De Filistijnen, historisch en profetisch belicht

Profetisch Woord | Oud Testament Tekst, Hans van de Lagemaat

Op het moment van dit schrijven is Gaza dagelijks in het nieuws. De Gazastrook ontleent haar naam aan de stad Gaza. En daarmee is de link met het volk der Filistijnen gelegd. Maar daaruit mag niet de conclusie worden getrokken dat de huidige Palestijnse bewoners verwant zijn aan de Filistijnen.

Palestijnen en Filistijnen

In het IB magazine van juni 2006 helderde Ineke van Lieshout al het misverstand op over de vermeende verwantschap tussen Filistijnen en Palestijnen. Zij schreef: "Via het Latijn is er taalkundige verwantschap, maar het zijn niet dezelfde bevolkingsgroepen zoals wijlen Arafat ons wijs probeerde te maken. Het is een gedachtegang die de Palestijnse Autoriteit aan ons opdringt in hun streven naar een Palestijnse staat. Menend dat zij van de Filistijnen stammen, maar ook nazaten zijn van Abraham, maken zij aanspraak op de Gazastrook, het gebied dat toen Gerar heette. Maar dit is geen grond om hun recht te laten gelden. Want "Abraham verbleef vele dagen als vreemdeling in het land van de Filistijnen"; evenals Izak (Gen. 20:1; 21:34; 26:1, 2). Hij verbleef daar dus niet als ingezetene. Volgens de Bijbel kunnen Palestijnen zich daarom niet beroepen op Abraham als inwoners van Gerar".

Filistijnen niet de eerste bewoners

De Filistijnen woonden in het zuidwesten van het land Kanaän en beheersten de steden Gaza, Askelon, Asdod, Ekron en Gath. De archeologie vertelt ons dat ook de Filistijnen niet de eerste of oorspronkelijke bevolking van het land waren. Zij zouden zich als onderdeel van een aantal zeevolken uit de gebieden rondom de Egeïsche zee gevestigd hebben in het gebied dat nu de naam ‘ Gazastrook’ draagt. Naar Amos 9:7 en Jeremia 47:4 was hun oorspronkelijke woonplaats Kaftor, dat hoogst waarschijnlijk geïdentificeerd moet worden met Kreta.

De volkerentafel in Genesis 10 traceert hun afstamming tot op Mitsraïm, hetgeen een (verre) verwantschap met de Egyptenaren toont1. “En Mitsraïm gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten, en de Pathrusieten, en de Kasluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Kaftorieten” (Gen. 10:13, 14). Mitsraïm zelf is een zoon van Cham, de middelste zoon van Noach (Gen. 10:6).

Hoe het ook zij, ten tijde van Abraham woonden de Filistijnen er al (Gen. 21:22-34). De naam van hun koning Abimelech is overduidelijk van Semitische oorsprong. De naam van zijn krijgsoverste, Pichol (vs. 22) is dat niet, hetgeen ook kan duiden op een andere, niet-Semitische oorsprong van het volk.

Israëlieten tussen de Filistijnen

Abraham

Hoewel de naam van de Filistijnen geen gunstige klank hebben waar het hun relatie met Israël betreft, is het toch opmerkelijk dat diverse personen in tijden van nood hun heil bij dit volk zochten.
De eerste was Abraham. “Abraham trok vandaar naar het Zuiderland en woonde tussen Kades en Sur, en hij verbleef als vreemdeling in Gerar.” (Gen. 20:1). De oorzaak waarom Abraham daarheen ging staat niet vermeld. Maar hij zal toch wel een dringende reden gehad hebben. Waarom zou hij zichzelf en zijn vrouw anders in zo’n lastig parket hebben gebracht?

Izak

De tweede die bij de Filistijnen schuilde was Izak, Abrahams zoon. “Er kwam hongersnood in het land, een andere dan de eerste hongersnood, die er in de dagen van Abraham geweest was. Daarom ging Izak naar Abimelech, de koning van de Filistijnen, naar Gerar.” (Gen. 26:1).
Ook dit werd geen rustig en vreedzaam verblijf. Het eindigde in ruzie tussen de herders van Gerar met die van Izak en Izaks terugkeer naar Berseba.

Simson

De volgende die in deze opsomming niet mag ontbreken is Simson. In de dagen van de richteren waren de Filistijnen uitgegroeid tot de aartsvijanden van het volk Israël. De Heere gebruikte hen ook om Zijn volk te bestraffen over hun zondige wegen, en hen terug te brengen in het pad van zijn geboden.2
Simson werd als richter opgewekt om zijn volk te bevrijden van de Filistijnen. Maar een van zijn eerste daden die hij doet is een Filistijnse vrouw te trouwen. Weliswaar werd deze actie door God overruled (Richt. 14:4), maar uiteindelijk heeft het voor Simson zelf verder niets dan ellende gebracht.

David

Zelfs David de toekomstige en gezalfde koning van Israël zien we schuilen bij Achis de koning der Filistijnen. En hij maakt het helemaal bont. Hij gaat er twee maal naar toe.
Nadat hij op de vlucht was geslagen voor Saul en in Nob het zwaard van Goliath bemachtigd had begaf hij zich naar Achis, de koning van Gath.
“David stond op en vluchtte op die dag voor Saul; en hij kwam bij Achis, de koning van Gath.” (1 Sam. 21:10). Deze stap werd ook hem bijna noodlottig. De knechten van Achis herkennen hem als de David, die zovele Filistijnen heeft omgebracht. En alleen door zich als een dwaas aan te stellen, een toekomstige koning van Israël onwaardig, wist hij het vege lijf te redden.
Maar later tijdens zijn omzwervingen deed hij het toch weer. Wat zijn dit toch voor kuren van Gods volk om al maar veiligheid te zoeken bij hen die het ten diepste nooit of te nimmer kunnen brengen?
“Maar David zei in zijn hart: Ik zal op een dag nog eens door Sauls hand weggevaagd worden. Er is voor mij niets beters te doen dan met spoed te ontkomen naar het land van de Filistijnen. Dan zal Saul zijn hoop omtrent mij opgeven om mij nog langer te zoeken in heel het gebied van Israël, en zo zal ik uit zijn hand ontkomen. Toen stond David op en hij en de zeshonderd mannen die bij hem waren, gingen de grens over naar Achis, de zoon van Maoch, de koning van Gath.” (1 Sam. 27:1, 2). David hoeft zich nu als een dwaas te gaan gedragen. Maar hij moet er wel om liegen. Door voor te wenden dat hij Juda heeft aangevallen, zijn eigen stam, deed hij Achis geloven dat hij nu zeker ook tot de vijanden van Israël behoorde, en in hem een bondgenoot had gekregen.

Niet op Gods bevel

Merk op dat geen van deze vier mannen op Gods uitdrukkelijk bevel handelden als zij aanpapten met de Filistijnen. Het contrast is bij David wel op zijn scherpst.
Regelmatig zien we hem eerst goedkeuring van de Heere vragen over zijn te nemen stappen.
“En David raadpleegde de HEERE en vroeg: Zal ik op weg gaan en deze Filistijnen verslaan?” (1 Sam. 23:2). “Toen raadpleegde David de HEERE opnieuw, en de HEERE antwoordde hem en zei: Sta op, trek naar Kehila, want Ik geef de Filistijnen in uw hand.” (1 Sam. 23:4). “Toen raadpleegde David de HEERE en zei: Zal ik deze bende achtervolgen? Zal ik ze inhalen? En Hij zei tegen hem: Achtervolg ze, want u zult ze zeker inhalen, en u zult de gevangenen zeker bevrijden.” (1 Sam. 30:8). “Daarna gebeurde het dat David de HEERE vroeg: Zal ik naar een van de steden van Juda optrekken? De HEERE zei tegen hem: Trek op. David zei: Waarheen zal ik optrekken? Hij zei: Naar Hebron.” (2 Sam. 2:1, 2) “David vroeg de HEERE: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U hen in mijn hand geven? En de HEERE zei tegen David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in uw hand geven.” (2 Sam. 5:19). En zo zijn er nog meer voorbeelden. David vraagt wel om raad als het gaat om de strijd tegen de Filistijnen. Maar we zien helemaal niets van een biddende gestalte bij hem als hij zich bij de Filistijnen gaat verbergen.

De Sunamitische vrouw

Tenslotte was daar de Sunamitische vrouw. Zij kreeg de uitdrukkelijke opdracht van Elisa door het woord van God om haar plaats te verlaten en ergens te gaan wonen waar geen hongersnood zou komen. En dat deed ze bij de Filistijnen. “Elisa had gesproken tot de vrouw van wie hij de zoon levend gemaakt had: Sta op en ga heen, u en uw gezin, en verblijf als vreemdeling waar u verblijven kunt, want de HEERE heeft een hongersnood aangekondigd, en die zál ook zeven jaar lang over het land komen. En de vrouw was opgestaan en had gedaan overeenkomstig het woord van de man Gods: zij ging, zij en haar gezin, en verbleef als vreemdeling in het land van de Filistijnen, zeven jaar lang.” (2 Sam. 8:1, 2).

Strijd

Afek

Maar bij het horen van de naam van de Filistijnen denken we doorgaans eerst aan hun voortdurende vete met Israël. Na het boek richteren zien we de veldslag bij Afek in 1 Samuël 4. Het traumatische gevolg was dat de ark van het verbond des Heeren door de Filistijnen werd veroverd. De ark waar Israël juist zo haar vertrouwen in had gesteld. Ondanks de overwinningsroes waarin Israël nog voor de strijd verkeerde werd het bij Afek verpletterend verslagen.

Mizpa

Onder het richterschap van Samuël vindt er een grote ommekeer plaats. Het volk Israël bekeert zich tot de Heere. Afgoden werden weggedaan en het vertrouwen werd volledig op de Heere gesteld. (1 Sam. 7:4). Vervolgens verzamelden de kinderen van Israël zich bij Mizpa met het doel om de strijd aan te binden met de Filistijnen. Hoewel ze vol vrees waren wandelden zij nu in de juiste weg. Er had een hartelijke bekering plaats gevonden, en zij hadden een voorspraak bij God in de persoon van Samuël. (1 Sam. 9). Dit kon niet anders eindigen dan in een geweldige overwinning voor Israël: Eben-Haëzer! Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen.

Michmas

Toen Saul ruim een jaar koning was bond hij de strijd aan met de Filistijnen. (1 Sam. 14:3). Na een kleine schermutseling en een overwinning van Jonathan op de Filistijnen werd de volle sterkte van de Filistijnen naar Michmas verzameld. Zo groot was de overmacht dat de meeste Israëliërs uit angst begonnen te deserteren.
Vervolgens maakt Saul de onvergeeflijke fout om zelf te offeren en niet het geduld op te brengen om op Samuel te wachten. Hoewel dit niet betekende dat de strijd tegen de Filistijnen werd verloren, betekende het wel de aankondiging van het eind van Sauls koninkrijk.
Jonathan en zijn wapendrager verslaan een kleine voorpost van de Filistijnen en vervolgens laat God de aarde beven. De verwarring is in het leger van de Filistijnen compleet als de onder hen aanwezige Hebreeën zich ook tegen hen keren.
Ook deze slag werd een daverende overwinning voor Israël. Hij had echter veel groter kunnen zijn als Saul zijn manschappen geen vasten had opgelegd, waardoor ze aan het eind van de dag moe en slap waren geworden.

Elah – het terebintendal

Een andere grote veldslag staat beschreven in 1 Samuel 17. Onder leiding van hun grote voorvechter Goliath daagden de Filistijnen Israëluit tot de strijd. Niemand uit de slagorden van Israël durfde het duel met de reus aan. Totdat David in het strijdperk treedt. Met een paar welgemikte worpen uit zijn slinger doodt hij de kampioen van de Filistijnen. En daarmee was de strijd beslecht. De mannen van Israël komen uit hun stellingen en achtervolgen het vluchtende leger van de Filistijnen.

Hizkia

De voortslepende conflicten met de Filistijnen die de Bijbel vermeldt, worden uiteindelijk door de Godvrezende koning Hizkia definitief beslecht. "Hij was het die de Filistijnen versloeg, tot Gaza toe, en de bijbehorende gebieden veroverde, van de wachttoren af tot de versterkte steden toe” (2 Kon. 18:5-8).

Filistijnen in de profeten

Jesaja

In de profetieën komen we de Filistijnen ook regelmatig tegen. Jesaja 11:10-16 handelt over het herstel van Israël, zo blijkt onder andere uit vers 12: “Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen en zij die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen van de vier hoeken van de aarde”. Ook dan zal er strijd gevoerd moeten worden, net als bij de veroveringen onder Jozua, maar nu onder leiding van de Meerdere van Jozua; de Heere Jezus Christus. "Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen, samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen. Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab, en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn” (vs. 14). Hoe we deze volkeren straks weer zullen herkennen, is niet duidelijk. Maar dat het zal gebeuren, staat vast.

Jeremia

Het is goed mogelijk dat we de profetie over de Filistijnen in Jeremia 47 al als voorvervuld moeten beschouwen. Maar dat neemt niet weg dat deze ook nog een eindvervulling wacht, die aansluit op de profetie van Jesaja 11. De Chaldeeën stromen als een rivier het land in (vs. 2). Angst en beving overvalt alle inwoners, tot schreeuwen en huilen toe (vs. 2, 3). “… vanwege de dag die komt om alle Filistijnen te verdelgen, om elke overgebleven helper van Tyrus en Sidon uit te roeien. Want de HEERE zal de Filistijnen verdelgen, het overblijfsel van het kustland van Kaftor” (vs. 4). Dat Tyrus en Sidon hier in één adem worden genoemd met de Filistijnen is niet verwonderlijk. Zij hebben hoogst waarschijnlijk dezelfde afkomst.

Ezechiël

In Ezechiël 25:15-17 volgen de profetieën over de Filistijnen en Tyrus elkaar ook direct op. Hier krijgen de Filistijnen te maken met Zacharia 2:8: “Want wie u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan”. Vaak lezen we dat de Heere de Filistijnen als tuchtigmiddel gebruikt, vanwege de zonden van Zijn volk.3 Maar volgens Ezechiël deden ze dat met leedvermaak. “Zo zegt de Heere HEERE: Omdat de Filistijnen in wraakzucht handelden en met hartgrondig leedvermaak wraak namen door verderf te zaaien, gedreven door een eeuwige vijandschap, daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Mijn hand uitstrekken tegen de Filistijnen … Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn wraak op hen leg” (Ezech. 25:15-17).

Amos

In Amos lezen we hetzelfde principe als in Ezechiël. “Zo zegt de HEERE: Vanwege drie overtredingen van Gaza, ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen, omdat zij Mijn volk volkomen in ballingschap gevoerd hebben om hen uit te leveren aan Edom. Daarom zal Ik vuur werpen binnen de muren van Gaza; dat zal zijn paleizen verteren. Ik zal de inwoner uitroeien uit Asdod, en de scepterdrager uit Askelon. Ik zal Mij tegen Ekron keren, zodat de rest van de Filistijnen zal omkomen, zegt de Heere HEERE" (Amos 1:6-8).

De weg van Jeruzalem naar Gaza

Wie de profetieën over de Filistijnen verder onderzoekt4, zal merken dat ze allemaal dezelfde strekking hebben: De verdelgers van Gods volk zullen verdelgd worden.
Maar is dit werkelijk het einde? Nee, want Gaza komen we ook in het Nieuwe Testament tegen (Hand. 8). Een Ethiopiër, een kamerheer en een machtig heer van de kandakè, de koningin van de Ethiopiërs, keert terug naar zijn land en reist op de weg van Jeruzalem naar Gaza, “die eenzaam is.” (vs. 26). Die enkele toevoeging schildert ons de troosteloosheid van het landschap en wellicht ook van zijn eigen hart. Hij was naar Jeruzalem gekomen voor aanbidding (vs. 27), maar reisde terug zonder kennis van de grote dingen die kort tevoren in Jeruzalem hadden plaatsgevonden. En onderweg, door dat woeste Filistijnse land, leest hij Jesaja 53. Na alle profetieën over Gaza zouden we bijna uitroepen: kan er nog iets goeds gebeuren in Gaza? Ja; deze Ethiopiër krijgt een persoonlijke bijbeluitlegger, Filippus. En daar, op die eenzame woeste weg in Gaza, worden zijn ogen geopend voor de heerlijkheid van de Messias van Israël.

Ook de Filistijn, de Tyriër met de Moor

Deze Moor, of Cusjiet heeft Hem leren kennen. Maar daar zal het niet blijven. Straks, als Jeruzalem onder de regering van Christus weer de stad Gods wordt, zal het heil niet alleen voorbehouden zijn aan de kinderen van Jakob. Zelfs de Filistijn en de Tyriërworden vermeld onder degenen die Hem kennen. U leest het allemaal in Psalm 87.

Voetnoten:
1. Mitsraïm is de Hebreeuwse naam voor Egypte
2.Richteren 3:31; 10:7, 11; 13:1
3. 2 Kronieken 28:18, 19
4. Zie o.a ook Obadja 1:19; Zefanja 2:5 en Zacharia 9:6
5. Merk op dat ze ook hier weer achtereen worden genoemd.

Sluiten