Christus’ hemelvaart en de sjechina

Christologie | Geloofsopbouw Tekst, Christan Stier

Nu we deze maand de hemelvaart van de Heere Jezus gedenken, willen we eens stilstaan bij het komen, het heengaan en de terugkeer van de Sjechina-heerlijkheid. 

Sjechina en kabod

‘Sjechina’ komt vanuit het Hebreeuws en betekent ‘koninklijke woning’. Het woord vinden we niet in het Oude Testament, maar komt uit het latere rabbijns Hebreeuws, waarmee de aanwezigheid van God wordt weergegeven. Het woord is afgeleid van het werkwoord ‘sjakaan’, dat vertaald kan worden met vestigen, rusten, bewonen of wonen1. Dit werkwoord komen we onder andere tegen in Deuteronomium 12:5: “Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen”. Het woord ‘sjechina’ heeft dus betrekking op de plaats waar de HEERE intrekt, maar is niet Zijn heerlijkheid. Dit wordt in het Hebreeuws weergegeven met ‘kabod’, dat ook vertaald kan worden met overvloed, eer en glorie2. In tegenstelling tot ‘sjechina’ komt het woord ‘kabod’ wel in het Oude Testament voor. 

Verschijning van de heerlijkheid

De eerste keer dat de HEERE Zijn Sjechina-heerlijkheid toont, is in Exodus 16. Het volk mort tegen Mozes en verlangt terug naar de vleespotten van Egypte. Ze zien weliswaar op afstand in de woestijn “de heerlijkheid (Kabod) van de HEERE in de wolk” (vs. 10). De tweede keer vindt plaats bij de verbondssluiting op de berg Sinaï. “De heerlijkheid van de HEERE bleef op de berg Sinaï rusten, en de wolk bedekte hem zes dagen lang. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit het midden van de wolk. De aanblik van de heerlijkheid van de HEERE op de top van de berg was in de ogen van de Israëlieten als een verterend vuur” (Exod. 24:16, 17). Mozes gaat de ‘Sjechinawolk’ zelfs in en verblijft 40 dagen en nachten bij de HEERE (vs. 18). Naast de ontvangst van de stenen tafelen krijgt hij instructies om de tabernakel te bouwen. Later mag Mozes opnieuw van dichtbij de Sjechina-heerlijkheid ervaren. De HEERE trekt dan voorbij terwijl Mozes schuilt in een spelonk (Exod. 33:12-23). Hoewel hij de heerlijkheid zelf niet ziet - of beter gezegd, als mens niet kan aanschouwen - mag hij wel de HEERE van achteren zien.

Tabernakel

Na een moeizame periode mag het volk de tabernakel bouwen. Alles wordt precies zoals de Heere op de berg Sinaï bevolen had, in gereedheid gebracht. “Toen overdekte de wolk de tent van ontmoeting, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde de tabernakel, zodat Mozes de tent van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel vervulde” (Exod. 40:34, 35). Toch was de tabernakel niet de definitieve plaats waar de HEERE wilde verblijven. Het volk was op weg naar het beloofde land waar de HEERE Zijn Koninkrijk voor eeuwig wilde vestigen. “Telkens als de wolk opsteeg van boven de tabernakel, braken de Israëlieten op tijdens al hun tochten” (vs. 36).

Tempel

Het is uiteindelijk Salomo die de “vaste woonplaats” (1 Kon. 8:13) voor de Heere in Jeruzalem mag bouwen. Bij de inwijding van de tempel spreekt hij namens het volk een indrukwekkend gebed uit waaruit zijn verlangen blijkt om de Heere te dienen. “Toen Salomo geëindigd had dit gebed te bidden, kwam het vuur uit de hemel neer en verteerde het brandoffer en de slachtoffers, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde het huis” (2 Kron. 7:1). Net als bij Mozes kunnen de priesters “het huis van de HEERE niet binnengaan, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld” (vs. 2).

Geen genezing meer mogelijk

Hoewel het de bedoeling was dat de HEERE onder Zijn volk zou blijven wonen om daar vanuit te regeren, raken zij opnieuw verstrikt in afgoderij. Dat begint al onder Salomo (1 Kon. 11) en eindigt op een punt waar het volk geestelijk zo ziek werd dat “genezing niet meer mogelijk was”. “Zij verontreinigden het huis van de HEERE”, “spotten met de boden van God, verachtten Zijn woorden en maakten Zijn profeten belachelijk” (2 Kron. 36:11-16).

Heerlijkheid trekt weg

De profeet Ezechiël, die zelf naar Babel wordt weggevoerd, beschrijft de gruwelijkheden die in de tempel plaatsvinden. In de geest wordt hij meegenomen naar Jeruzalem en ziet hoe 70 oudsten allerlei afgoden aanbidden, vrouwen de Tammuz bewenen en 25 mannen met de rug naar de tempel richting het oosten de zon aanbidden (Ezech. 8:10, 11, 14). Wanneer je Ezechiël 8-11 doorleest, is het opvallend dat Gods heerlijkheid slechts geleidelijk wegtrekt. Hij had er kennelijk moeite mee om Zijn volk en Zijn heilige woonplaats te verlaten. Eerst gaat de Sjechinaheerlijkheid “tot de drempel van het huis” (9:3; 10:4), later staat Hij “boven de drempel van het huis” (10:18) en tot slot “steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag” (11:23). De berg ten oosten van Jeruzalem is de Olijfberg, waarvandaan Gods heerlijkheid het land verlaat. In de later door Zerubbabel herbouwde tempel vinden we nergens dat de Heere opnieuw met Zijn heerlijkheid woning maakt.

Gods heerlijkheid in de Zoon

De Sjechina-heerlijkheid keerde pas weer terug in de gestalte van Gods Zoon, Die “de afstraling van Gods heerlijkheid” is (Hebr. 1:3). Het woord ‘kabod’ komen we ook tegen in Psalm 8:6 “Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen en hem met eer (kabod) en glorie gekroond”. De Hebreeënschrijver verklaart Psalm 8 als vervuld in de Heere Jezus (Hebr. 2:5-18). “Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die voor korte tijd minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood zou proeven” (vs. 9). Johannes getuigt hier ook van als hij schrijft: “Wij hebben Zijn heerlijkheid  gezien, een heerlijkheid  als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid” (Joh. 1:14). Net als Petrus (zie 2 Petr. 1:17) verwijst hij waarschijnlijk naar de verheerlijking op de berg (zie Luk. 9:32). In alle genoemde gevallen wordt het Griekse woord ‘doxa’ gebruikt, wat onder andere vertaald wordt met ‘eer’ en ‘heerlijkheid’. De Septuaginta (Griekse vertaling van het Oude Testament) gebruikt dit woord ook om de Sjechinaheerlijkheid weer te geven.

Hemelvaart

Hoewel de Heere Jezus in de eerste plaats als de beloofde Messias voor Israël komt, (h)erkende het overgrote deel Hem niet. Johannes schrijft: “Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen” (Joh. 1:11). Als volk wezen ze de “afstraling van Gods heerlijkheid” af. Na Zijn dood en opstanding, vaart de Heere Jezus vanaf de Olijfberg op naar de hemel (Hand. 1:9, 12). Net als ten tijde van Ezechiël, toen de Sjechina-heerlijkheid via die plaats uiteindelijk wegtrok. Toch is er voor het Joodse volk de hoop dat de Heere Jezus als Koning van Israël in al Zijn heerlijkheid zal terugkeren. En hoe kan het ook anders dan dat dit via de Olijfberg zal gebeuren! Want zoals Hij werd opgenomen zo zal Hij “op dezelfde wijze terugkomen”, aldus de twee mannen in witte kleding (Hand. 1:11).

Jezus' wederkomst

We weten vanuit het profetisch Woord dat het Joodse volk bij Jezus’ wederkomst in grote benauwdheid zal zijn (Jer. 30:7; Matt. 24:21). Vanuit hun nood zullen ze het uitroepen naar de Heere (Zach. 13:9). De Olijfberg zal dan een berg van hoop en verlossing zijn, waardoor het volk vanuit Jeruzalem zal vluchten. “Dan zal de HEERE uittrekken en tegen die heidenvolken strijden, zoals de dag dat Hij streed, op de dag van de strijd. Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten ervan. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de ene helft van de berg naar het noorden zal wijken en de andere helft ervan naar het zuiden. Dan zult u vluchten  door het dal van Mijn bergen” (Zach. 14:3-5a).

De tempel

In de periode die dan volgt zal de Heere Zijn volk reinigen (Ezech. 36:33) en een nieuw verbond met hen sluiten (Jer. 31:31-34). De tempel zal worden herbouwd en weer een centrale plaats innemen (Ezech. 40-48). In die dagen zal ‘de berg van het huis van de HEERE vaststaan als de hoogste van de bergen’ (Jes. 2:2). De Heere zal opnieuw met Zijn Sjechina-heerlijkheid de tempel vervullen. “En zie, de heerlijkheid  van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten , en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid  … En de heerlijkheid  van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag. Toen hief de Geest mij op en bracht mij in de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid  van de HEERE had het huis vervuld” (Ezech. 43:2, 4-5; zie ook 44:4). Zoals de Sjechinaheerlijkheid vertrok via het oosten zo zal de Heere Zijn woning via het oosten betreden. En dat zal ook de heidenen niet ontgaan, want “de heidenvolken zullen de Naam van de HEERE vrezen, alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid , wanneer de HEERE Sion heeft opgebouwd, in Zijn heerlijkheid  verschenen is” (Ps. 102:16, 17) 3 .

 

1. Het Hebreeuwse woord ‘misjkan’ dat vertaald wordt met ‘tabernakel’ of ‘woonplaats’, is van dezelfde wortel afgeleid.

2. Het woord ‘kabod’ komen we voor het eerst tegen in Genesis 31:1. Jakob weet zijn kudde flink uit te breiden en hoort de zonen van Laban zeggen: “Jakob heeft genomen alles, wat onze vaders was, en van hetgeen, dat onze vaders was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt” (SV). Later toont Jozef aan Jakob de “heerlijkheid” die hij in Egypte heeft opgebouwd (Gen. 45:13).

3. Andere voorbeelden van de Sjechina-heerlijkheid in het Messiaanse Rijk zijn: Ps. 24:7-10; 96:3, 7-8; 97:6; 138:5; 145:5, 11-12;  Jes. 4:2, 5; 6:3; 11:10; 24:23; 35:2; 62:2; Hab. 2:14; Hag. 2:8, 9.

Sluiten