De Tempel van Ezechiël

Profetisch Woord Tekst, Hans van de Lagemaat

Vanaf de regering van koning Salomo vormde de tempel in Jeruzalem het hart van Israëls godsdienstige leven. Dat was de plaats die de Heere had verkoren om te wonen. Driemaal per jaar trok het volk op om er de grote feesten te vieren. Deze tempel vormde zozeer het hart van het volk dat Jerobeam, na de scheuring van het rijk onder Salomo’s zoon Rehabeam, twee plaatsen aanwees waar de tien stammen van zijn rijk God konden aanbidden. In Dan en Bethel ontwierp hij met succes een schijngodsdienst in de vorm van twee kalveren en een nieuwe priesterdienst. Zo probeerde hij zijn onderdanen ervan te weerhouden om de gang naar Jeruzalem te maken. De tempel bleef nog lange tijd bestaan. Maar toch was dit niet het gebouw waar God permanent zou verblijven, want onder de invasie van de Chaldeeën werd de tempel verwoest.

De Tempel van Salomo in Ezechiël

Ezechiël profeteerde tijdens de ballingschap in Babel. In de eerste periode van zijn bediening bestond de tempel nog. Een groot gedeelte van zijn profetieën gingen over de verwoesting van het land, de ballingschap en de verstrooiing van het volk Israël. De oorzaak van deze strafgerichten waren de overtredingen van het verbond en de afgoderij. Regelmatig werd het volk verleid om de goden van de omringende volkeren te aanbidden en de enige ware God te verlaten. Het dieptepunt lezen we in hoofdstuk 8, waar Ezechiël in de geest naar Jeruzalem wordt geleid om alle gruwelen te aanschouwen. Uiterlijk was Israëls godsdienst misschien nog in stand gehouden, maar het hart ervan was compleet verdorven. Ten noorden van de poort van het altaar ziet hij in de ingang een afgodsbeeld van na-ijver staan (vs. 4,5). Door een gat in de wand ziet hij “alle vormen van kruipende dieren, afschuwelijke dieren en alle stinkgoden van het huis van Israël, helemaal in het rond in de muur gegrift” (vs. 10). Het binnenste van de tempel had eerder het aanschijn van een Egyptisch ‘heiligdom’ gekregen dan dat het de woonplaats van de Allerhoogste kon zijn. Dat was nog niet alles. Ezechiël moet vol afgrijzen zijn geweest toen hij aan de noorderpoort vrouwen de Tammuz zag bewenen (vs. 14) en ongeveer vijfentwintig mannen die tussen het altaar en de voorhal met hun rug naar de tempel en hun gezicht naar het oosten voor de zon geknield lagen (vs. 16). Kon het nog erger? Niet alleen het land was met geweld vervuld, ook Gods eigen huis was met allerlei gruwelen en afgoderij vervuld. De oudsten van Israël meenden dit alles ongezien te kunnen doen. Zij dachten dat de HEERE het land toch al had verlaten (vs. 12).

De heerlijkheid van de HEEREN verlaat het land

De gevolgen konden niet uitblijven. “Daarop zei Hij tegen mij: Mensenkind, ziet u wat zij doen? Grote gruweldaden, die het huis van Israël hier doet, zodat Ik ver wegga van Mijn heiligdom” (vs. 6). Dit vers suggereert dat al deze gruweldaden doelbewust werden uitgevoerd: opdat de HEERE ver van Zijn heiligdom zou weggaan. Welnu, dat werd bereikt. “Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan” (10:18). “Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag” (11:23). Ooit was het volk vol eerbied en aanbidding na het gebed van Salomo bij de inwijding van de tempel neergeknield, waarna het huis met de heerlijkheid van de HEERE werd vervuld (2 Kron. 7:2, 3). Nu ze niet meer voor Hem, maar voor de zon knielen, zien we hoe Hij als gevolg daarvan Zijn huis verlaat.

De nieuwe Tempel; de profetie

Een somber vooruitzicht als hier de profetieën van Ezechiël waren geëindigd. Echter, bij de komst van de heerlijkheid van de HEERE in de tempel had het volk God aanbeden met woorden, waarvan zij zelf de reikwijdte niet konden doorgronden. Zij “bogen zich neer en loofden de HEERE dat Hij goed is, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig ” (2 Kron. 7:3). In tegenstelling tot Gods goedertierenheid is zijn straf en oordeel over Zijn volk niet voor eeuwig. Ezechiël krijgt opnieuw gezichten. En hoe wonderlijk zijn deze! “In visioenen van God bracht Hij mij naar het land van Israël. Hij zette mij op een zeer hoge berg, met daarop aan de zuidzijde iets als het bouwsel van een stad. Hij bracht mij erheen, en zie, een Man. Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van koper en in Zijn hand was een linnen koord en een meetlat. En Hij stond in de poort. Toen sprak die Man tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen, luister met uw oren, en neem alles wat Ik u zal laten zien, ter harte. U bent namelijk hierheen gebracht, opdat Ik u dit zou laten zien. Maak alles wat u ziet, aan het huis van Israël bekend” (Ezech. 40:2-4). In de navolgende hoofdstukken (40-42) volgt een minutieuze beschrijving van het heiligdom. Zo nauwkeurig dat er in de loop van de tijd verschillende schaalmodellen van zijn gemaakt. Geen van deze modellen is in detail gelijk, maar ze vertonen onderling een treffende overeenkomst.

De nieuwe Tempel; de plaats

Net zoals Ezechiël in de geest naar de tempel van Jeruzalem werd geleid, zo werd hij nu in visioenen naar het land Israël geleid. Dat dit in visioenen gebeurde, doet aan de werkelijkheid niets af. De profeet werd daar op een zeer hoge berg gesteld. Welke geografische veranderingen in het land nog precies zullen plaatsvinden, is voor ons verborgen. Duidelijk is wel dat er in de toekomst een hoge berg zal zijn. Ook Jesaja profeteerde over de nieuwe tempel: “Het zal in het laatste der dagen geschieden dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen” (Jes. 2:2).

De Cherubs

God heeft Zichzelf bekend gemaakt als de HEERE van de legermachten Die te midden van de cherubs troont (1 Sam. 4:4; 2 Sam. 6:2; 1 Kron. 13:6; 2 Kon. 19:15; Ps. 80:2; Ps. 99:1). De cherubs waren afgebeeld op de klederen van de tabernakel, op de wanden en de deuren van de tempel. Er stonden ook twee cherubs van blinkend goud boven het verzoendeksel. In de toekomstige tempel zullen er opnieuw afbeeldingen van cherubs zijn. “Er waren cherubs en dadelpalmen gemaakt, één dadelpalm tussen twee cherubs. Een cherub had twee gezichten, namelijk een mensengezicht naar de dadelpalm aan de ene kant en de kop van een jonge leeuw naar de dadelpalm aan de andere kant, helemaal rondom in heel het huis gemaakt. De cherubs en de dadelpalmen waren vanaf de grond tot boven de ingang gemaakt, en op de muur van de tempel ... En daaraan, aan de tempeldeuren, waren cherubs en dadelpalmen gemaakt, zoals er op de muren gemaakt waren” (Ezech. 41:18-25). De tabernakel en de tempels zijn beelden van een grotere werkelijkheid, een werkelijkheid die Ezechiël vergund was te zien (Ezech. 1:10): God woont tussen de cherubs.

De heerlijkheid van de HEERE

De heerlijkheid van de HEERE had ooit Gods eerste woonplaats onder Israël, de tabernakel, vervuld (Exod. 40:34). Dat was zodanig, dat zelfs Mozes niet binnen kon gaan. De heerlijkheid van de HEERE had ook de tempel van Salomo vervuld (1 Kon. 8:10), waardoor de priesters niet langer in de tempel konden blijven (vs. 11). En bij de tempel van Ezechiël zien we hetzelfde; de terugkeer van de heerlijkheid van de HEERE. “En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag” (Ezech. 43:4). Opnieuw wordt Ezechiël door de Geest opgenomen naar het binnenste voorhof. Nu echter ziet hij geen gruwelen, geen vrouwen die de Tammuz bewenen of oudsten die de zon aanbidden. Nee, we lezen: “ZIE, de heerlijkheid van de HEERE had het huis vervuld” (Ezech. 43:5). En ook Ezechiël kon niet blijven staan in de aanwezigheid van zo’n gezicht. “Vervolgens bracht Hij mij via de noorderpoort tot vóór het huis. Ik zag, en zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld. Toen wierp ik mij met het gezicht ter aarde” (Ezech. 44:4).

De nieuwe Tempel; de prediking

Ezechiël kreeg dit alles niet voor niets te zien. Alles wat hij zag, moest hij ter harte nemen. Vervolgens moest hij dit aan het huis van Israël gaan vertellen. De beschrijving van dit huis hield een boodschap in. Het doel van de beschrijving van deze tempel en alles wat ermee samenhing, lezen we in vers 10 en 11 van hoofdstuk 43: “zodat zij zich schamen vanwege hun ongerechtigheden”. Deze tempel wijst op Israëls herstel. Als de HEERE Zijn volk uit de volkeren vergadert en hen weer in het land brengt, als Hij hun overvloed geeft en hun verlost van al hun onreinheden (Ezech. 36:24,28,29,30), dan zal Israël denken aan al wat zij tegenover zo veel goedheid hebben misdreven. En het schaamrood zal hen op de kaken staan (vs. 32). Dit is het wonder van de prediking van de nieuwe tempel. God wil weer in het midden van Zijn volk wonen. Moedwillig hebben zij Zijn verbond overtreden. Gruwelijk hebben zij Zijn huis verontreinigd. Overspelig zijn zij de goden van andere volkeren nagewandeld. Overweldigend staat hier tegenover de prediking van de nieuwe tempel. Van deze plaats zegt Hij: “dit is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, waar Ik voor eeuwig wonen zal onder de Israëlieten” (Ezech. 43:7). En daarom wordt de naam van die stad genoemd: ‘De HEERE IS ALDAAR’. Zoals we de heerlijkheid van de HEERE de tempel zagen verlaten vanwege de gruwelen die er werden bedreven, zo zien we hier de heerlijkheid van de HEERE terugkeren om weer Zijn intrek te nemen onder Zijn volk. Als we belijden dat Christus Jezus in ons hart is komen wonen en ons lichaam een tempel van de Heilige Geest is geworden, als we zoveel van Gods goedheid en liefde hebben leren kennen, allermeest in de gave van Zijn Zoon, moet het schaamrood ons dan ook niet net als bij Israël op de kaken staan? Al is het alleen al vanwege de gruwelen die ons hart soms nog weet te herbergen en de goddeloze gedachten die er door ons hoofd kunnen spoken. Daar valt in eigen kracht helemaal niets tegen te beginnen. We moeten ons door Gods Geest laten leiden in Gods heiligdom en daar de heerlijkheid van de Heere aanschouwen. “Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt” (2 Kor. 3:18). 

De heerlijkheid van de toekomstige tempel zal groot zijn. Die heerlijkheid ontleent ze in de eerste plaats aan de aanwezigheid van de Heere Zelf. “En Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid” (Ezech. 43:9, SV). Het complex zal een grote omvang hebben. Een muur zal een vierkant insluiten met een lengte van 500 meetrieten (latten, HSV). Dat komt ongeveer overeen met 1,6 km.1  Precies in het midden van de buitenste voorhof staat een groot brandofferaltaar. Net als bij de tabernakel en de tempel is het onmogelijk om het eigenlijke heiligdom binnen te gaan zonder dit te passeren en daar de priesters bezig te zien met hun offerdienst. Het tempelgebouw zelf is net als de tabernakel en de tempel van Salomo verdeeld in het heilige en het heilige der heilige. Maar iets wat noch de tabernakel, noch de eerdere tempels hadden was een stroom van levend water. Vanuit het binnenste van de tempel vloeit er een steeds sterker wordende stroom water naar het oosten. Deze zich in twee beken splitsende stroom is een bron van leven (Ezech. 47:9). De begroeiing aan haar oevers zal hoogst wonderlijk zijn. Allerlei bomen met eetbare vruchten sieren de omgeving. Het zullen altijd groene bomen zijn die voortdurend vruchten zullen geven, met verder als bijzonderheid: “De vrucht ervan zal tot voedsel dienen en het blad ervan tot genezing”.

1.Van het huidige tempelplein, rondom de Gouden Koepel, wordt gezegd dat het de overblijfselen zijn van de pogingen van Bar Kochba (in 165 na Chr.) om de tempel te herbouwen.

Sluiten