De aanneming van Israël

Profetisch Woord | Oud Testament | Typologie en beelden Tekst, Hugo Bouter

De beschrijving van de reis van het volk Israël van Egypte naar Kanaän bevat, zo zullen we zien, allerlei waardevolle lessen voor de Gemeente van God in de huidige bedeling. Wij zijn ook een volk van pelgrims, maar wij zijn onderweg naar een beter, dat is een hémels vaderland.

Rebellie tegen Mozes

“Mirjam nu sprak met Aäron over Mozes naar aanleiding van de Ethiopische vrouw, die hij genomen had (...) Toen nu de wolk van boven de tent geweken was, zie, Mirjam was melaats als sneeuw (...) Toen zeide Aäron tot Mozes: Ach mijn heer, reken ons toch de zonde niet toe, die wij in onze dwaasheid begaan hebben (...) Daarop werd Mirjam zeven dagen buiten de legerplaats gesloten” (Num. 12:1-16).

Terwijl wij in het boek Exodus de uittocht uit Egypte vinden, beschrijft Numeri de tocht vanaf de berg Sinai tot en met de verovering van het Overjordaanse.
Om dit nog iets meer toe te spitsen: Numeri spreekt vooral over het falen van het volk van God tijdens de woestijnreis. Israël faalde om te luisteren naar Gods Woord, zich te onderwerpen aan het gezag van Mozes, in het geloof op te trekken naar het beloofde land, enz. Bijzonder treffend is in dit verband de klacht die God na verloop van tijd uitspreekt: “Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijn stem niet zijn gehoorzaam geweest” (Num. 14:22). Keer op keer werd het morrende volk gestraft door Gods oordelen, maar het mocht allemaal niet baten. De meesten van hen kwamen jammerlijk om in de woestijn en het was een nieuwe generatie (met uitzondering van Jozua en Kaleb), die het land van de belofte binnentrok. De mens in het vlees, die door de wet op de proef werd gesteld, kon God niet behagen en moest opnieuw geboren worden. Tot die conclusie moet iedere aandachtige lezer van dit bijbelboek wel komen en ongetwijfeld is dit ook een van de belangrijke lessen die God ons hier wil leren.

In Numeri 12 maakte de geest van rebellie die het volk beheerste, zich ook meester van Mirjam en Aäron, niemand minder dan de broer en zus van Mozes, die beiden als instrumenten door God waren gebruikt en een belangrijke rol hadden gespeeld bij de uittocht uit Egypte. Het aandeel van Mirjam in deze opstand tegen Mozes is kennelijk het grootst geweest, maar zij vond een open oor bij Aäron en diens belijdenis is dan ook in het meervoud gesteld: “Och, mijn heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmee wij dwaas gedaan, en waarmee wij gezondigd hebben!” (Num. 12:11).
Wat was de reden voor de kwaadsprekerij van Mirjam? We lezen dat Mirjam zich met haar broer Aäron onderhield over het huwelijk van Mozes met een Ethiopische vrouw. Mag je daar nu niet over praten, over het huwelijk van je eigen broer? Ja, maar het komt erop aan op welke wijze erover gesproken wordt! Mirjam deed dat in negatieve zin en maakte zich daarmee schuldig aan laster; zij keurde het huwelijk van Mozes af en tastte daardoor zijn positie en goede naam aan. Dat wordt weliswaar niet met zoveel woorden gezegd, maar het valt uit het verband toch wel op te maken. Mirjam verzette zich dus tegen Mozes' handelwijze en zocht daarvoor steun bij Aäron. Sámen zeggen ze dan: “Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken?” En dan staat er: “En de HEERE hoorde het!” (Num. 12:2).

Tuchtoefening in het Oude Testament

Laten wij dat wel bedenken wanneer wij iets over onze medebroeder of zuster menen te moeten zeggen! Er is een Getuige die onze gesprekken hoort, die onze gedachten kent en zelfs weet wat er leeft op de bodem van ons hart. Voor Hem kunnen wij niets verbergen. Het is niet voor niets dat Jakobus zo ernstig waarschuwt voor de gevaren van de tong, die vol 'dodelijk venijn' kan zijn. Met haar kunnen wij God loven, maar helaas ook de mensen vervloeken die naar Gods gelijkenis zijn gemaakt (Jak. 3:8-9).

Dit is een ernstig kwaad en wanneer iemand daarin volhardt en zijn leven getekend wordt door zonde, leidt dit uiteindelijk tot uitsluiting buiten de Gemeente. Een lasteraar moet als een boze uit het midden worden weggedaan (1 Kor. 5:11-13). In het volgende hoofdstuk zegt Paulus, dat een lasteraar behoort tot hen die Gods Koninkrijk niet zullen beërven (1 Kor. 6:10). Zo iemand wordt gerekend tot “hen die buiten zijn”. Zover kan het helaas komen met iemand die ondanks de kracht van de Heilige Geest zijn tong toch niet in toom weet te houden; want ook déze vorm van zelfbeheersing is een vrucht van de Geest (Gal. 5:19-22).

Zover kwam het helaas met Mirjam, zoals wij in type zien in deze geschiedenis. Zij had zich niet ontzien tegen Mozes te spreken en moest daarom als een melaatse buiten de legerplaats worden gesloten. Buiten de legerplaats: dat is in het boek Numeri de plaats van de onreinen (Num. 5:1-4; en de melaatsen staan in die verzen vóórop). Zo is het ook in Leviticus 13 en 14, waar wij de wetten vinden voor de priesters inzake de beoordeling van de diverse vormen van melaatsheid en de reiniging van de melaatse zelf. De melaatse was onrein zolang hij de plaag had: “... afgezonderd zal hij wonen, buiten de legerplaats zal zijn verblijf zijn” (Lev. 13:46 NBG).1

Mirjam zeven dagen buitengesloten

Het merkwaardige is dat het bij Mirjam kennelijk ging om melaatsheid in een vérgevorderd stadium. De toorn des Heren ontbrandde tegen Mirjam en Aäron, en Mirjam werd onmiddellijk melaats, “wit als sneeuw” (Num. 12:10). Dit volkomen wit zijn, was volgens Leviticus 13:13 juist de voorwaarde om weer rein verklaard te worden! Mirjam werd dus getroffen door Gods oordeel, maar toch was hier meteen reeds een bewijs van Zijn genade te constateren, genade die haar herstel op het oog had. Zij was volkomen melaats, daarover bestond geen enkele twijfel. Zij moest als een onreine buiten de legerplaats worden gesloten en zelf ook uitroepen dat zij onrein was (Lev. 13:45). Maar het was niet voorgoed. God wilde haar weer in genade aannemen nadat zij zeven dagen buiten de legerplaats was gesloten (Num. 12:14). Ik denk dat deze periode van zeven dagen, die ook gebruikelijk was bij andere reinigingsceremoniën (o.a. in Num. 19), doelt op het betoon van berouw dat voor een volledig herstel vereist is. Zo diende er ook bij de uitgeslotene in Korinthe een werk van berouw en bekering plaats te vinden, voordat hij weer in het midden van de gelovigen kon worden toegelaten (2 Kor. 2:7). De droefheid naar God had zowel in zijn hart als in dat van de overigen, die het kwaad eerst hadden getolereerd in hun midden, een 'onberouwelijke bekering tot behoudenis' bewerkt (2 Kor. 7:10 Voorhoeve-vertaling).

Het wegdoen van een 'boze' uit het midden van de gelovigen, het uitsluiten van een 'melaatse' buiten een reine legerplaats, dient dus plaats te vinden in de hoop op een spoedig herstel. Priesterlijke aandacht en zorg is nodig om vast te kunnen stellen welk stadium de melaatsheid, die bij uitstek een beeld is van de zonde in een manifeste gedaante, heeft bereikt. Is de melaatse volledig aangetast door de ziekte, dan betekent dat in overdrachtelijke zin dat de uitgeslotene niets meer van zichzelf kan verwachten en erkent dat er in zijn vlees geen goed woont (vgl. Rom. 7:18). Met andere woorden: er is een werk van berouw en bekering bij hem te bespeuren. Zodra dat is vastgesteld, kan de betrokkene hersteld worden en zijn vroegere plaats onder de gelovigen weer innemen.

Na zeven dagen mocht Mirjam zich weer bij de legerplaats voegen, of zoals de Statenvertaling het zegt: 'weer aangenomen worden'. Dit is een treffend voorbeeld van uitsluiting, maar ook van herstel van iemand die onder de tucht moest worden gesteld. God neemt de zonde heel hoog op en Hij vraagt van de gelovigen handhaving van (gemeentelijke) tucht, maar Hij wil in Zijn genade ook de weg banen tot volledig herstel. Mirjam moest wachten buiten de legerplaats, zeven dagen lang, voordat zij weer kon worden toegelaten. Het is treffend dat het volk binnen de legerplaats ook zeven dagen lang wachtte, totdat zij zich weer bij hen had gevoegd: “... en het volk brak niet op, vóórdat Mirjam zich bij hen gevoegd had” (Num. 12:15 NBG). Zij wachtte buiten, het volk wachtte in de legerplaats, totdat het werk van herstel was voltooid!

Mozes als beeld van Christus

Laten wij nu nog letten op de houding van Mozes, die ook bijzonder leerzaam is. Mozes is ongetwijfeld bedroefd geweest over de zonde van Mirjam en Aäron. Aäron had als oudere broer beter moeten weten, maar bij de afgoderij met het gouden kalf had hij ook een twijfelachtige rol gespeeld. Wat was de reactie van Mozes op dit revolutionaire optreden tegen zijn gezag als de man Gods? Hij zweeg en gaf het over aan Hem die rechtvaardig oordeelt (1 Petr. 2:23). Het getuigenis dat wij hier van Mozes lezen, is dat hij “zeer zachtmoedig was, meer dan alle mensen, die op de aardbodem waren” (Num. 12:3). Die zachtmoedigheid had hij niet van zichzelf, hij had die geleerd in de school van God. Van nature was hij immers een driftig man: hij sloeg de Egyptenaar dood, en zelfs op zijn oude dag speelde zijn drift hem nog een keer parten toen hij in zijn verontwaardiging over het weerspannige volk op de rots sloeg in plaats van tegen de rots te spreken (Num. 20).

Hier in Numeri 12 doet Mozes ons echter denken aan de Heere Zelf, Die Zijn discipelen vermaande: “Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen” (Matt. 11:29). Wij zien hier zelfs dat Mozes voor zijn zuster bad met het oog op haar herstel: “Mozes dan riep tot de HEERE, zeggende: O God! heel haar toch!” (Num. 12:13). Dit gebed om herstel en genezing werd verhoord.

Profetische lessen uit Numeri 12

“En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw (...) Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit zijns moeders lijf uitgaat, de helft reeds verteerd is! Mozes dan riep tot de HEERE, zeggende: O God! heel haar toch!” (Num. 12:10-13).

Mozes bad in deze verzen voor de genezing van zijn zuster Mirjam. Hij is hier een beeld van Christus, die bad voor degenen die tegen Hem opstonden en die Hem belasterden. Zoals Mirjam herstelde op grond van Mozes’ voorbede, zo werd aan Israël genade betoond op grond van de voorbede van Christus aan het kruis: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen” (Luk. 23:34). In het boek Handelingen zien wij dan ook, hoe aan het Joodse volk de weg tot behoud en tot herstel werd gewezen door middel van de prediking van het Evangelie van Gods genade. Naast het praktische onderwijs dat wij uit Numeri 12 kunnen leren, bevat dit hoofdstuk ongetwijfeld deze profetische les. Mozes is een duidelijk type van Christus als de grote Profeet, Apostel en Leraar van Zijn volk (Deut. 18:15; Joh. 5:46; Hand. 3:22; Hebr. 3:1-6).
De genade en de liefde van God, die in Christus tot alle mensen zijn gekomen, konden niet beperkt blijven tot het Joodse volk. De kern van het Evangelie is dat alle mensen voor God gelijk zijn: allen zijn zondaars, maar aan allen wil God ook Zijn genade kwijt. Zowel de Jood als de heiden is voor God ‘dood in overtredingen en zonden’ (Ef. 2:1). Maar God heeft beiden met Christus levend gemaakt en door Hem tot een nieuwe eenheid gesmeed: de Gemeente, die het Lichaam van Christus is en het huis van God op aarde (Ef. 2). Christus werd verworpen door het Zijne, Zijn verwanten naar het vlees (Joh. 1:11). Hij heeft de tegenspraak door de zondaars tegen Zich moeten verdragen (Hebr. 12:3), en Hij deed dat geduldig en zachtmoedig. Hij handelde zoals Mozes, die het verzet van zijn verwanten gelaten over zich liet komen en het in de hand des Heeren gaf.

Israëls verwerping van de Knecht des Heeren had hun terzijdestelling tot gevolg, evenals Mirjams opstand tegen Mozes (die Gods knecht was, Num. 12:8) resulteerde in haar uitsluiting buiten de legerplaats. God Zelf sprak in deze kwestie tussen Mirjam en Mozes het vonnis uit: zij werd voor een tijd verstoten vanwege haar zonde. Vanwege de verwerping van de Messias is Israël tijdelijk verworpen. Het is nu ‘Lo-Ammi’; ‘Niet-Mijn-volk’ (Hos. 1:9; Rom. 9:26). God heeft Zijn handen uitgestrekt tot de volken, en de Messias is met liefdebanden verbonden met de Gemeente die (voor een groot deel) van heidense origine is.

Zoals de wolk van Gods tegenwoordigheid week van boven de tent der samenkomst en de HEERE heenging (Num. 12:9-10), zo heeft Hij Zich nu aan Zijn oude volk onttrokken. De heerlijkheid des Heren heeft Israël verlaten en keert pas terug aan het begin van het Vrederijk (Ezech. 43). Mirjam werd buiten de legerplaats gesloten, buiten de plaats van zegen in de nabijheid van de HEERE. Zo is over Israël als natie helaas een oordeel van verharding gekomen en bevindt Gods zegenrijke tegenwoordigheid zich elders, want Hij woont met Zijn Geest in de Gemeente.

Heel Israël behouden

Maar er is een heerlijk ‘totdat’. Deze geschiedenis eindigt niet met het droevige bericht van Mirjams uitsluiting, maar met haar herstel. Zo is Gods toorn weliswaar over Israël gekomen tot het einde toe (d.i. ten volle), maar Hij is genadig en denkt zelfs in Zijn toorn aan ontferming (1 Tess. 2:16; Hab. 3:2). Hij bepaalt de mate van de kastijding, zoals Hij ook de periode van ‘zeven dagen’ bepaalde waarin Mirjam versmaad was. Hij zal Zich weer over Israël ontfermen en het vertroosten, wanneer de lijdenstijd is volbracht en de ongerechtigheid geboet (Jes. 40:1-2). Deze droevige geschiedenis heeft dus een gelukkig slot. Zoals Mirjam in genade werd aangenomen en van haar melaatsheid werd gereinigd, zo zal Israël weer als Gods volk worden aangenomen en van alle ongerechtigheid worden gereinigd.

Juist de apostel Paulus, die zoveel tegenstand van de Joden heeft ondervonden doordat hij het Evangelie van Gods genade predikte aan de volken, heeft ons een Goddelijke verborgenheid bekendgemaakt ten aanzien van het herstel van het Joodse volk (Rom. 11:25-27). In dit gedeelte is ook sprake van een ‘totdat’, een door God bepaalde tijd waarop er een keer zal komen in het lot van Zijn oude volk. Zoals de HEERE als de Heelmeester van Zijn volk ten gunste van Mirjam handelde en haar genas, zo zal Hij straks Zijn aardse volk herstel schenken. Hij zal het niet alleen redden van de vijanden die het van buiten bedreigen, maar tevens van de zonden die hen van binnen aanklagen. Hij nam de melaatsheid van Mirjam af, en zo zal Hij straks de goddeloosheden van Jakob afwenden (Rom. 11:26) en het Joodse volk als herboren uit zijn doodsstaat doen opstaan.

Israëls verwerping betekende de verzoening van de wereld (Rom. 11:15), doordat God Zijn handen tot alle mensen uitstrekte en de boodschap van de verzoening liet uitgaan tot Joden én heidenen. Maar als straks de volheid van de volken is ingegaan en de Gemeente voltallig is, zal God ook tot Zijn doel komen met Zijn oude volk. Wat zal het gevolg van hun aanneming zijn? Niets minder dan het leven uit de doden (Rom. 11:15). Zoals Mirjam als een gereinigde en opnieuw geborene weer in de legerplaats werd opgenomen, zo zal Israël opnieuw door God worden aangenomen als een volk dat uit zijn doodsslaap is opgewekt en dat volkomen is gereinigd van de melaatsheid die het stempelde tot een ‘doodgeborene, wiens vlees reeds half verteerd is’ (Num. 12:12).

In de Statenvertaling komt het woord ‘aannemen’ ook letterlijk voor in Numeri 12:14. Dit bevestigt de parallel met Romeinen 11:15. Anderen vertalen: ‘opnemen’. De grondbetekenis van het woord schijnt te zijn: ‘vergaderen’, ‘verzamelen’. Dat is ook de betekenis van het woord ‘aanneming’ in Romeinen 11. God zal het volk dat Hij voor een tijd van Zijn aangezicht moest wegdoen, weer aannemen en brengen op de plaats van zegen in Zijn tegenwoordigheid. Dat zal een heel nieuw begin betekenen, een geestelijk reveil, het leven uit de doden (vgl. Ezech. 37).

Laten wij ondertussen als leden van Gods Gemeente op onze hoede zijn dat wij niet in dezelfde fout vervallen en morren tegen Christus, de ware Mozes. Het verzet tegen Zijn gezag, de rebellie tegen het Woord van Christus en tegen de Heilige Geest, is een kenmerk van de laatste dagen en brengt onvermijdelijk het oordeel met zich mee (vgl. de brief van Judas).

Voetnoot:
1. Hier is de legerplaats de door God erkende woonplaats van Zijn volk. Hij was als de Reine en Heilige in hun midden en zij waren als een rein en heilig volk rondom Zijn heiligdom gelegerd. Toen de legerplaats verontreinigd was door afgoderij, was de plaats van de getrouwen met Mozes 'buiten de legerplaats, ver van de legerplaats' (Exod. 33:7). Zo is na de verwerping van de Messias de plaats van de gelovige Hebreeën bij hun Heer 'buiten de legerplaats' (Hebr. 13:13).

Sluiten