Bidden voor de vrede van Jeruzalem

Oud Testament Tekst, door Ruben Hadders

“In de Bijbel staat dat je moet bidden voor de vrede voor Jeruzalem. Dat wil ik heel graag, maar wat dan met al die profetieën waaruit blijkt dat er voorlopig nog geen vrede zal komen? Is dat niet tegenstrijdig?” - een vraag van een lezer via Facebook

De context

Als eerste dienen wij altijd de context te onderzoeken, waarin een bepaalde uitspraak wordt gedaan. In dit geval is de oproep ‘bid om de vrede voor Jeruzalem’ afkomstig uit Psalm 122 - een pelgrimslied volgens het eerste vers. En eigenlijk is dat wel een mooie omschrijving. Want inderdaad, dit is het lied van een pelgrim, van iemand die onderweg is, iemand die een heilige reis maakt, maar zijn bestemming nog niet heeft bereikt. Met andere woorden: het is vooral een profetisch lied. In het lied wordt namelijk gesproken over ‘een stad die hecht samengevoegd is’ (vs. 3), waarin ‘het huis van de HEERE’, oftewel de tempel te vinden is (vs. 1) en waarin het vrede is (vs. 8). Vandaag de dag is daar allerminst sprake van. Ook zien wij de verstrooide stammen van Israël nog niet optrekken naar de heilige stad, zoals we in het vierde vers lezen.

Kortom, uit de context blijkt dat de liedschrijver, David, zijn ogen gericht heeft op de toekomst. De vrede die hij bezingt is een toekomstige vrede. Het is de vrede van de beloofde Vredevorst, Die eenmaal vanuit Jeruzalem de wereld zal regeren: Christus Jezus. Maar zover is het nog niet.

Vrede nu

Je zou kunnen zeggen dat bidden om vrede nu, hoe goedbedoeld ook, zelfs in strijd is met de wil van God. Immers, de Heere Jezus profeteerde: “Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn” (Luk. 21:24). Dat is een oordeel van God over Zijn volk, vanwege hun ongeloof.
Toen de Heere Jezus naar Jeruzalem trok en in de verte de stad zag liggen, zei Hij in tranen: “Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient” (Luk. 19:42).

Schijnvrede

Wat dient Israël dan tot vrede? Het antwoord is eigenlijk heel simpel: Hem te aanvaarden als de beloofde Messias. Als Israël zich bekeert tot Hem, dan zal Hij wederkomen op de wolken en ‘de stad van de vrede’ in ere herstellen. Dan heeft Jeruzalem geen leger meer nodig, want de Allerhoogste zal haar vijanden letterlijk wegvagen.
Hoe anders is dat vandaag! Israël vertrouwt nog altijd op haar eigen kracht, in plaats van op de Heere. Weliswaar groeit het aantal Joodse mensen dat Christus aanneemt als Heere en Verlosser de laatste jaren sterk. Het Joodse volk als zodanig bevindt zich echter nog steeds in, wat je zou kunnen noemen, een ‘ontkenningsfase’. Wie thuis is in het profetisch Woord beseft dat er nog heel wat zal gebeuren voordat daar verandering in komt. Zo waarschuwt Paulus bijvoorbeeld voor een schijnvrede (1 Thes. 5:3).
Velen zullen er zijn die deze vrede ten onrechte als waarachtig zullen beschouwen. Hoe waar blijken dan opnieuw de woorden die de Heere eens sprak bij monde van Hosea: “Door gebrek aan kennis gaat Mijn volk ten gronde”. Ik ben bang dat wij daar als christenen wel eens mede debet aan zouden kunnen zijn. Want hoeveel predikers zijn er vandaag de dag niet die claimen dat de vrede voor Jeruzalem nabij is?

Ik moet in dit verband ook denken aan de indringende woorden van God Zelf in Ezechiël 13:9-16: “Mijn hand zal tegen de profeten zijn die valse visioenen zien en leugen waarzeggen (...) omdat zij Mijn volk misleid hebben door te zeggen: Vrede, hoewel er geen vrede is, bouwt de een een wankele muur en zie, dan bepleisteren anderen die met kalk. Zeg tegen hen die met kalk bepleisteren, dat hij omvallen zal. Er komt een alles wegspoelende regen en u, hagelstenen, u zult neervallen en er zal een stormwind losbarsten. Zie, als de muur omvalt, zal dan tegen u niet gezegd worden: Waar is de pleisterlaag die u aangebracht hebt? Daarom, zo zegt de Heere HEERE: In Mijn grimmigheid zal Ik een stormwind doen losbarsten, in Mijn toorn zal er een alleswegspoelende regen komen, en hagelstenen in grimmigheid, tot een vernietigend einde. Zo zal Ik de muur omverhalen die u met kalk bepleisterd hebt en Ik zal hem op de aarde neer doen storten, zodat zijn fundament blootgelegd wordt. Zo zal de stad vallen, en u zult in het midden ervan omkomen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben. Zo zal Ik Mijn grimmigheid ten uitvoer brengen tegen die muur en tegen hen die hem met kalk bepleisterden. Ik zal tegen u zeggen: Die muur is er niet meer en zij die hem bepleisterden, zijn er niet meer, te weten de profeten van Israël die over Jeruzalem profeteren en er een visioen van vrede voor zien, hoewel er geen vrede is, spreekt de Heere HEERE”.

Het moge duidelijk zijn dat het prediken van Gods Woord - want dat is wat profeteren in meest letterlijke zin is - een zeer verantwoordelijke zaak is, in het bijzonder waar het de toekomende dingen betreft. Daarom heb ik grote moeite met predikers die oproepen te bidden voor de vrede voor Jeruzalem, zonder daarbij de voorwaarde te noemen van die vrede: bekering tot God en de komst van de Vredevorst. Dan citeren zij namelijk niet het Woord van God, maar spreken zij, zoals Ezechiël schrijft, “naar hun eigen uitzicht” (13:1). Of, zoals het er letterlijk staat: “uit hun hart”. Goedbedoeld waarschijnlijk, maar toch een kwalijke zaak met zeer ernstige gevolgen.

Ware vrede

Als wij al bidden voor de vrede voor Jeruzalem, laat ons oog dan gericht zijn op de ware vrede, die niet zozeer politiek, maar bovenal geestelijk van aard is. Zoals Paulus schrijft: “Mijn gebed tot God voor Israel is gericht op hun zaligheid” (Rom. 10:1). En hij weet: “Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden” (vs. 9). Maar, stelt hij de confronterende vraag, “hoe zullen zij in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt?” (vs. 14).

Waar Jeruzalem behoefte aan heeft zijn natuurlijk bidders, maar ook predikers! “Hoe liefelijk zijn de voeten van hen die vrede verkondigen”, zegt Paulus (vs. 15). Uit de context blijkt wat er met die vrede bedoeld wordt: het Evangelie. Of beter gezegd: Christus Zélf.

Vrede is er door Christus. Vrede is er in Christus. Ja, vrede is Christus.

Bladert u nu, tot slot, nog eens eenmaal terug naar Psalm 122:6. Maar leest u ditmaal eens de oude Statenvertaling of de King James Vertaling. Ziet u het verschil? In deze vertalingen wordt niet gesproken over vrede voor Jeruzalem maar vrede van Jeruzalem. Want lieve broeder of zuster, laten we één ding nooit vergeten: het gaat altijd om Christus. Niet Jeruzalem hoort centraal te staan in ons gebed, maar de Koning van Jeruzalem. Zijn vrede zij met u. De toekomstige vrede van Jeruzalem.

Sluiten