De Kruistochten

Antisemitisme Tekst, Alfred Esch

Tussen 1097 en 1291 vonden acht kruistochten plaats. Vanuit Europa trokken ‘christenstrijders’ naar het Heilige Land om de stad Jeruzalem te ‘bevrijden’. Binnen twee jaar was de stad op de moslims en de Joden veroverd.

Jeruzalem anno 1093

Uit de beschrijvingen van de Spanjaard Ibn al-Arabi (1092) krijgen we van het toenmalige Jeruzalem een vredige indruk. Het blijkt een centrum waar aanhangers van de drie grote religies (Joden, christenen en moslims) elkaar ontmoeten en vreedzaam samenwonen. Er is verdraagzaamheid tussen de diverse godsdienstige stromingen.
Een jaar later schetst de islamitische kroniekschrijver, al-Azami, een heel andere werkelijkheid. Hij maakt melding van onlusten en strijd tussen christenen en moslims, mogelijk veroorzaakt door de schending van Christus’ Heilige Graf in 1009, door sultan al-Hakim. Zowel van christelijke als islamitische zijde werd daarop met grote verontwaardiging gereageerd. Voor de moslims is Jezus (‘Isa’ genoemd in de Koran) immers een belangrijk profeet.

Waarom dan?

Jeruzalem, ‘de Stad van God op aarde’, werd door moslims bezet. Wat de werkelijke aanleiding is geweest voor de kruistochten blijft echter moeilijk te traceren. Zeker, de verhalen over het schenden van het Heilige Graf deden nog steeds de ronde in Europa. Ook al had een islamitische vorst het al in 1048 laten herstellen. Anderzijds werden de kruistochten door de kerk zeer ‘aantrekkelijk’ gemaakt. Door op pelgrims- of kruistocht te gaan, werd boete gedaan met als gevolg de vergeving van zonden. De strijders genoten op hun gevaarlijke tocht zelfs de persoonlijke bescherming van de paus. Tot de privileges behoorde de bescherming van hun achtergelaten familie en bezittingen. Natuurlijk onderwierpen de ridders zich, door het afleggen van de kruisvaartgelofte, wel aan de kerk en dus ook aan de paus.

Clermont

Vanaf augustus 1095 trok paus Urbanus II een jaar lang te paard door Frankrijk. Vergezeld van een groot gevolg (o.a. soldaten en bisschoppen) legde hij 3000 km af. Overal vuurde hij de gelovigen aan het zwaard op te nemen en nam hij persoonlijk kruisvaartgeloftes af. Op het concilie van Clermont werden de voorschriften voor de kruistocht vastgelegd en de ‘oorlogsverklaring’ getekend. Urbanus, die zei uit Christus’ naam te spreken, introduceerde het kruis als symbool van de gelofte. Daarbij werd verwezen naar het bijbelgedeelte in Lukas 14:27 :”En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn”. Getooid met vaandels, schilden en het kruis togen de ‘Ridders van Christus’ ten strijde.

Plunderingen

Reeds de eerste Kruistocht staat bekend om de vele plunderingen. Er móést onderweg wel geplunderd en geroofd worden, want van een goed voorbereide bevoorrading was geen sprake. Het ging er niet om met veel buit thuis te komen, maar er was voor de tocht ‘gewoon’ proviand nodig. En er waren heel wat monden te voeden! Met de ridders trokken velen van het ‘gewone volk’ mee, richting Jeruzalem. Waar de plaatselijke bevolking de ‘vrome pelgrims’ niet vrijwillig te eten gaf, was roven en stelen aan de orde van de dag.

Antisemitisme

In het voorjaar van 1096 vertrokken de eerste groepen kruisvaarders uit Europa. Zij zouden in Jeruzalem niet alleen de moslims bestrijden, maar ook korte metten maken met de Joden, die immers ‘Christus hadden gekruisigd’. Op hun doortocht werden, zowel in het Rijnland, Frankrijk als Bohemen, de plaatselijke Joden alvast onder handen genomen. Als zij zich niet lieten dopen, stond hen vaak een afschuwelijke dood te wachten. De kroniekschrijver, Albert van Aken (ca. 1100) schreef: “Slechts enkele Joden ontkwamen en de weinigen die zich lieten dopen, deden dat meer uit doodsangst dan uit liefde voor het christelijk geloof”.

Jeruzalem anno 1099

Bij de verovering van de Heilige Stad ging men ook niet bepaald zachtzinnig te werk. Het was immers een ‘Heilige Oorlog’ die gestreden werd! Een ooggetuige en deelnemer aan die eerste kruistocht, Raimond van Aguilers, schreef: “In alle straten en op alle pleinen lagen bergen van afgeslagen hoofden, handen en benen. Welk een passende bestraffing!”.
Ook veel Joden, die samen met hun moslimstadgenoten probeerden Jeruzalem te verdedigen, kwamen om. De historicus Ibn-al-Athir (1160-1233) vermeld: “In de Al-Aksa moskee doodden de Franken meer dan zevenduizend moslims, onder hen vele imams, geleerden, vromen en asceten, die hun land verlaten hadden om vreedzaam in dit oord te leven ...”.

Christenen

Ja, ‘christenen’ noemden zij zich, deze ‘vrome pelgrimsgangers’, deze ‘ridders van Christus’. De zucht naar avontuur, macht en wraak dreef hen en zij meenden daar God mee te dienen. Zo ging ooit ene Saulus te keer tegen mensen van ‘de Weg’, in de vaste overtuiging daarmee zijn God een dienst te bewijzen. Hoe dikwijls stond de ‘Heilige Oorlog’ haaks op de ‘goede strijd des geloofs’ (1 Tim. 6:12; 2 Tim. 4:7).
Is het vreemd dat de christenheid hierop nog steeds wordt afgerekend, door zowel Joden als moslims? Laten we ons, in het contact met Joodse mensen, terdege bewust zijn van die wandaden, verricht ‘in de naam van Christus’. Na meer dan negen eeuwen zijn die wandaden voor hen soms nog steeds een reden Jezus Christus als Messias af te wijzen!

(n.a.v. de tentoonstelling ‘De Kruistochten’ in Museum Catharijneconvent/Utrecht)

Sluiten