De brief van Jeremia aan de ballingen (Jeremia 29)

Profetisch Woord | Oud Testament Tekst, Ton Stier

In de tijd van Jeremia waren er veel valse profeten die Gods oordeel over Israël verzwegen en het volk deden geloven dat er geen bekering nodig was. Vandaag zijn er veel christenen die wel spreken over Gods beloften van herstel, maar zwijgen over de moeilijke tijd die het volk te wachten staat en de voorwaarde van bekering die aan dit herstel voorafgaat.

Zelfvertrouwen of Godsvertrouwen

Jeremia is niet een profeet die blaakt van zelfvertrouwen en dat is maar goed ook. Voor een dienstknecht van God gaat het immers niet om zelfvertrouwen, maar om Godsvertrouwen. Dat onderscheid wordt de profeet snel duidelijk. De Heere leert hem om niet op zijn eigen ‘charisma’ te vertrouwen, maar op de toerusting die hij voor het profetenambt ontvangt. De naam Jeremia betekent: ‘door de Heere aangesteld’. Hoe toepasselijk deze naam is, blijkt uit de eerste woorden die de Heere tot hem sprak: “Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u de volken tot een profeet gesteld” (Jer. 1:5). Op zijn tegenstribbeling “Ach, Heere HEERE! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong”, antwoordt de Heere: “Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarheen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken”. En dan volgen geweldige bemoedigingen: “Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden (…) Ik geef Mijn woorden in uw mond”. Troostrijke woorden die de profeet zeker nodig had gezien de vele valse profeten die hem omringden.

Valse profeten toen

Jeremia moest het volk en zijn leiders voorbereiden op ballingschap, als gevolg van haar zonde. Maar de profeet klaagt: “Ach, Heere HEERE! zie, die profeten zeggen hun: Gij zult geen zwaard zien, en gij zult geen honger hebben; maar Ik zal u een gewisse vrede geven in deze plaats” (Jer. 14:13). Toen de ballingschap eenmaal een feit was en dus de betrouwbaarheid van Jeremia’s profetie was bewezen, kwam er opnieuw tegenstand. Terwijl Jeremia profeteerde dat de ballingschap zeventig jaar zou duren omdat Israël zeventig keer het land de sabbatsrust had onthouden (zie 2 Kron. 36:21), kwam de leugenachtige profeet Chananja met de ‘opbeurende’ boodschap dat de ballingschap slechts twee jaar duren zou. “Zo spreekt de HEERE der heerscharen, de God Israëls, zeggende: Ik heb het juk van de koning van Babel verbroken. In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats terugbrengen al de vaten van het huis des HEEREN, die Nebukadnézar, de koning van Babel, uit deze plaats weggenomen en naar Babel gebracht heeft. Ook zal Ik Jechónia, de zoon van Jójakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats terugbrengen, spreekt de HEERE; want Ik zal het juk van de koning van Babel verbreken.”

Valse profeten nu

Wat een opmerkelijke overeenkomsten met onze tijd, waarin tal van christenen zich inzetten voor de terugkeer van het volk naar het land en hen daartoe aanmoedigen met beloften van herstel, maar de profetieën over de enorme crises die land en volk nog zullen treffen, verzwijgen. Wel spreken over het moment dat Jeruzalem zal worden tot een ‘lof op aarde’ (Jes. 62:7), maar zwijgen over de tijd dat Jeruzalem nog geestelijk ‘Sodom en Egypte’ wordt genoemd (Openb. 11:8); zich euforisch uitlaten over ‘bloeiende woestijnen’ en verzwijgen dat het land nog verwoest zal worden (Jer. 30:18); dromen van vrede, terwijl tweederde van het volk nog in het land zal omkomen (Zach. 13:8). ‘Beleefdheidshalve’ in het ongewisse laten wie de ware Messias is, omdat “je met Joden maar beter niet over Jezus kunt praten”, wetende dat straks velen in de armen van de valse messias zullen lopen.
Zelfs de uitdrukkelijke waarschuwing van de Heiland tot Zijn volksgenoten dat Hij de Weg, de Waarheid en het Leven is en niemand tot de Vader komt dat door Hem, wordt door een groeiend aantal ‘gelovigen’ in twijfel getrokken. En zo is deze populaire tweewegenleer, eigenlijk een eigentijdse parodie op de eeuwenoude vervangingsleer, waarbij de heidenen via de Joodse Messias en de Joden langs hun ‘eigen’ weg maar bij het ‘heil’ moeten zien uit te komen.

Gedachten van vrede

Toch is Jeremia’s hart niet verbitterd. Vervuld van Gods liefde schrijft hij zijn brief aan de ballingen in Babel, waarvan de kernboodschap luidt: “Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des Heren, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven” (Jer. 29:11, NBG).
Toch moet vers 7 van Jeremia’s brief velen wel vreemd in de oren hebben geklonken: “En zoekt de vrede van de stad, waarheen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot de HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben (vers 7). Jeruzalem (= fundament van vrede) was toch de stad waar de Heere Zijn vrede had beloofd? Maar merk op hoe de Heere Babel typeert als de stad “waarheen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren”. Het volk was niet ten prooi gevallen aan de willekeurige veroveringszucht van Babel. Babel was een werktuig in Gods handen, om het volk tot inkeer te brengen, “want”, zo schrijft de apostel aan zijn broeders Hebreeën, “wie Hij liefheeft, tuchtigt de Heere, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt”.
Wie zijn zoon tuchtigt, tuchtigt in feite zichzelf. Gods tuchtiging heeft dan ook niet ten doel om Zijn volk van Zich te verwijderen, maar juist om het, zoals de tekst zegt, aan te nemen.
Babel was Gods dienaar, om tijdelijk (!) over de aarde te regeren, zoals blijkt uit Daniëls uitleg van Nebukadnezars droom over het statenbeeld: “Gij, o koning! zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven” (Dan. 2:37). Het volk moest zich dus aan Gods raadsbesluit onderwerpen en de vrede zoeken van die stad, waarheen de Heere hen in ballingschap had laten wegvoeren. Maar er was een ‘totdat’, namelijk totdat de zeventig jaar voorbij zouden zijn.

Waarom 70 jaar?

Directe aanleiding voor de ballingschap was dat Israël Gods opdracht voor het sabbatsjaar, waarop het land onbewerkt moest blijven liggen, niet had gehoorzaamd (2 Kron. 36:21). Er waren voor het land 70 sabbatsjaren in te halen. Dat betekent dat gedurende een periode van 490 jaar (70x7) Gods gebod van sabbatsrust was overtreden.

Bekering en herstel

Als we de brief nu zorgvuldig verder lezen, blijkt Jeremia’s boodschap zich echter niet tot de ballingschap in Babel te beperken. In vers 12 schrijft de profeet: “Dan zult gij Mij aanroepen, en heengaan en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen”.
We lezen nergens in de Schrift dat het volk zich heeft verootmoedigd.
Sterker nog, slechts een klein overblijfsel keerde terug naar het land, de anderen vonden het wel prima in Babel. De reden dat de ballingschap werd opgeheven was omdat de 70 jaar voorbij waren, maar niet omdat het volk de Heere had aangeroepen. Dat moet dus in de toekomst nog plaatsvinden, zoals ook Mozes als voorwaarde voor de terugkeer had aangekondigd. (Zie Deut. 30:1-6)
De voorwaarde van bekering blijkt ook verder uit vers 13 en 14: “En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart. En Ik zal van u gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarheen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u terugbrengen tot de plaats van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren”.
Deze belofte strekt zich dus uit naar een toekomstige terugkeer uit alle volken en uit alle plaatsen, waarheen de Heere (!) hen verdreven heeft. De Bijbelse volgorde is namelijk eerst terugkeer naar de God van Israël en dan de terugkeer naar het land van Israël. Hoewel de huidige terugkeer van Israël een belangrijk teken des tijds is en door de Schrift is voorzegd, is het nog niet de vervulling van hetgeen God heeft beloofd met betrekking tot het toekomstig herstel. Die belofte zal pas na Christus’ wederkomst in vervulling gaan (Zie o.a. Zach. 14).

70 jaarweken

Over die beloofde terugkeer ontvangt Daniël in hoofdstuk 9 van zijn boek een prachtig vergezicht, nadat hij eerst in de boekrol van Jeremia had ontdekt dat de verwoesting van Jeruzalem zeventig jaren zou duren. De engel Gabriël onderwijst hem aangaande de 70x7 jaar, waarin God Zijn complete plan met heel Israël in het einde der tijden zal voltooien. Gabriël is dezelfde engel die zo’n 550 jaar later tot Maria zou zeggen: “En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam noemen JEZUS. Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn”(Luk. 1:31-33). Niemand anders dan de Heere Jezus, de Zoon des Allerhoogste, zal de Koning op de troon van David zijn. Dan zal Israël ware vrede hebben. Laten we die boodschap nooit verzwijgen!

Sluiten