De Talmoed

Jodendom Tekst, David van Capelleveen

Naast de Tenach is de Talmoed de centrale tekst van het Jodendom. Voor veel mensen daarbuiten is het echter een complex en ontoegankelijk werk. Wat is nu precies de Talmoed en wat staat erin? In deze Beet Hamidrasj zullen we dieper ingaan op de geschiedenis en de inhoud van dit imposante werk. Ook bespreken we begrippen zoals de Mondelinge Wet, de Misjna en de Gemara, halacha en aggada.

De tweeledige Thora

Het is volgens Exodus 20:8-11 verboden om op de sabbat te werken, maar wat wordt er precies onder ‘werken’ verstaan? Deuteronomium 11:18 schrijft het dragen van gebedsriemen voor, maar hoe zien die eruit en waar worden ze van gemaakt? Over deze en andere zaken is de Thora niet altijd even duidelijk. Voor het Jodendom zijn er echter twee Thora’s – en deze twee zijn één. De Joodse traditie leert namelijk dat Mozes op de Horeb niet alleen de Schriftelijke Wet ontving, hij kreeg daarbij ook een uitgebreide toelichting. Dit is het begin van de Mondelinge Wet (Thora she-be’al pe, letterlijk: Thora die door de mond is), een dynamisch geheel aan voorschriften, regelgevingen en uitweidingen over het Joodse leven met de Thora. Zaken waarover de Geschreven Wet onduidelijk is, worden hier bediscussieerd en toegelicht. Deze tradities zijn vervolgens van meester op leerling overgeleverd. Zoals een bekend vers uit de Misjna het verwoordt: “Mozes ontving de Thora van de Sinaï en leverde haar over aan Jozua; Jozua aan de oudsten; de oudsten aan de profeten; en de profeten aan de mannen van de Grote Synagoge” (Pirkei Avot 1:1).

Van mondeling naar schriftelijk

De goddelijke oorsprong van de Mondelinge Wet is een belangrijk geloofsartikel voor het orthodoxe Jodendom. In het wetenschappelijk onderzoek is het echter niet met zekerheid te zeggen waar haar wortels liggen. Archeologische gegevens getuigen er wel van dat een aantal voorschriften die de Talmoed beschrijft al eeuwen ervoor in gebruik waren. Ook in de tijd van de Heere Jezus lezen we over Zijn bekendheid met de verschillende tradities (vgl. bijv. Mark. 7:3; Matt. 15:2; 23:2-3). Over de uiteindelijke opschriftstelling van de Mondelinge Wet weten we meer. Twee grote catastrofen liggen ten grondslag aan haar totstandkoming: de Joodse Oorlog tegen Rome (66 - 70 n.Chr.) en de opstand onder Simon bar-Kochba (132 - 135 n.Chr.). Deze rumoerige periodes eindigden respectievelijk met de vernietiging van de Tempel en Jeruzalem. Een enorme diaspora was het gevolg en geschat wordt dat er tussen 66 en 135 n.Chr. één miljoen Joden het leven lieten. Generaties Thorageleerden en studenten waren dus verdwenen. Met hen zou ook de kennis van de Mondelinge Wet verloren gaan. Het werd daarom een noodzaak om haar op te schrijven en zo begon uiteindelijk het proces van het ordenen en verzamelen. We zien daarbij ook een verschuiving plaatsvinden binnen het Jodendom. De Tempel als religieus centrum en de offerdienst waren verdwenen. Daarom kwam de focus te liggen op de Thorastudie.

De Misjna

Het was rabbi Juda ha-Nasi (ca. 135 - 217 n. Chr) die rond het begin van de derde eeuw n.Chr. de Misjna samenstelde – de eerste geautoriseerde verzameling van de Mondelinge Wet. Dit werk compileert discussies en uitspraken van de belangrijkste rabbijnen en wijzen uit de twee eeuwen ervoor. Zij worden de Tana’iem  (leraren) genoemd en er zijn er ongeveer 120 van bij naam bekend. De Misjna (instructie, herhaling) is geen doorlopend commentaar op de boeken van Mozes, maar systematisch geordend op onderwerpen uit de Wet. Het werk is in het Hebreeuws geschreven en bestaat uit zes hoofddelen genaamd ‘seders’ (orden), die vervolgens elk weer uit verschillende traktaten bestaan. De eerste seder, Zera’iem  (zaden) gaat voornamelijk over landbouwregels in Israël. Seder Mo’eed  (vastgestelde tijd) bespreekt de feestdagen, zoals de sabbat en andere hoogtijdagen. Seder Nezikien  (schades) is een collectie traktaten over civiel- en strafrecht. Seder Nasjiem (vrouwen) gaat over familieaangelegenheden, huwelijk, echtscheiding en verschillen tussen man en vrouw. In seder Kodasjiem  (heilige zaken) worden offers en rituele slacht besproken. De laatste order, seder Taharot  (reinheden), richt zich op de reinheidswetten.

Halacha

Meestal begint een misjna-tekst met een beknopt geformuleerd vraagstuk over de Wet. Het traktaat Berachot  opent bijvoorbeeld met de vraag wanneer ’s avonds het Sjema-gebed mag worden opgezegd. Vervolgens komen beschouwingen van verschillende rabbijnen en rabbijnenscholen aan bod. Dergelijke legalistische teksten die het Joodse leven tot in de details bepalen worden halacha  genoemd. Dit is afgeleid van de wortel halach , wat ‘wandelen’ betekent. Halacha duidt aan dat het de juiste wandel betreft en de Misjna gaat dus voornamelijk over praktische levenszaken. Toch staan de antwoorden van de rabbijnen soms lijnrecht tegenover elkaar en het is lang niet altijd duidelijk welk antwoord nu het beste gevolgd kan worden. Naast halacha vinden we ook niet-legalistisch materiaal, zoals Joodse folklore, spreuken, sagen en legenden. Dit soort teksten noemt men aggada  (overlevering).

Tosefta

De Misjna is overigens niet de enige collectie mondelinge wetten die is opgeschreven. Ongeveer uit dezelfde periode komt de Tosefta  (toevoegingen) – volgens de traditie samengesteld door rabbi Chiyya bar Abba en rabbi Hoshaiah. Deze collectie komt in grote mate overeen met de Misjna, maar bevat ook veel aanvullend materiaal. Uitspraken van rabbijnen die wel zijn opgeschreven, maar niet zijn opgenomen in de Misjna noemen we baraita  (erbuiten). Daarnaast kennen we ook de verschillende midrasjiem ; exegetische commentaren op specifieke Tenach-passages. Ook dit behoort in principe tot de Mondelinge Wet.

De Talmoed

Het gebruik van het woord Talmoed , dat ‘instructie’ of ‘leer’ betekent, is enigszins verwarrend. In enge zin verwijst Talmoed naar de Gemara , de rabbijnse literatuur die is ontstaan als commentaar op de Misjna. In het dagelijks taalgebruik verwijst het woord echter naar het geheel van misjna en gemara-teksten en alle andere componenten die in een gedrukte Talmoed te vinden zijn. In de eeuwen na het redactiewerk van Juda ha-Nasi werd de Misjna intensief bestudeerd en een bron voor levendige discussie. Deze discussies zijn opgetekend en verzameld in de Gemara. Dit gebeurde in twee verschillende gebieden, namelijk Babylon en Palestina. Er zijn dus twee Talmoediem: De Jeroesjalmi , die ook wel de Palestijnse Talmoed of Talmoed de-Eretz-Israel wordt genoemd, en de Bavli , de Babylonische Talmoed. De Joodse geleerden wiens discussies in de Talmoediem verzameld zijn, heten de Amora’iem  (uitleggers, interpretators). De Jeroesjalmi is het product van de rabbijnenscholen in en rondom Galilea. De naam Jeroesjalmi, die natuurlijk naar Jeruzalem verwijst, is dus eigenlijk een misnoemer. Het is geschreven in het Aramees en de eindredactie vond plaats tussen de laat vierde en het begin van de vijfde eeuw na Christus.

De Bavli

Wanneer er echter over dé  Talmoed wordt gesproken dan gaat het altijd over de Bavli. De Babylonische Talmoed is namelijk verreweg de meest bestudeerde en gezaghebbende van de twee. Er zijn altijd Joden in het gebied van Babylon gebleven na de ballingschap (586 v.Chr.) en er was daar zelfs tot in de elfde eeuw een sterke Joodse gemeenschap. Babylon (het huidige Irak) was dus eeuwenlang het centrum van Joodse geleerdheid. In de drie eeuwen na de formatie van de Misjna worden er acht generaties aan Amora’iem geteld die verantwoordelijk zijn geweest voor de Babylonische Gemara. De eindredactie werd begonnen door Rabbi Ashi (overleden in 427 n.Chr.) en uiteindelijk afgemaakt door Rabbi Ravina bar Rav Huna (overleden in 499 n.Chr.). Er zijn aanwijzingen dat de Bavli daarna nog een redactieproces onderging onder de zogeheten Savora’iem , de rabbijnse opvolgers van de Amora’iem. Ook de Bavli is in het Aramees geschreven, hetzij in een ander dialect.

Dialectiek

De Gemara kent precies dezelfde opbouw als de Misjna. Dit uiteraard omdat het een commentaar op eerdergenoemde is. Waar de Misjna de zaken echter beknopt weergeeft, is de Gemara uitgebreider en vaak dialectisch van aard. Via discussies, tegenstellingen, en vraag-enantwoord proberen de Joodse geleerden de Misjna tot in de puntjes te analyseren. Dit is een methode van theologiseren die we over het algemeen niet gewend zijn in het moderne christendom1 . De gemara op het hierboven al genoemde Barachot traktaat bespreekt bijvoorbeeld eerst waarom de Misjna begint met het avondgebed en niet het ochtendgebed. Het antwoord is volgens de Amora’iem natuurlijk omdat de Heere in Deuteronomium 6:7 gebiedt dat de geboden ingeprent moeten worden “als u neerligt en als u opstaat”. Eerst de avond, dan de ochtend. Verder wordt elke zin uit de Misjna uitgeplozen en wordt er ingegaan op alle mogelijke situaties die kunnen voorkomen bij het opzeggen van het avondgebed. Een teksteenheid die een dergelijke Misjna-passage analyseert, noemen we een sugya  (cursus, les). Deze sugyot  (meervoud) zijn de literaire bouwstenen van de Gemara. De Bavli gebruikt dikwijls materiaal uit de Tosefta en andere baraita in haar discussies en heeft ook veel aggadisch materiaal – ongeveer een derde van de totale tekst. In tegenstelling tot de Misjna, waar het toch vooral over aardse zaken gaat, bevat de Bavli ook esoterische teksten en metafysische speculaties. Ook hier geldt dat de Amora’iem in hun discussies maar zelden tot een definitieve conclusie komen.

Niet compleet

Zowel de Bavli als de Jeroesjalmi hebben niet alle traktaten uit de Misjna van commentaar voorzien. Met uitzondering van het traktaat Berachot is er geen Babylonische gemara voor seder Zera’iem, terwijl de Jeroesjalmi deze wel bespreekt. Andersom behandelt de Bavli wel het grootste gedeelte van seder Kodasjiem, terwijl deze in Talmoed Jeroesjalmi ontbreekt. Voor beide Talmoediem ontbreekt de gemara voor seder Toharot, behalve bij het traktaat Nidda, dat over rituele onreinheid bij vrouwen gaat. Shekaliem, het traktaat over de tempelbelasting uit seder Mo’eed, ontbreekt in de Bavli, maar in de gedrukte Talmoed wordt altijd de tekst uit de Jeroesjalmi gebruikt. Het vraagstuk waarom de Talmoediem niet volledig zijn, is er één die de gemoederen van de geleerden al eeuwen bezighoudt. Het is op zijn minst mogelijk dat er delen verloren zijn gegaan.

Een werk, vele boeken

Wanneer we dus over de Talmoed spreken, hebben we het in de eerste plaats over de kerntekst van de Misjna samen met het gemara-commentaar. Daarnaast bevat het ook een vijftiental kleine traktaten (de masechtot ketanot ) waarvoor geen formele orde bestaat. Zij staan meestal aan het einde van seder Nezikien. In een gedrukte Talmoed vindt men echter nog veel meer teksten. We geven een beknopt overzicht van een Talmoedpagina (zie afbeelding volgende pagina): In het centrum staan de Misjna [1] en de Gemara [2]. Daaromheen staat aan één zijde het commentaar van Rabbi Sjlomo Jitschak (1040 – 1065 n.Chr.), beter bekend onder zijn acroniem Rasji [3]. Zijn werk is er voornamelijk op gericht om Talmoedstudenten te helpen de eenvoudige betekenis van de tekst te vinden. Vanaf de uitvinding van de boekdrukkunst (1450 n.Chr.) wordt zijn commentaar in elke Talmoed afgedrukt. Aan de andere zijde staan de Tosafot  [4], aanvullingen uit vermaarde middeleeuwse commentaren – voornamelijk uit Duitsland, Frankrijk en Spanje. In de Tosafot gaat het niet om de eenvoudige betekenis, maar juist om moeilijke passages, mogelijke contradicties en tekstuele problemen. In de bovenhoek staat de Mesoret ha’Shas  [5], een index met kruisverwijzingen naar andere pagina’s uit de Talmoed waar identieke onderwerpen aan bod komen. In de andere bovenhoek vinden we Ein mishpat - ner mitzvah  [6]. Deze index verwijst naar belangrijke Joodse wetboeken, zoals de Misjne Toreh van Maimonides (twaalfde eeuw) en de Sjoelchan Aroech van Jozef Karo (zestiende eeuw). De Thora Or  [7] is een index met verwijzingen naar de Bijbelteksten die in de Talmoed worden genoemd. Daarnaast bevindt zich een glossarium [8] met tekstuele opmerkingen. Als laatste vinden we nog verwijzingen naar andere belangrijke Talmoedcommentaren [9] zoals die van de rabbi Chananel ben Chushiel (Tunesië, elfde eeuw n.Chr.) en een commentaar dat louter bestaat uit notities van de studenten van grootmeester Gershom ben Judah (Duitsland, elfde eeuw). Een complete Talmoed kent dus vele duizenden pagina’s en kan met recht een bibliotheek worden genoemd.

De Joodse canon

Wanneer orthodoxe Joden het over ‘Thora’ hebben, wordt daarbij het geheel van de Geschreven en Mondelinge Wet bedoeld. De Joodse ‘canon’ is dus veel groter dan alleen de Tenach. Qua statuut staat de Geschreven Thora en de rest van de Heilige Schrift wel in hoger aanzien dan de Mondelinge Wet – bij Mozes ligt immers de hoogste autoriteit. De Tana’iem hebben meer gezag dan Amora’iem, die op hun beurt weer meer gezag hebben dan de geleerden die na hen kwamen, etc. In de praktijk is het vaak de Mondelinge Wet die verantwoordelijk is voor de interpretatie van de Tenach. Alles wat bijvoorbeeld betrekking heeft op de Messias wordt mede door de bril van de Talmoed gelezen. Christenen die met Joden in discussie gaan over dit onderwerp willen dit nog weleens vergeten. Zoals we gezien hebben zit deze Joodse canon uiterst complex in elkaar en wie zich erin wil verdiepen, zal veel tijd en energie nodig hebben om er grip op te krijgen. Het zijn echter juist deze geschriften die het leven van miljoenen Joden op de wereld richting geven.

1. Hoewel het christendom er zeker niet vreemd van is, bijvoorbeeld in de middeleeuwse en Gereformeerde scholastiek, waar dialectisch denken een centrale rol inneemt.

Sluiten