De Messias in het Oude Testament

Profetisch Woord | Christologie | Oud Testament Tekst, Jakob Klein Haneveld

De titel ‘Messias’ in het Hebreeuws en ‘Christus’ in het Grieks, betekenen allebei hetzelfde: ‘Gezalfde’. Met deze titel, die de Bijbel reserveert voor koningen, priesters en profeten, wordt ook heel speciaal de Persoon aangeduid in Wie al de plannen en beloften van God samenkomen; de Heere Jezus Christus.

Was Jezus de Messias?

Naast een grote groep Joodse en Christelijke ‘geleerden’ die beweert dat er in de Bijbel helemaal niet over een Messias gesproken wordt, zijn er ook nog genoeg Joden en Christenen die wél geloven dat de Bijbel ‘Messiaans’ is, d.w.z. een duidelijk leer over de Messias bevat. Maar als het gaat over de identiteit van de Messias, dan lopen de meningen sterk uiteen. Veel Joden ontkennen dat Jezus van Nazareth de Messias is, terwijl de meeste Christenen dit juist met heel hun hart geloven. In onze gesprekken met Joodse mensen is het van groot belang om met hen vanuit de Schriften na te gaan ‘Wie is de Messias?’ en ‘Waaraan is Hij te herkennen?’.

1. Geleidelijke openbaring

Zoals bij alle andere onderwerpen, moeten wij er rekening mee houden dat de Messiaanse leer geleidelijk aan in de Bijbel geopenbaard wordt.

Genesis 3:14-15 (NBG):
“Daarop zeide de HEERE God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen”.

Hier wordt ons kort verteld over de verlossing en Wie de verlossing tot stand brengt. Het “Zaad van de vrouw” zal eens Satan een dodelijk wond toebrengen, maar het zou Zelf daardoor lijden. Dit bijbelgedeelte geeft ons misschien nog niet zo heel veel informatie, maar het geeft ons wel zicht op de komst van een nakomeling van de vrouw, die Satan zal overwinnen.

Genesis 12:1-3:
“De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden”. (Zie ook Gen. 18:18)

Deze tekst zelf bevat geen belofte dat er uit een van de nakomelingen van Abram een Messias zal komen. Maar wel wordt aan Abram beloofd, dat in Hem “alle geslachten des aardbodems gezegend worden”. Een belofte die via de erfgenamen van Abram in vervulling gaat. Maar wie zijn die erfgenamen?

Genesis 15:1-4:
“Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer? Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn! En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn”.

Abraham had een zoon: Ismaël en smeekt God om in Ismaël Zijn beloften in vervulling te laten gaan. Maar het antwoord luidt:

Genesis 17:19:
“En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond voor zijn zaad na hem”.

Hier komen wij voor het eerst met ‘verkiezing’ en ‘verwerping’ in aanraking. Dit is belangrijk voor de herkenning van de Messias, Die dus niet uit Ismaël kan voortkomen, maar uit de geslachtslijn van Izak. Zo maakt God de mogelijkheden tot misleiding steeds kleiner. De Schrift waarschuwt immers voor valse messiassen (Matt. 24:5, 24; Joh. 5:43; Hand. 5:36, 37).

Genesis 28:13-14:
“En ziet, de HEERE stond op daarop en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden”.

Dit is de geschiedenis van Bethel, waar God een verbond sluit met Jakob, de zoon van Izak. Ook hier wordt weer iemand uitgesloten. Izak had namelijk nog een andere zoon, Ezau. Maar de belofte gaat, doordat Ezau terzijde wordt gezet, over op Jakob. Ook geen enkele nakomeling van Ezau kan dus aanspraak maken op de titel ‘Messias’.
Wij zullen nu zien dat elf van de twaalf stammen van Israël van het messiasschap worden uitgesloten.

Genesis 49:8-10:
“Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich de zonen van uw vader nederbuigen.
Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?
De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en aan Deze zullen de volken gehoorzaam zijn”.

Eén van de twaalf stammen wordt uitgekozen: de stam van Juda. Van nu af aan hoeven we dus alleen nog maar te kijken naar de stam van Juda. In deze tekst wordt voor het eerst het woord “scepter” gebruikt. Dit wijst op koninklijke macht. En vervolgens het woord “Silo”, dat ook volgens de rabbijnse traditie betrekking heeft op de Messias als de ‘Vorst des vredes’. En dan is er nog iets dat opvalt: “Hem zullen de volken gehoorzaam zijn”. Weer een kenmerk van de Messias. Hij zal het middelpunt zijn van de volkeren.

In Numeri 23 en 24 lezen wij een aantal profetische visioenen van Bileam, waarvan wij er één zullen citeren:
“Ik zal Hem zien, maar nu niet; ik zal Hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de grenzen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren” (24:17-19).
Ook hier vinden wij weer het woord ‘scepter’. U heeft misschien wel gezien dat het in deze teksten niet alleen gaat om een gebied en een regering, maar ook om een ‘Persoon’: “Ik zal Hem zien, maar niet nu”.

Wij willen ook even ingaan op een tegenargument, namelijk: “Gaat het hierbij eigenlijk niet om het héle volk van Israël? Heeft de Messiaanse leer niet veel meer betrekking op een heel volk dan op een persoon?”. Mozes profeteert echter over een Profeet, die na hem uit het volk zou voortkomen en aan wie het hele volk zich in gehoorzaamheid zal moeten onderwerpen.

Deuteronomium 18:15:
“Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broeders, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen”.

Evenals Melchizedek zal de Messias dus zowel ‘koning’ (Scepter-drager) als ‘Profeet’ zijn (Gen. 14:18).
Maar de belofte wordt nog gedetailleerder omschreven, door de woorden die God sprak tot David over zijn zoon Salomo.

2 Samuël 7:12-16 (NBG):
“Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen. Ik zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn. Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen. Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik haar heb doen wijken van Saul, die Ik voor uw aangezicht heb weggedaan. Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd”.

De belofte betreft dus niet een tijdelijk, maar een eeuwig koningschap.
Laten wij eens gaan kijken hoe de profeten deze belofte hebben verwoord.

Jesaja 11:1, 2 en 10:
“Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN.

Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn”.

Jeremia 23:5, 6:
“Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: DE HEERE: ONZE GERECHTIGHEID”.

We zijn begonnen met een belofte die van toepassing kan zijn op iedere uit een vrouw geboren mens. De eerste beperking was de verkiezing van Abraham. Daarna werden Ismaël en zijn nakomelingen terzijde gezet, terwijl Izak werd uitverkoren. Vervolgens werden Ezau en zijn nakomelingen uitgeschakeld en werd Jakob de drager van de Messiaanse belofte. Daarna werd uit de twaalf zonen van Jakob, Juda uitgekozen. Uiteindelijk werd uit de stam van Juda, koning David aangewezen als stamvader van de beloofde Messias.

2. Het bovennatuurlijke karakter van de Messias

Tot nu toe hebben wij het telkens over ‘natuurlijke’ zaken gesproken. Maar wanneer wij nu verder gaan met onze studie, komen we ook bij iets ‘bovennatuurlijks’.

Jesaja 7:14:
“Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten”.

Immanuël betekent: ‘God met ons’. God belooft hiermee aan het huis van David een teken te zullen geven, waardoor zij de lang Beloofde konden (her)kennen wanneer Hij zou verschijnen. Het teken was, dat in het geslacht van David, een maagd zwanger zou worden en een zoon zou baren. Deze zoon zou dus op bovennatuurlijke wijze verwekt worden. De naam Immanuël maakt ons al duidelijk dat het hier om een héél bijzonder Persoon gaat.
Besef nu goed, dat wij dit lezen in de profetie van Jesaja: een Joods geschrift! En dus niet in het Nieuwe Testament. Dat de Messias onbevlekt (zonder zonden) geboren zou worden (Hij wordt namelijk geboren uit een maagd.) is dus een oudtestamentische leer. Evenals de Godheid van de Messias (Hij wordt namelijk op bovennatuurlijke wijze verwekt en wordt genoemd ‘God met ons’.).
Maar Jesaja geeft nog meer details over de Godheid van de Messias.

Jesaja 9:5:
“Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst”.

Het gaat nog steeds over dezelfde persoon, uit de stam van David, Die aanspraak kan maken op de troon. Dat wordt duidelijk uit het volgende vers:
“Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over Zijn koninkrijk, doordat Hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HEERE der heerscharen zal dit doen” (NBG).

Maar hoe kan de almachtige God en de eeuwige Vader, tevens mens zijn?
Het antwoord vinden we in Johannes 1. Let wel, hier vinden we geen verklaring, maar een vermelding. God vindt het blijkbaar niet nodig om dit geheimenis voor de menselijke rede toegankelijk te maken. Trouwens, hoe zou dat ook kunnen? (zie Jes. 55:8, 9)
“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God ... En het Woord werd vlees en heeft onder ons gewoond” (Joh. 1:1 en 14).

3. De tijd, waarop de Messias moest verschijnen

Het is duidelijk, dat wanneer de tijd van de geboorte van de Messias vermeld zou zijn, dat een heel belangrijk herkenningsteken zou zijn. Als wij de profetie van Daniël lezen, dan vinden wij daar een hele duidelijke openbaring over wanneer de Messias zou komen:

Daniël 9:25, 26a:
“Weet dan, en versta: van dat het Woord uitging, om te doen weerkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen weer gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.
En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn; en een volk van de vorst, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven”.

Merk op dat alles begrensd ligt tussen de tijd, dat Daniël zijn visioenen had in Babylon, en de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus. De komst van de Messias en de uitroeiing van de Messias moest plaats hebben vóór de totale verwoesting van Jeruzalem en het heiligdom. Overigens zijn er nog meer redenen waarom de Messias voor het jaar 70 gekomen moet zijn. Een eerste reden voor Zijn komst voor het jaar 70 is omdat bij de verwoesting van Jeruzalem alle geslachtregisters verloren zijn gegaan en dus Zijn afkomst niet bewijsbaar zou zijn. Een tweede reden is dat diverse profetieën over de Messias een verbinding hebben met de tempel zoals b.v. Zacharia 11:13, waarin we de profetie vinden over de 30 zilverlingen, die Judas ontving: “En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis des HEEREN, voor de pottenbakker”.

Maar in feite geeft de profetie van Daniël 9 een nog veel nauwkeuriger aanduiding als we ervan uitgaan dat het hier om jaarweken gaat (vgl. Lev. 25:8).
Deze periode wordt verdeeld in drie delen:

  1. 7 (jaar)weken of 49 jaar voor de herbouw van de tempel onder Nehemia en Ezra;
  2. 62 (jaar)weken of 434 jaar, die ons brengen in de tijd van de Messias;
  3. de 70ste (jaar)week die na de wederkomst van de Messias zal aanbreken.

Niet alleen de tijd wanneer, maar ook de plaats waar de Messias geboren zou worden, wordt door de profeten onthuld.

Micha 5:1:
“En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid”.

Wie is de Heerser Die uit Bethlehem zal komen? Het is Hij, Wiens oorsprong ligt in de dagen der eeuwigheid. (Vergelijk Joh. 8:58: “Eer Abraham was, ben Ik”.)

4. De vernedering en verhoging van de Messias

Dezelfde bijbeltekst in Daniël, die ons deze tijdsrekening geeft, brengt ook een moeilijkheid met zich mee. Tot nog toe hebben wij gelezen van iemand met een scepter, een machtige koning uit het geslacht van David, die tevens de almachtige God is. Maar nu zegt Daniël heel duidelijk, dat “de Messias zal worden uitgeroeid”. Dit is een moeilijke zin. Wat kunnen wij met een Goddelijke Koning, die alles overwinnend heerst en die plotseling wordt uitgeroeid en dat laatste ”niet voor Hem zelf”? Wij willen deze moeilijkheid niet uit de weg gaan, want ook op deze vraag geven Jesaja en de Psalmen antwoord.

Jesaja 52:13, 14 (NBG):
“Zie, Mijn knecht zal voorspoedig zijn, hij zal verhoogd, ja, ten hoogste verheven zijn. Zoals velen zich over u ontzet hebben – zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte”.

Hier wordt dus aan de éne kant geschreven over een triomferende Koning, Die alle macht heeft en wiens naam is Immanuël (God met ons). Terwijl wij anderzijds lezen over een Man, Wiens verschijning misvormd is, Die sterft van dorst en over Wiens klederen het lot wordt geworpen (zie Ps. 22). Hoe kan de Messias een machtige koning zijn en toch zo enorm lijden? Hoe kan Hij de machtige vorst uit het geslacht van David zijn en toch ook het offer tot verzoening van de zonden en ongerechtigheden van Israël? Het is duidelijk dat dit allemaal niet tegelijkertijd kan en dus is er maar één woord, dat de glorierijke regering van de Messias kan verbinden met Zijn lijden en sterven en dat is: Opstanding!
En ook de opstanding is een oudtestamentische leer. Helaas hechten veel christenen geen waarde aan het getuigenis van de profeten als het gaat om de aardse heerlijkheid en macht van de Messias “op de troon van David” (Jes. 9:6), terwijl het merendeel van de Joden niet gelooft in het getuigenis van hun eigen profeten als het gaat om de vernedering en de dood van de Messias. Op beide groepen is het verwijt van Christus van toepassing: “O onverstandigen en tragen van hart, om niet te geloven al wat de profeten gesproken hebben” (Luc. 24:25). De waarheid is, dat de opstanding de brug vormt tussen de dood van de Messias en Zijn heerlijkheid. Evenals de tweede komst van de Messias, de eerste aanvult en compleet maakt.

Wij willen nu enkele bijbelteksten uit het Oude Testament aanhalen, die te maken hebben met de opstanding.

Job 19:25-27 (NBG):
“Maar ik weet: mijn Verlosser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden. Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, die ik zelf mij ten goede aanschouwen zal, die mijn eigen ogen zullen zien en niet een vreemde”.

Job, die leefde nog vóórdat de Tora geschreven was en wist dat zijn lichaam zou sterven en verderven (Job 17:14), beleed toch: “Uit mijn vlees zal ik God aanschouwen”. Ook Daniël getuigt van de opstanding.

Daniël 12:2:
“En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing”.

De leer van de opstanding is dus zo oud als Job en was de hoop van David, Daniël en vele anderen. En dat alles op basis van Hem, Die wel in het dodenrijk is geweest, maar wiens vlees geen verderving heeft gezien.

Psalm 16:8-10 (NBG):
“Ik stel mij de HEERE bestendig voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand staat, wankel ik niet. Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen; want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk, noch laat Gij uw gunstgenoot de groeve (verderving) zien”. (vgl. Hand. 2:27-31)

‘Opstanding’ is dus het woord dat de zogenaamde tegenstrijdigheden van veel bijbelteksten oplost. Met andere woorden: de Messias kwam en vervulde alles wat over Hem voorzegd is met betrekking tot Zijn lijden, vernedering en dood; Hij stond op uit het graf en zal weerkomen om het Koninkrijk op te richten en zo de complete profetie in vervulling te laten gaan, want ... “Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn heerlijkheid in te gaan?” (Luc. 24:26).

Was Jezus de Messias?

Laten wij nog eens goed bekijken, hoe alle kenmerken van het messiasschap terug te vinden zijn in de Heere Jezus:

  1. Hij is een nakomeling van Eva;
  2. Hij is het zaad van Abraham;
  3. Hij stamt af van Izak;
  4. Hij is uit de stam van Juda;
  5. Hij is de zoon van David en de Erfgenaam van het verbond met David;
  6. Hij werd op wonderbare wijze verwekt in de schoot van een maagd;
  7. Hij bewees Zijn Godheid door bovennatuurlijke werken, door bovenmenselijke heiligheid, door de opstanding uit de doden en door Zijn invloed op de wereld;
  8. Hij verscheen precies op de juiste tijd volgens de profetie van Daniël;
  9. Hij werd geboren in Bethlehem-Efratha;
  10. Hij vervulde de profetieën van Jesaja met betrekking tot Zijn plaatsvervangend offer;
  11. Hij stierf op de wijze als voorzegd in Psalm 22. Zijn handen en voeten werden doorboord en Zijn beulen wierpen het lot over Zijn kleren.

Niemand kan deze elf kenmerken op zichzelf toepassen. Er zijn zoveel nauwkeurige kenmerken dat er onmogelijk sprake kan zijn van een ‘toevallige vervulling’. Er is maar één Persoon waarop alle kenmerken van toepassing kunnen zijn. En deze Persoon moet de Messias zijn. Het is ons gebed dat velen uit Zijn volk zeggen:
“Wij hebben Hem gevonden, van Wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten, Jezus, de zoon van Jozef,uit Nazareth” (Joh. 1:46).

Deze studie is een vrije bewerking van ‘De Messias in Oud en Nieuw Testament’, een uitgave van Israël en de Bijbel, onder redactie van Jb. Klein Haneveld. De complete brochure is te bestellen en kost € €8,95,- (zie onze webshop).

Sluiten