ze nauwelijks meer gelezen. Zodoende bleef er definitief een verschil tussen de omvang van protestantse en rooms-katholieke Bijbels bestaan. Dit artikel is met literatuurverwijzingen op internet te lezen via http://gaborlocht.nl/overig.php.

Sluiten