De dienst van Ezra als voorbeeld

Bijbelse personen | Oud Testament Tekst, Piet van der Lugt

In de geschiedenis van Israël zijn twee belangrijke momenten ten aanzien van de wetgeving te onderscheiden. De eerste keer via Mozes en de tweede keer, ongeveer 1000 jaar later, via Ezra. Beide momenten hadden grote consequenties voor het doen en laten van het volk. We zullen nagaan wie Ezra was, welke gevolgen zijn optreden had voor het volk en hoe zijn dienst ons tot voorbeeld kan zijn.

Einde van de dienstbaarheid

Als we het boek Ezra openslaan, vinden we in het eerste hoofdstuk een bijzondere gebeurtenis beschreven. De heidense koning Kores laat in het hele Perzische rijk in woord en geschrift een bevel uitgaan aan het Joodse volk om in Jeruzalem een huis voor God te bouwen. Het frappante is dat ongeveer 150 jaar tevoren die koning al door Jesaja was aangekondigd, alsmede de opdracht die hij zou geven tot de herbouw van Jeruzalem en de tempel (Jes. 44:28; 45:1-5 en 13).
Hier zien we de grootheid en macht van de God van Israël Die Zijn plan volvoert zelfs door middel van mensen die Hem niet kennen.
Als Kores aan de macht komt en het Babylonische rijk overwint, dan ontmoet hij in Babel ook de profeet Daniël. Ik geloof dat deze grote invloed gehad moet hebben op Kores en dat de koning daardoor zo gehandeld heeft als we in Ezra beschreven vinden. Kores’ besluit was in overeenstemming met wat de HEERE door Jeremia had aangekondigd, namelijk dat de dienstbaarheid niet langer dan 70 jaar zou duren. “En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken (Israël en de omliggende volken) zullen de koning van Babel dienen zeventig jaren” (Jer. 25:11).
Die periode van 70 jaar dienstbaarheid was begonnen in 606 v. Chr. toen o.a. Daniël en zijn vrienden werden weggevoerd en eindigde in 536 v. Chr., zoals beschreven in Ezra 1.

Dienstbaarheid en ballingschap

De woorden ‘dienstbaarheid’ en ‘ballingschap’ zijn in het Hebreeuws verschillende woorden. Ballingschap betekent letterlijk gevangenschap/gevangenis. In Ezra en ook op andere plaatsen worden de Joden in Babel als ballingen/gevangenen omschreven. De eerste keer dat het woord gevangenis voorkomt, is in Deuteronomium 28:41 waar het een gevolg van Israëls ongehoorzaamheid blijkt te zijn.
In Deuteronomium 30:3 lezen we dat de HEERE een einde zal maken aan de gevangenschap, als het volk zich tot Hem zal bekeren en Zijn stem met hart en ziel zal gehoorzamen. Op die voorwaarde zal Hij ze weer vergaderen uit alle volken waarheen Hij ze verstrooid heeft (Assyrië, Babylonië en vele andere landen). We lezen in Psalm 85 een profetische vooruitblik op die heerlijke toekomst: “Gij zijt Uw land gunstig geweest, HEERE! De gevangenis van Jakob hebt Gij gewend. De misdaad van Uw volk hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid van Uw toorn. Breng ons terug, o God van ons heil!” (vs. 2-5a).
Deze tekst spreekt over het einde van de ballingschap die nu nog in de toekomst ligt. In Ezra daarentegen vinden we niet het einde van de ballingschap, maar het einde van de dienstbaarheid, nl. de periode van 70 jaar waarin de volken de koning van Babel als knechten zouden dienen.

Noodzaak voor terugkeer

De noodzaak voor de terugkeer ten tijde van Ezra was misschien vooral om de profetieën aangaande de Messias in vervulling te kunnen laten gaan. Hij moest immers geboren worden in Bethlehem, opgroeien in Nazareth en sterven te Jeruzalem. Om die reden moest een deel van het volk en in het bijzonder van de stam Juda terugkeren naar het land der vaderen. Die terugkeer vinden we in het bijzonder beschreven in Ezra en voor een deel ook in Nehemia.

Ezra als persoon

Het is frappant om te zien dat Ezra zelf pas in de tweede helft van het boek op het toneel verschijnt. Dat is ongeveer 80 jaar na de gebeurtenissen die we in hoofdstuk 1 beschreven vinden. Hij is de tweede hoofdpersoon in het boek. De eerste is Zerubbabel, een nakomeling van David, die recht had op de troon (Matt. 1:12, 13). Zerubbabel wordt echter geen koning maar stadhouder over de teruggekeerde Joden.
De hoofdstukken 1 tot en met 6 vertellen ons hoe Zerubbabel zich bezighoudt met de herbouw van de tempel. Pas vanaf hoofdstuk 7 lezen we over Ezra.
Uit zijn geslachtsregister blijkt dat Ezra via Pinehas een nakomeling is van Aäron en dus priester is (7:1-5). Verder lezen we van hem: “Hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de HEERE, de God Israëls, gegeven heeft” (7:6). Dat betekent dat Ezra de Tora zeer goed kende. Toch is het Ezra niet alleen om kennis te doen, zoals bij veel schriftgeleerden in de tijd van de Heere Jezus en sommige theologen in onze tijd, maar om de betrokkenheid van het hart. We lezen in vers 10: “Ezra had zijn hart gericht om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in Israël te leren de inzettingen en de rechten”.
Zijn hart (en hopelijk ook het onze) is gericht op het Woord van God om dat te onderzoeken (te raadplegen) en te doen (in praktijk te brengen). Op basis daarvan wil hij dat Woord graag onderwijzen in Israël.
Hij is dus niet alleen priester van geboorte, maar heeft ook een priesterlijk hart, waardoor hij anderen wil laten delen in de rijkdom van de Tora, waarin ook het begrip ‘onderwijzing’ ligt opgesloten.

Ezra’s naam betekent ‘hulp’. Heel toepasselijk, want hij wil anderen helpen om Gods Woord te verstaan en in praktijk te brengen. Het is een belangrijk principe dat je een ander slechts kunt helpen naar de mate waarin je zelf geestelijk bent gegroeid. Ezra’s geestelijk leven is dermate ontwikkeld dat hij het volk tot grote zegen kan zijn.
Het Hebreeuwse woord ‘dabar’ betekent zowel ‘woord’ als ‘daad’. Beide zien we in harmonie in Ezra’s bediening. En zo moet het ook zijn in het leven van Gods kinderen van vandaag.

De opdracht van de koning

Ezra krijgt van de Perzische koning de volgende opdrachten:

  • Om in Judea en Jeruzalem Gods wet te onderzoeken;
  • Transport van het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren en anderen vrijwillig hadden gegeven aan de God van Israël;
  • Van dat geld runderen, rammen en lammeren te kopen en deze als offers te brengen “op het altaar van het huis van uw God, dat te Jeruzalem is”;
  • Gods wetten bekend maken aan allen die ze niet kennen (vs. 25);
  • Het huis des HEEREN versieren (7:27);

Door de bediening van Ezra krijgt de tempel dat extra accent waardoor de HEERE geëerd wordt. En zo bestaat zijn bediening dus enerzijds uit het brengen van offers en anderzijds uit het terugbrengen van het Woord aan het volk nadat het Woord zolang en ver op de achtergrond was geraakt.

Ezra’s vertrouwen

Tijdens zijn reis vertrouwt Ezra volledig op de HEERE, Zijn God. Dat blijkt o.a. uit het feit dat hij de koning niet om een militair escorte vraagt. Hij had immers tegen de koning gezegd: “De hand van onze God is ten goede over allen, die Hem zoeken” (8:22).In plaats van hulp van de koning zoekt hij hulp bij de HEERE door verootmoediging in vasten en gebed. En dat vertrouwen wordt niet beschaamd. Ezra getuigt later: “En de hand van onze God was over ons en redde ons van de hand van de vijand, en van hun die ons lagen legde op de weg” (8:31). Hierin ligt ook voor ons een les. Als wij anderen tot hulp willen zijn, kan dat alleen als wij onze hulp van de HEERE verwachten en in volledige afhankelijkheid aan Hem willen leven. Dat betekent niet dat er geen vijandelijke aanvallen zullen zijn, maar dat we mogen weten dat de hand van onze God sterker is dan wie ook. Hij zal ons veilig op onze bestemming brengen.

De vraag naar het Woord

De bediening van Ezra met betrekking tot het Woord zien we het duidelijkst in Nehemia 8 tot uitdrukking komen.1 Ezra is dan al ongeveer 15 jaar in Jeruzalem. Het hele volk heeft zich daar voor de zevende maand verzameld en vraagt Ezra om het boek van de wet van Mozes te halen. We zien hier de wonderlijke werking van Gods Geest. Een mens vraagt vanuit zichzelf niet naar Gods Woord, tenzij de HEERE, door Zijn Geest, dat verlangen in hem wekt. Het gevolg is dat we een opwekking zien zoals die mijns inziens nog niet eerder onder het volk heeft plaatsgevonden.

Schriftgeleerde

Er staat dat men de schriftgeleerde Ezra vraagt om het boek der wet te halen. Dit woord ‘schriftgeleerde’ komt van het Hebreeuwse woord ‘safar’ dat dikwijls wordt vertaald met ‘tellen’. Het duidt op het zeer secuur omgaan met het Woord van God. We weten bijvoorbeeld dat degenen die Gods Woord overschreven, de woorden per pagina telden om fouten te voorkomen.
Als zelfstandig naamwoord komen we het woord ‘safar’ voor het eerst tegen in de geschiedenis van David, waar het wordt vertaald met ‘schrijver’ (van de koning). In Ezra 7:6 vinden we echter het woord voor de eerste maal vertaald met ‘schriftgeleerde’. Dat komt waarschijnlijk omdat erachter staat ‘in de wet Gods’. Ezra is overigens de enige die in het Oude Testament ‘schriftgeleerde’ wordt genoemd.

Aandacht voor het Woord

Terug naar Nehemia 8 lezen we in vers 3: “En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, beiden mannen en vrouwen, en allen (dus m.i. ook kinderen), die verstandig waren om te horen, op de eerste dag van de zevende maand”.
De mensen hebben urenlang met aandacht naar Ezra geluisterd, want er staat in vers 4: “en de oren van het ganse volk waren naar het wetboek”.
Ezra stond bij het lezen op een houten verhoging, een klein podium, dat speciaal voor die gelegenheid was gemaakt. Aan zijn rechter- en linkerhand stonden een aantal Levieten.2
Uit alles blijkt een geweldige eerbied voor het Woord en in het bijzonder voor de God van het Woord, want als Ezra het Boek opent staat iedereen op.
Behalve Ezra die voorleest, zijn er ook een aantal Levieten die het gelezen Woord uitleggen zodat men het begrijpt. Dit had misschien in de eerste plaats te maken met de taalbarrière. De Tora is namelijk in het Hebreeuws geschreven en men sprak in die dagen Aramees. Maar behalve vertaling, zal het door de Levieten ook verklaard zijn naar de praktische toepassing in het dagelijks leven.

Lezen op de feesten

Het voorlezen en de uitleg van het Woord hebben een geweldige uitwerking. Op deze dag (de eerste dag van de zevende maand) wordt het feest van het bazuingeklank gevierd (Lev. 23:24). Heel toepasselijk, want ook het Woord werkt als een bazuin en wekt de toehoorders uit hun slaap. Er volgt een lofprijzing, maar ook verdriet als men ziet hoezeer men tekort geschoten is in het houden van Gods geboden en inzettingen.
Tegelijk blijft de honger naar het Woord voortduren. De andere dag verzamelen zich opnieuw “de hoofden der vaderen van het hele volk, de priesters en de Levieten tot Ezra, de schriftgeleerde, en dat, om verstand te verkrijgen in de woorden der wet” (vs. 14).
Als gevolg van deze samenkomst wordt het Loofhuttenfeest gevierd zoals niet was voorgekomen sinds de dagen van Jozua. Er is zeer grote blijdschap.
Voorafgaand aan dit feest zal op de 10e van deze maand Jom Kippoer (Grote Verzoendag) gevierd zijn, maar dat wordt ons niet meegedeeld.
Tijdens het Loofhuttenfeest leest men iedere dag uit de wet (vs. 19), opnieuw gevolgd door een verootmoediging, waarin lezing, belijdenis en aanbidding worden afgewisseld. Een prachtig gebed en vernieuwing van het verbond vormen het slotakkoord van de indrukwekkende gebeurtenissen in deze zevende maand.
In beide boeken zien we dat zowel Ezra als Nehemia geweldig gedreven zijn om de wet des HEEREN in de praktische levenswandel van het volk zichtbaar te laten worden.

Begin van de synagoge

Zoals we al zagen, is Ezra de enige schriftgeleerde die we in de Tenach (Oude Testament) tegenkomen. Hij heeft grote invloed gehad op de latere ontwikkeling van de Joodse godsdienst. De heerlijke gebeurtenissen uit Nehemia 8, zijn een soort blauwdruk van de manier waarop men sindsdien zou gaan samenkomen. We staan aan het begin van de (verdere) ontwikkeling van de synagoge. Het woord ‘synagoge’ is vanuit het Grieks rechtstreeks overgenomen en betekent ‘vergadering’. Iemand omschreef het eens als ‘een vergadering van Joden die formeel samengekomen zijn om gebeden te offeren en te luisteren naar de voorlezing en uitleg van de Schriften’. Dat is precies wat we in Nehemia 8 zien gebeuren.

Ezra stond op een houten verhoging. Deze vinden we als ‘biema’ nog steeds in de synagoge. Het is de plaats waar de Schriften worden geopend, voorgelezen en uitgelegd.
Voor mij is het een vraag of de synagogen in het beloofde land of al eerder in de verstrooiing zijn ontstaan. In haar boek ‘Synagogen’ schrijft de auteur, mw. van Lieshout dat ze ontstonden in het land van Israël voordat de tempel klaar was, omdat er behoefte was om samen te komen. Ik kan me voorstellen dat men tijdens de periode van de dienstbaarheid in den vreemde dat verlangen al had en er toen misschien al voorlopers van de synagogen waren.
Immers als Ezra naar het land gaat, (Ezra 7 en 8) is de tempel al klaar (zie Ezra 6:15). Dat zou betekenen dat er bij zijn komst al synagogen waren en dat hij deze ‘vergaderingsvorm’ verder heeft ontwikkeld. Het is niet het belangrijkste om te weten wanneer synagogen zijn ontstaan, maar het lijkt erop dat de schriftgeleerde Ezra aan het begin van die ontwikkeling stond.

De synagoge in het Nieuwe Testament

Het woord synagoge komen we regelmatig in de Evangeliën tegen. Een uitgebreide beschrijving van wat er zoal plaatsvond, vinden we in Lukas 4:16-22. We lezen daar dat de Heere Jezus in Nazareth, de stad waar Hij is opgegroeid, op de sabbat naar de synagoge gaat. Als het moment aanbreekt waarop uit het Woord gelezen wordt, staat de Heere op. Hij voelt Zich daartoe blijkbaar gedrongen. Nadat Hem het boek van de profeet Jesaja wordt overhandigd, opent Hij het in hoofdstuk 61:1 en 2a, en leest: “De Geest van de Heere HEERE is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis;
Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN”.
We zien hier dus het voorlezen van het Woord op dezelfde wijze zoals dat bij Ezra gebeurde.
Als de Heere het boek heeft gesloten en heeft teruggeven aan de dienaar gaat Hij zitten, waarna iedereen vol spanning op Zijn uitleg wacht, die luidt: “Heden is deze Schrift in uw oren vervuld” (Luk. 4:21).
Ook hier zien we de overeenkomst met Nehemia 8 waar, na de voorlezing door Ezra, de uitleg van de Levieten volgde. In schril contrast tot de tijd van Ezra wordt de Heere uit de synagoge en de stad gevoerd en tracht men Hem zelfs te doden. Hij voldeed namelijk niet aan hun verwachting, Hij was geen schriftgeleerde volgens de normen van Zijn tijd. De oversten weigerden te accepteren dat een in hun ogen ‘ongeletterde’ hen in kennis en inzicht overtroefde. Maar in feite zien we in Hem, qua kennis en toewijding, de vervolmaking van Ezra. Ook in het boek Handelingen worden synagogen meerdere malen genoemd. In het bijzonder tijdens de reizen van Paulus, die - als hij in een stad aankomt - altijd eerst naar de synagoge of gebedsplaats gaat om daar zijn volksgenoten met het Evangelie te bereiken. Vaak krijgt Paulus tijdens een of meerdere samenkomsten de gelegenheid om het woord te voeren. Maar evenals bij de Heere Jezus zien we veelal, dat ook Paulus’ uitleg uiteindelijk door de meerderheid van de Joodse gemeenschap wordt afgewezen.

De Grote Synagoge

De Joodse traditie ziet de verzameling van ‘de hoofden der vaderen van het hele volk’, de priesters en de Levieten in Nehemia 8:14, als het begin van ‘de Grote Synagoge’. Ezra wordt gezien als de eerste voorzitter van dit college dat een regelende taak had bij het samenkomen van de Joden om hun godsdienst te belijden. Het college werd ook wel ‘de grote vergadering’ (zelfde als grote synagoge) genoemd. Het werd het hoogste gezaghebbende orgaan. De leden stelden een leesrooster van de Tora samen en ook een rangschikking van honderdvierentwintig gedeelten die tijdens de Sabbatdiensten gelezen worden. Verder werkten ze formuliergebeden uit, die vandaag aan de dag nog steeds in de synagoge worden opgezegd. Een andere belangrijke taak van hen was het samenbrengen van de oude geschriften en de beslissing welke boeken al dan niet in de canon van het Oude Testament moesten worden opgenomen.
De grote synagoge stelde ook de organisatie van ‘de kleine synagogen’ vast, evenals allerlei andere praktische zaken die door hen werden geregeld. Later is dit college overgegaan in het Sanhedrin zoals we dat ook in de tijd van het Nieuwe Testament tegenkomen.
De grote synagoge is dus een soort overkoepelend orgaan dat een regelende functie had met betrekking tot de activiteiten in de synagogen zoals we die in het Nieuwe Testament tot vandaag tegenkomen en die ‘kleine synagogen’ worden genoemd.

Conclusie

Als we zo de ontwikkeling van het belijden en beleven van de Joodse godsdienst in het kort hebben geschetst, is het duidelijk dat de schriftgeleerde Ezra tot op de dag van vandaag een geweldige invloed heeft (gehad). Hoewel Mozes heel veel wordt genoemd als het gaat om de wet, kunnen we er niet omheen om ook de zeer belangrijke plaats van Ezra hierin te erkennen. Je zou kunnen zeggen: de één gaf het Woord en de ander gaf het Woord terug, nadat dit op de achtergrond was geraakt.
Het is mijn gebed en verlangen dat wij als gelovigen, die leven in de huidige bedeling van de genade Gods, Ezra als voorbeeld van inzet en toewijding mogen zien; dat heel ons hart er naar uitgaat om de Heere en Zijn Woord steeds beter te leren kennen, het in de praktijk te brengen en vervolgens ook aan anderen te onderwijzen. Ik denk dat deze volgorde van cruciaal belang is. We zien dat niet alleen bij Ezra, maar ook bij Paulus en natuurlijk bij onze Heere Jezus.
Zoals Ezra het Woord als het ware teruggaf aan het volk, mogen ook wij, een ieder op de plaats waar de Heere ons stelt en met de gave(n) die we hebben ontvangen, ons door Hem laten gebruiken. Mede daardoor kan de Heere een honger in Joodse harten wekken naar het levende Woord, de Messias Jezus. Alles tot lof en eer van de heerlijke Naam van de God van Israël.

Voetnoten:
1. De boeken Ezra en Nehemia overlappen elkaar in de tweede helft van beide boeken.
2. Er is heel veel over de namen van deze mannen te zeggen, maar dat kan helaas niet in dit bestek.

Bron: o.a. het boek ‘Synagogen’ van C.M.H. van Lieshout.

Sluiten