De antichrist (dl. 1)

Profetisch Woord Tekst, Ton Stier

'De antichrist' is niet bepaald een onderwerp waar ons hart naar uitgaat. Veel liever strekken we ons met Paulus uit naar 'de voortreffelijkheid van de kennis van Christus Jezus' (Fil. 3:8). Toch gaat de apostel aan het thema van de antichrist niet voorbij. Uit zijn tweede brief aan de Thessalonicenzen blijkt hij hierover niet alleen aan hen geschreven, maar ook tot hen gesproken te hebben (2 Thess. 2:5). 

Vier belangrijke redenen

Er zijn tenminste vier belangrijke redenen om ons met dit onderwerp bezig te houden.
In de eerste plaats omdat Gods Woord er zeer uitgebreid aandacht aan besteedt. In de tweede plaats omdat het ons een beter inzicht geeft in allerlei details van de eindtijdprofetieën. Ten derde stelt het ons in staat om bepaalde ontwikkelingen in de wereld in het perspectief van het toekomstig optreden van de antichrist te herkennen. En ten slotte raken we ons meer bewust van de beperkte tijd, die ons is toegemeten. Johannes schrijft immers "Kinderen, het is het laatste uur; en zoals u gehoord hebt dat de antichrist eraan komt, zijn er ook nu al veel antichristen gekomen, waaruit wij weten dat het het laatste uur is" (1 Joh. 2:18).

Antichrist en antichristen

Uit bovenstaande tekst blijkt dat de Bijbel onderscheid maakt tussen 'de antichrist' en 'antichristen'.
De antichrist, is de aanduiding voor de persoon die straks op het wereldtoneel zal verschijnen, als personificatie van satan zelf. Dat laatste blijkt ondermeer uit zijn namen: 'de mens van de wetteloosheid', 'de zoon van het verderf' en 'de tegenstander' (2 Thess. 2:3).
De antichristen zijn als het ware de voorlopers van de antichrist, waaraan we herkennen dat het 'de laatste ure' is. In deze antichristen wordt een belangrijk onderdeel van het eindtijdproces zichtbaar. Over hen schrijft Johannes: "Zij zijn uit ons midden weggegaan, maar zij waren niet uit ons; want als zij uit ons geweest waren, dan zouden zij bij ons gebleven zijn. Maar het moest openbaar worden dat zij niet allen uit ons zijn" (1 Joh. 2:19). Let u op de woorden "het moest openbaar worden dat zij niet allen uit ons zijn". Tijdens de opmaat naar zijn verschijning worden dus dingen openbaar die tot dan toe verborgen zijn gebleven. Vandaar ook dat Paulus spreekt over 'het geheimenis van de wetteloosheid' (2 Thess. 2:7), dat uitmondt in de openbaring van de mens der wetteloosheid (2 Thess. 2:8).
Een voorbeeld van zo'n schiftingsproces vinden we al in de gemeente van Korinthe. In 1 Korinthiërs 1:10 roept Paulus eerst nog op tot eenheid: "Maar ik roep u ertoe op, broeders, door de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat u allen eensgezind bent in uw spreken, en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat u hecht aaneengesmeed bent, één van denken en één van gevoelen".
Even later echter schrijft de apostel: "Want er moeten ook afwijkingen in de leer onder u zijn, opdat wie beproefd blijken te zijn, in uw midden openbaar komen" (1 Kor. 11:19, zie ook Opb. 22:11).

Door valse leringen (aangeduid als de afval in 2 Thess. 2:3) vindt er dus een schiftingsproces plaats, dat uiteindelijk zal culmineren in de macabere verschijning van degene "wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden" (2 Thess. 2:9, 10).
Let u op het criterium: 'liefde voor de waarheid'. Er is hier dus geen sprake van niet kunnen, maar niet willen. Petrus benadrukt immers dat God niet wil dat enigen verloren gaan, maar allen tot bekering komen (2 Pet. 3:9). De mens kan echter willens en wetens een grens passeren, die (evenals indertijd bij de Farao) tot een onomkeerbaar proces leidt. "En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid" (2 Thess. 2:11, 12).
Het is de definitieve fase van een proces, dat volgens Romeinen 1 zijn oorsprong heeft in het onderdrukken van de waarheid in ongerechtigheid.
“Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken” (vs. 18). Als gevolg daarvan lezen we drie keer dat God hen heeft overgegeven aan:

1. “… de onreinheid om hun lichamen onder elkaar te onteren” (vs. 24); 

2. “… oneervolle hartstochten, want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke. En evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkaar ontbrand: mannen doen schandelijke dingen met mannen en ontvangen het gepaste loon voor hun dwaling in zichzelf" (vs. 26, 27) en

3. " … verwerpelijk denken, om dingen te doen die niet passen" (vs. 28).

De geest van de antichrist

Behalve 'de antichrist' en 'antichristen', schrijft Johannes ook over 'de geest van de antichrist'. In deel twee van onze studie zullen we ingaan op het te onderscheiden politieke en religieuze element van de antichrist. Maar nu eerst het religieuze element: de geest van de antichrist. Waaraan deze geest is te herkennen, lezen we in 1 Johannes 4:1-3: "Geliefden, geloof niet elke geest, maar beproef de geesten of zij uit God zijn; want er zijn veel valse profeten in de wereld uitgegaan. Hieraan leert u de Geest van God kennen: elke geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en elke geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is niet uit God; maar dat is de geest van de antichrist, waarvan u gehoord hebt dat hij komt, en die nu al in de wereld is". 

De komst van Jezus Christus in het vlees is de kern van het Evangelie. In Hebreeën 2:14-18 worden vier belangrijke redenen opgesomd, waarom en waartoe Zijn vleeswording moest plaatsvinden:

1. om de dood en hem die de macht over de dood had, de duivel, teniet te doen (vs. 14);

2. om de gelovigen te bevrijden van de angst voor de dood, die de mens van nature als een slavenjuk meetorst (vs. 15);

3. om de zonden van het volk (enkelvoud!) te verzoenen (vs. 17);

4. om, waarin Hijzelf geleden heeft, hen die verzocht worden, te hulp te komen (vs. 18).

Wie de belijdenis van Jezus Christus' komst in het vlees mist, mist dus de kern van het Evangelie. Merk overigens op dat er niet staat: 'elke geest die ontkent dat …', maar veel subtieler: "elke geest die niet belijdt dat …"
Die geest kan inspirator zijn tot indrukwekkende preken over Gods liefde; tot mooie aansporingen om in interreligieus verband aan een betere wereld te werken. 'Slechts' één ding ontbreekt: de Naam van de Heere Jezus Christus en veelal de rol van Israël, het volk uit Wie Hij, wat Zijn vleeswording betreft, is voortgekomen en door wie Hij straks de wereld zal regeren.

Het is in dit verband opmerkelijk dat voor de eerste komst van Christus ook al zo'n geest op aarde rondwaarde: het hellenisme met zijn eigen mens- en wereldbeeld, waarin het syncretisme (samensmelting van godsdiensten) een centrale rol speelde. 'Tolerantie' was het gevleugelde woord, maar dan wel met één uitzondering: de offerdienst in Jeruzalem. Het was de beruchte Seleucidische koning Antiochus Epiphanes, voorvechter van het hellenisme1, die in 168 v. Chr. de tempel in Jeruzalem ontwijdde, een gruwel (afgodsbeeld) oprichtte en zo de profetie van Daniël 11:31 vervulde: "Dan zullen er uit hem krachtige armen voortkomen. Die zullen het heiligdom en de vesting ontheiligen en het steeds terugkerende offer wegnemen en de verwoestende gruwel opstellen".
Antiochus was een van de vele 'antichristen', voorlopers van de antichrist, die past in een lange rij van namen als Nimrod (zijn naam betekent: rebel, opstandeling); Farao, die het volk verdrukte en alle Joodse babyjongetjes in de Nijl liet werpen; Agag (de koning van Amalek); Haman, de Agagiet (nazaat van Agag); Balak (de koning van Moab, die het volk wilde laten vervloeken door de valse profeet Bileam), enz. Maar denk ook aan buiten-Bijbelse personen als Nero, Stalin, Hitler, Saddam Hoessein (beschouwde zichzelf als de gereïncarneerde Nebukadnezar), Achmadinijad, enz..

De oorsprong van de antichrist

In Jesaja 14 lezen we over de vorst van Babel. Als we echter zorgvuldig doorlezen, worden aan deze vorst eigenschappen toegeschreven die niet met een mens van vlees en bloed verenigbaar zijn.
"En ú zei in uw hart: Ik zal opstijgen naar de hemel; tot boven Gods sterren zal ik mijn troon verheffen, ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting aan de noordzijde. Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten, ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste. Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort, in het diepst van de kuil!" (Jes. 14:13-15).
Let u op de woorden: "ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting aan de noordzijde".
De NBG 51 vertaalt het met 'ver in het noorden'. Het betreft hier niet zozeer een geografische aanduiding als wel een aanduiding voor een hoge positie.
Eenzelfde uitdrukking vinden we in Psalm 48, dat een profetie is over het herstelde Jeruzalem, de stad van de grote Koning, de Messias, Die op de berg Sion aan de noordzijde zal resideren. We lezen daar: "De HEERE is groot en zeer te prijzen, in de stad van onze God, op Zijn heilige berg. Mooi van ligging, een vreugde voor heel de aarde, is de berg Sion aan de noordzijde, de stad van de grote Koning! God is in haar paleizen; Hij is er bekend als een veilige vesting" (vs. 2-4).

Het is deze plaats2 waar satan zich, als overste van deze wereld, op aarde wil laten presenteren in de persoon van zijn ‘messias’; "de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet".

De vorst van deze wereld

Voor we verder gaan, is het goed om ons af te vragen hoe satan 'de vorst van deze wereld' (Joh. 12:31; 16:11) werd. Natuurlijk heeft deze titel te maken met zijn val, hoewel zijn val niet in eerste instantie deze titel opleverde. Na zijn val werd namelijk Adam in een heersende positie over de schepping gesteld.
We lezen Genesis 1:26-28: "En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen! En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!"

Adam ontleende zijn gezag aan het gezag dat boven hem was gesteld. We vinden dat principe van 'ontleend gezag' prachtig opgetekend uit de mond van de Romeinse hoofdman, die de hulp van de Heere Jezus inroept vanwege zijn zieke slaaf en zegt: "… spreek een woord en mijn knecht zal genezen zijn. Want ik ben ook iemand die onder gezag van anderen gesteld is, en heb zelf soldaten onder mij; ik zeg tegen de een: Ga! en hij gaat; en tegen de ander: Kom! en hij komt; en tegen mijn slaaf: Doe dat! en hij doet het".
Door zelf onder gezag (van de Romeinse overheid) te staan, beschikte de hoofdman over het gezag om zijn slaven bevelen te geven. De autoriteit die Adam en Eva was toevertrouwd, reikte zover zij zich aan Gods gezag onderwierpen.
Tegen die achtergrond begrijpen we satans strategie om de mens tot ongehoorzaamheid te verleiden en daarmee tegelijk zijn ware aard op de mens te projecteren, namelijk als God gelijk te willen zijn (Gen. 3:5). Het tegenovergestelde gebeurde: de mens verloor zijn aan God ontleende gezag en satan kreeg vrij spel om zijn veelzijdige verderfelijke krachten als de tegenstander van God aan te wenden. Maar wel met een 'totdat'.

De Heere zegt immers tot de slang: "En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen" (Gen. 3:15).

Elke gelovige zal beamen dat haar Nageslacht - letterlijk staat er ' haar Zaad' - een aanduiding is voor de maagdelijke geboorte van de Heere Jezus Christus. De man is immers de drager van het zaad en niet de vrouw. De wonderbare vervulling van deze belofte vinden we verklaard door de engel Gabriël aan Maria: "De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Daarom ook zal het Heilige Dat uit u geboren zal worden, Gods Zoon genoemd worden".

Maar waarom zouden we het Zaad van de vrouw wel letterlijk nemen, als vervuld in 'het Woord dat is vlees geworden' (Joh. 1:14), maar aan 'het zaad van de slang' een abstracte dan wel allegorische duiding geven?
Als 'het Zaad van de vrouw', een verwijzing is naar de komst van Jezus Christus in het vlees, dat overigens door de geest van de antichrist wordt ontkend, mogen we ervan uitgaan dat het 'zaad van de slang', zijn letterlijke vervulling zal krijgen in de persoon van de antichrist. Overigens begrijpen we nu ook waarom de geest van de antichrist niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen. Die komst in het vlees, eist hij namelijk voor zichzelf op!
De Hiel die vermorzeld zou worden, duidt op het kruislijden van Christus, op Wie satan zijn verderfelijke haat botvierde. Als echter 'de beheersers dezer eeuw de wijsheid Gods geweten hadden, zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben' (1 Kor. 2:7,8 NBG). Want Zijn lijden en sterven bleek de oorzaak voor Zijn verhoging en verheerlijking.
Waar 'de eerste Adam' zijn gezag door ongehoorzaamheid verkwanselde en de dood zijn intrede deed, triomfeerde 'de laatste Adam' door gehoorzaamheid en werd tot een levendmakende Geest (1 Kor. 15:45). Het resultaat van Zijn gehoorzaamheid vinden we beschreven in Filippenzen 2: "En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood. Daarom (!) heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader" (Fil. 2:8-11).

Dat het zover nog niet is, behoeft nauwelijks enige toelichting. Sterker nog, satan zal zich eerst nog van de antichrist bedienen in een laatste poging alle eer naar zichzelf toe te trekken.
De strijd tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang zal tot een enorme climax komen: "En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst" (2 Thess. 2:8).

Hiermee is in feite impliciet weerlegd dat de antichrist een systeem of invloed zal zijn, zoals bijvoorbeeld sommigen in Rome en het Pausdom de letterlijke vervulling van de antichrist menen waar te nemen. De Sint Pieter zou dan de tempel zijn waar hij gezeten is. Het waren met name de Waldenzen, een bijbelgetrouwe religieuze beweging, in 1175 in Frankrijk ontstaan, die in 1450 voor het eerst met een geschrift uitkwamen waarin de Paus als antichrist werd aangeduid. Vanuit ontwikkelingen in hun tijd bezien, was dat een - tot op zekere hoogte - begrijpelijke interpretatie. Ze hadden zwaar te lijden onder de vervolgingen van Rome. Geen wonder dat ook tijdens de Reformatie, met alle haatdragende tegenstand vanuit Rome, deze interpretatie plausibel leek. Het doet echter geen recht aan de context waarin oud- en nieuwtestamentische profetieën de antichrist plaatsen, zoals bijvoorbeeld:

  • de geografische aanduiding 'de heilige plaats' (Matt. 24:15), dat alleen Jeruzalem en niet Rome kan zijn;
  • de tijdsaanduiding van de 70ste jaarweek, nader gespecificeerd in 'de helft van de week’ (Dan. 9:27), 42 maanden (Opb. 13:5) en 1260 dagen (Opb. 12:6);
  • de nooit eerder vertoonde tekenen zoals het neer laten komen van vuur op de aarde, (Opb. 13:13) en een beeld met een geest dat kan spreken (Op. 13:15);
  • de antichrist wordt beschreven als een persoon en niet als een godsdienstig systeem;
  • het credo van de geest van de antichrist is de ontkenning dat Jezus Christus in het vlees gekomen is (1 Joh. 4:3).

Hoewel veel onbijbelse, heidense, occulte en zelfs blasfemische uitingen van het Pausdom in de loop van de geschiedenis zijn op te sommen, belijdt zij wel degelijk de komst van Jezus Christus in het vlees. Laten we daarom de woorden van Petrus ter harte nemen: "Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat" (2 Pet. 1:20). Een Bijbelse uitlegging is simpelweg niets anders dan een uitlegging die de Bijbel zelf aanreikt. En heus, de Bijbel zegt wat hij bedoelt en bedoelt wat hij zegt!

Ga naar deel 2 >

Voetnoten:
1. Zie Beet Hamdrasj van Pieter A. Siebesma, IB Magazine maart 2013-03-23
2. Natuurlijk niet exact dezelfde plaats, want in het Messiaanse rijk zullen er grote geografische veranderingen plaatsvinden. Denk o.a. aan de splitsing van de Olijfberg (Zach. 14:4).

 

Sluiten