De antichrist (dl. 3)

Profetisch Woord Tekst, Ton Stier

In dit derde en laatste deel van onze serie zullen we zien dat de antichrist in tal van Bijbelboeken ter sprake wordt gebracht. Soms heel concreet, maar soms ook in meer verborgen typologische vorm.

Namen van de antichrist

Ten eerste herkennen we de antichrist onder verschillende benamingen op verschillende plaatsen in de Bijbel. Namen die in zekere zin zowel zijn verdorven aard als werkzaamheid onthullen. We noemen slechts enkele voorbeelden.
In de Psalmen komen we hem tegen als: de man van bloed en bedrog (5:7); de goddeloze, die hoogmoedig de ellendige achtervolgt (10:2), die de gierigaard zegent (10:3), die God ontkent (10:4) en Hem lastert (10:13), totdat zijn arm (macht) verbroken wordt (10:15); de geweldenaar (52:3); de tegenstander en de vijand (74:10).
In Jesaja komen we hem tegen als: de goddeloze, die door de adem van Gods lippen zal worden gedood (11:4); de verwoester en onderdrukker (16:4); de Leviathan, de snelle slang, het monster in de zee (27:1, vgl. Opb. 13 en Job 26:13); in Jeremia wordt hij genoemd: een leeuw en de verderver van de heidenvolken (Jer. 4:7); in Ezechiël: de onheilige en goddeloze vorst (21:25); in Daniël: de kleine horen (7:8); de meedogenloze koning (8:23); een verachtelijk man (11:21); in Hosea: de koning van de vorsten (8:10); in Nahum: de verderfelijke man (1:15); in Habakuk: de goddeloze die de rechtvaardige omsingelt, het recht verdraait (1:4), een trots man die zijn keel wijd openspert als het graf en evenals de dood niet verzadigd wordt en alle heidenvolken bij zich verzamelt (2:5); in Zacharia: de herder van niets (11:17); in Johannes: die komt in zijn eigen naam (5:43); in 2 Thessalonicenzen: de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, de tegenstander (2:3, 4); in de eerste Johannesbrief: de antichrist (2:18, 22; 4:3; zie ook: 2 Joh. 1:7); in Openbaring: de ruiter op achtereenvolgens een wit, rossig, zwart en vaal paard (6:2-8); het beest (19:20; 20:10).

 Typen van de antichrist

Zoals bekend bevat het Oude Testament vele typen van de Heere Jezus. Denk aan Abel, Jozef, Mozes, David, enz. Maar ook de antichrist heeft zijn typen, soms als opponent van personen die we als typen van Christus kennen. Kaïn met zijn bloedeloos offer en moordzucht, tegenover de godvruchtige Abel; Farao, de genadeloze verdrukker en vervolger van Israël, tegenover Mozes, de liefdevolle leidsman. Saul, de door het volk gewenste koning, die David naar het leven stond, via het spiritistisch medium in Endor zijn toevlucht nam tot het rijk van de duisternis en uiteindelijk, evenals Judas, de hand aan zichzelf slaat; Goliath, die de gelederen van de levende God hoonde en David bij zijn goden vervloekte. Absalom, die door leugen en bedrog zichzelf het koningschap toe-eigende. De drie laatstgenoemden zijn allen tegenstrevers van David, die niet alleen een type van Christus is, maar uit wie ook de Christus, als Rechthebbende op zijn troon, is voortgekomen (Hand. 2:30).
Tegenover de Koning (Christus) en de stad van de grote Koning (Jeruzalem, zie Ps. 48:3), staat Nimrod, een type van de antichrist. Zijn naam betekent ‘rebel/opstandeling’. Hij was de eerste machthebber op aarde en bouwde Babel, de tegenhanger van Jeruzalem. Babel is de stad van de autonome mens die zichzelf een (anti)naam maakt (vgl. Gen. 11:4 met Joh. 5:43) en zichzelf via een toren (een ziggoerat, mogelijk een astrologisch sterrenobservatorium) toegang tot de hemel verschaft, om uiteindelijk te worden tot “een woonplaats van demonen, een schuilplaats voor allerlei onreine geesten en een schuilplaats voor allerlei onreine en weerzinwekkende  vogels” (Opb. 18:2).
Een ander evident type van de antichrist is natuurlijk Haman, de hoogmoedige Jodenhater en opponent van de Jood Mordechai, die op zijn beurt weer een prachtig type is van Christus. Denk maar aan de laatste woorden van het boek Esther: “De Jood Mordechai immers kwam op de tweede plaats, na koning Ahasveros. Hij stond in hoog aanzien bij de Joden en de menigte van zijn broeders was hem goedgezind, want hij zocht het beste voor zijn volk en sprak tot welzijn van heel zijn nageslacht”.
Zo zouden we nog vele voorbeelden kunnen toevoegen. Denk bijvoorbeeld aan Jerobeam, die een eigen godsdienst ontwikkelde, met vreemde goden, vreemde priesters die met eigen feestdagen ‘tijden en wet veranderde’. (vgl. 1 Kon. 12:25-33 en Dan. 7:25). En dan natuurlijk de beruchte Antiochus Epiphanes (zie daarvoor het artikel van Piet van der Lugt op pag. ..).

Psalm 55

Behalve Psalm 10, waarin we – voor wat de Psalmen betreft - misschien wel de meest gedetailleerde beschrijving van de antichrist vinden: “Zijn wegen bezorgen te allen tijde verdriet”; “al zijn tegenstanders blaast hij weg”; “Zijn mond is vol vervloeking, bedrog en list, onder zijn tong is kwaad en onrecht”, geeft ook Psalm 55 een opmerkelijke beschrijving. Vandaar dat we deze Psalm eens nader willen onderzoeken.
David is hier in grote nood. Hij lijkt van huis en haard verdreven: “Ik zwerf rond in mijn klagen en kreun” (vs. 3) en wordt zwaar geïntimideerd: “Vanwege het schreeuwen van de vijand, vanwege de goddeloze die angst aanjaagt” (vs. 4). Wie is die vijand, die goddeloze? Het antwoord vinden we in de verzen 21 en 22: “Hij slaat zijn handen aan wie vrede met hem had, hij ontheiligt zijn verbond. Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart wil strijd; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar het zijn getrokken zwaarden”.
Historisch gezien lijkt de aanleiding voor Davids benauwdheid dezelfde als beschreven in Psalm 3: “Een Psalm van David toen hij vluchtte voor Absalom”. Voor David de meest benauwde en dramatische fase van zijn leven. Zijn zoon Absalom had het zowel op zijn koningschap, als op zijn leven gemunt
Absaloms naam betekent ‘vader van vrede’. Hij is een heel herkenbaar type van de antichrist. Als ‘vader van vrede’ leek hij het goede met het volk voor te hebben. Als iemand ontevreden was over Davids rechtspraak, kon hij bij hem terecht, waarop hij tendentieus verklaarde: “Zie, uw zaken zijn goed en rechtmatig, maar bij de koning vindt u niemand die u gehoor geeft” (2 Sam. 15:3).
“Ook gebeurde het, dat als iemand naderde om voor hem te buigen, hij zijn hand uitstak, hem vastgreep en hem kuste. Op die manier deed Absalom met heel Israël dat naar de koning ging voor recht. Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël” (2 Sam. 15:5, 6). (Vergelijk Dan. 11:21 “Hij zal komen in zorgeloze rust en het koningschap zal hij grijpen door vleierijen”.)
Maar dan valt zijn masker: “Hij slaat zijn handen aan wie vrede met hem had, hij ontheiligt zijn verbond. Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart wil strijd; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar het zijn getrokken zwaarden” (vs. 21, 22).
Als we dit leggen naast de beschrijving van de antichrist in o.a. Daniel 11:32: “Door vleierijen zal hij tot afval bewegen” (NBG) en leggen naast de profetie van Daniel 9 over het verbond dat verbroken zal worden, zijn de overeenkomsten niet moeilijk te herkennen. “Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste” (vs. 27). Over die periode van verdrukking lezen we verder in Daniël 12:1: “In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, hij die uw volksgenoten bijstaat. Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest tot op die tijd. In die tijd zal uw volk ontkomen: ieder die gevonden wordt, opgeschreven in het boek”.
Over deze Michaël, de grote beschermvorst van Israël, lezen we in Openbaring 12:7-9: “Toen brak er oorlog uit in de hemel: Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, ook de draak en zijn engelen voerden oorlog. Maar zij waren niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd neergeworpen, namelijk de oude slang, die duivel en satan genoemd wordt, die de hele wereld misleidt. Hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.”
Hoe een deel van het volk zal ontkomen lezen we in vers 14 van hetzelfde hoofdstuk: “En aan de vrouw (beeld van Israël) werden twee vleugels van een grote arend gegeven, opdat zij naar de woestijn zou vliegen, naar haar plaats, waar zij gevoed wordt, een tijd en tijden en een halve tijd, buiten het gezicht van de slang”.
Is het in dit verband niet opmerkelijk dat David in Psalm 55 bidt: “Daarom zeg ik: Och, gaf iemand mij vleugels als van een duif! Ik zou wegvliegen naar waar ik blijven kon. Zie, ik zou ver wegzwerven, ik zou overnachten in de woestijn. Sela” (vs. 7, 8)?
David, die door Petrus ‘een profeet’ wordt genoemd (Hand. 2:30), spreekt hier – zich identificerend met het gelovig overblijfsel van Israël - een profetisch gebed uit. De (oordeels)dag des HEEREN is aangebroken en dus bidt David: “Laat de dood hen als een schuldeiser overvallen, laat hen levend in het graf neerdalen” (vs. 16). Het antwoord volgt in vers 24: “Maar U, o God, U zult de mannen van bloed en bedrog doen neerdalen in de put van het verderf; zij zullen nog niet de helft van hun dagen bereiken”.
Zie nu de analogie met Openbaring 19:20 “En het beest werd gegrepen, en met hem de valse profeet … Deze twee werden levend geworpen in de poel van vuur, die van zwavel brandt”. 

Verdriet

In de verzen 13-15 beschrijft David een groot persoonlijk verdriet. “Immers, het is geen vijand die mij hoont, anders zou ik het verdragen hebben. Het is niet mijn hater die zich tegen mij verheft, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. Maar u bent het, o sterveling, als mijn gelijke, mijn leidsman en mijn bekende. Wij die zeer aangenaam en vertrouwelijk met elkaar omgingen, wij wandelden in gezelschap van velen naar Gods huis!”
De vraag is natuurlijk, wat de historische context van deze woorden is. We weten dat bij de door Absalom geleide opstand, ook Achitofel, Davids raadgever, betrokken was, aangeduid als: “Mijn leidsman en mijn bekende” (vs. 14).
We lezen in 2 Samuel 16:23: “In die tijd was de raad die Achitofel gaf, alsof men naar het Woord van God vroeg”.
Dat is de historische context, maar wat is de profetische betekenis hiervan? In feite opent David hier niet alleen zijn eigen hart, maar zien we ten diepste het lijden van de Heere Jezus. Wat een verdriet heeft Hij gehad van Zijn discipelen, die Hem allemaal in de steek lieten. In Getsamené vielen zij in slaap en Petrus, die zelfs onder vervloekingen beweerde “ik ken de mens niet” verloochende de Heere tot driemaal toe. Maar één discipel spande de kroon: Judas. Ook hij behoorde tot de kring, waarvan David profeteert: “Wij die zeer aangenaam en vertrouwelijk met elkaar omgingen, wij wandelden in gezelschap van velen naar Gods huis”. In Psalm 41:10 wordt Judas’ daad nader beschreven: “Zelfs de man met wie ik in vrede leefde, op wie Ik vertrouwde, die Mijn brood at heeft mij hard nagetrapt”. Wanneer was dat moment? We lezen in Johannes 13:26, 27a: “En toen Hij het stuk brood ingedoopt had, gaf Hij het aan Judas Iskariot, de zoon van Simon. En met het nemen van het stuk brood voer de satan in hem”.
Het is de strijd die zijn oorsprong vindt in Genesis 3:15 het zaad van de slang dat het Zaad van de vrouw de hiel zou vermorzelen. ‘Hard natrapt’ om met de woorden van David te spreken.
Maar er is nog een tweede profetische laag in deze Psalm. Er zal in de toekomst opnieuw een gelijke als Judas opstaan. Iemand die in eerste instantie geen vijand van het volk lijkt te zijn, maar wel dezelfde typering als Judas krijgt: ‘de zoon van het verderf’ (vgl. Joh. 17:12; 2 Thes. 2:3). Hij zal net als Judas verraad plegen en de door hem gedoogde offerdienst, plotseling in ‘een gruwel der verwoesting’ veranderen (Matt. 24:15).
Zelfs het - volgens Openbaring 17 t/m 19 - te verrijzen goddeloze Babel waar de antichrist nauw aan gelieerd is (Opb. 17:3-5), lijkt nog door David te worden beschreven met de woorden: “Verslind hen Heere, verwar hun taal (vgl. Gen. 11:7), want ik zie geweld en onenigheid in de stad. Die omringen haar op haar muren, dag en nacht; onrecht en onheil zijn binnen in haar. Enkel verderf is binnen in haar; list en bedrog wijken niet van haar plein” (vers 10-12).

Maar wat een troost voor de - in die tijd - verdrukte gelovigen, te mogen weten: “Werp uw zorg op de HEERE, en Híj zal u onderhouden; Hij zal voor eeuwig niet toelaten dat de rechtvaardige wankelt”. Die Rechtvaardige (enkelvoud) is niemand anders dan de Messias en in Hem degenen die door Hem gerechtvaardigd zijn. Daarom kan David deze veel bewogen Psalm afsluiten met de woorden: “Ik echter vertrouw op U”.

Richteren 9

Ten slotte nog een opmerkelijke geschiedenis, waarin Abimelech een type van de antichrist is.
Abimelech betekent mijn vader is koning. Hoewel hij met Absalom kon zeggen dat zijn vader koning was, betekende dat niet dat hem dat koningschap ook toekwam. Evenals Absalom eigende hij zich het koningschap onrechtmatig en met veel bloedvergieten toe. Hij doodde daartoe maar liefst 70 broers op een en dezelfde steen. Voor deze moordpartij had hij, met 70 zilverstukken uit de tempel van Baäl-Berit (= heer van het verbond), lichtzinnige mannen gehuurd. Vergelijk Judas, die met 30 zilverlingen uit de tempel werd betaald.
Alleen Jotham (= ‘de HEERE is volmaakt/oprecht’) overleeft. Met niet geringe moed houdt hij een profetische toespraak vanaf de berg Gerizim, de berg, die door God was aangewezen om de zegen uit te spreken (Deut. 11:29).
Jotham begint namelijk zijn toespraak met: "Luister naar mij, dan zal God naar u luisteren" (9:7). En dan volgt een opmerkelijke gelijkenis, zowel met wat er door Abimelech en het volk was teweeg gebracht, als wat er in de toekomst zal gebeuren.

Vers 8: Eens gingen de bomen op weg om een koning over zich te zalven.
Heel herkenbaar in Israëls vraag om een koning, met als gevolg dat de HEERE tegen Samuel zei: “Geef gehoor aan de stem van het volk in alles wat zij tegen u zeggen; want zij hebben ú niet verworpen, maar Míj hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zou zijn” (1 Sam. 8:7).
Geen van de bomen wilde echter het koningschap aanvaarden. De olijfboom niet, omdat hij zijn vettigheid niet wilde prijsgeven; de vijgenboom niet vanwege zijn zoetigheid en de wijnstok niet vanwege zijn most.
“Ten slotte zeiden al de bomen tegen de doornstruik: Kom, weest u koning over ons!
En de doornstruik zei tegen de bomen: Als u mij naar waarheid tot koning over u zalft, kom dan en neem de toevlucht in mijn schaduw. Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan van de doornstruik, dat de ceders van de Libanon zal verteren” (vers 14, 15).
Vergelijk Jezus’ waarschuwing: “Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader maar u neemt Mij niet aan. Als een ander komt, in zijn eigen naam, die zult u aannemen” (Joh. 5:43). Maar wel met de kanttekening dat wie zich niet aan hem onderwerpt door vuur getroffen zal worden (vgl. Opb. 13:13). De doornstruik staat in deze gelijkenis natuurlijk voor Abimelech, maar overdrachtelijk ook voor de antichrist.

Einde van Abimelech

Toen het volk de waarschuwing van Jotham negeerde, greep God in.
“God zond een boze geest tussen Abimelech en de burgers van Sichem. De burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimelech, opdat het geweld tegen de zeventig zonen van Jerubbaäl en hun bloed zouden neerkomen op hun broer Abimelech, die hen gedood had; en op de burgers van Sichem, die hem aangemoedigd hadden om zijn broers te doden” (Richt. 9:23, 24).
Vergelijk 2 Thessalonicenzen 2:11, 12: “En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid” (vgl. 1 Sam. 16:14 en Opb. 17:16-18)

Abimelechs dagen waren geteld, maar hij zou eerst nog dood en verderf zaaien door op gruwelijke wijze 1000 mannen en vrouwen te verbranden, die hun toevlucht hadden gezocht in de tempel van El-Berit (de tempel van ‘de god van het verbond’, waaruit de 70 zilverstukken voortkwamen). Zo sloten zij als het ware een verbond met de dood (vgl. Jes. 28:15). Opmerkelijk genoeg wordt echter Abilmelechs schedel verbrijzeld door een stuk van een molensteen, die door een vrouw op zijn hoofd wordt geworpen (vers 52, 53). Een wonderlijk analogie met de profetie van Genesis 3:15; het zaad van de vrouw dat de kop van de slang zal vermorzelen. Maar natuurlijk denken we ook aan de profetische droom van Nebukadnessar over ‘de niet door mensenhanden afgehouwen steen’, die alle koninkrijken der aarde zal verbrijzelen en tot een berg wordt die de hele aarde zal vervullen (Dan. 2:35, 45). Het heerlijke eeuwige koninkrijk van Israëls Messias.

Sluiten