De kleine profeten in historisch Perspectief

Oud Testament Tekst, David van Capelleveen

Het volk Israël kreeg in Deuteronomium 18:9-14 een streng verbod om zich in te laten met de magische en occulte praktijken die beoefend werden door omringende volken. De God van Israël zou namelijk zelf profeten doen opstaan die in Zijn naam zouden spreken. In deze Beet Hamidrasj willen we een kort historisch overzicht geven van een verzameling geschriften die bij deze bijzondere groep hoort; de kleine profeten.

Heden, verleden en toekomst

Vandaag de dag worden profeten en het verschijnsel profetie vaak alleen geassocieerd met eventuele toekomstige gebeurtenissen. Toch moeten we dit voor het profetenambt in het Oude Testament veel breder trekken. Verleden, heden en toekomst waren even belangrijk. De basis voor het optreden van de profeten lag namelijk altijd in het Sinaï-verbond uit het verleden. Door in het heden de daden van het volk Israël te toetsen aan de Wet van Mozes, hadden zij in de eerste plaats een boodschap voor hun eigen tijd. Voor wat betreft de toekomst ging het voornamelijk om de consequenties van het wel-of-niet luisteren naar de woorden van de profeten om terug te keren naar de HEERE en Zijn verbond.

Profeten in het oude nabije oosten

Voor alle volken en culturen uit het Oude Nabije Oosten is het kenmerkend dat zij contact zochten met de goden. Ook de volken rondom Israël hadden dus hun eigen profeten. Er zijn echter een tweetal belangrijke verschillen aan te duiden: Ten eerste werkten de omringende profeten voornamelijk in professionele cultussen die in dienst stonden van een koninklijke hofhouding. Nergens vinden we door God geroepen eenlingen zoals Elia, Elisa, of Jeremia die optraden tegen de gevestigde orde en die zelfs voor voltallige legers niet terugdeinsden. Het tweede verschil is het literaire fenomeen van de schriftprofeten. Andere werken waarin de levens en profetieën van individuele profeten zijn opgetekend kennen we niet uit het Oude Nabije Oosten. Wat we voornamelijk vinden zijn riteboeken en handleidingen om juist de magische praktijken uit te voeren die Deuteronomium 18:9-14 ten strengste verbiedt. De schriftprofeet is dus uniek aan Israël.

De ' kleine' en de 'grote' profeten

Het onderscheid tussen de grote en de kleine schriftprofeten is er niet één van kwaliteit, maar kwantiteit. Afzonderlijk zijn de boeken van de kleine profeten qua inhoud veel kleiner dan de grote profetenboeken, maar gezamenlijk bevatten zij ongeveer evenveel tekst als één van de grote profeten (Jesaja, Jeremia en Ezechiël). Hierdoor pasten zij dus op één boekrol. In het Jodendom staan de kleine profeten bekend als de ‘trei-asar’ תרי†עשר) ). Dit is Aramees is voor ‘twaalf’ en verwijst naar de twaalf auteurs van de Geschriften. De traditie verhaalt dat deze al snel gegroepeerd werden tot een eenheid. Het oudste bewijs hiervan vinden we in het apocriefe werk de Wijsheid van Jezus Sirach, dat nauwkeurig gedateerd is rond 180 v. Chr.: “En dan de twaalf profeten! Hun gebeente zal herleven uit hun rustplaats. Zij hebben Jakob gesterkt en hem door vertrouwvol geloof gered” (Sir 49:10 Willibrord 95). Dit is archeologisch bevestigd door de fragmenten van een boekrol met een Griekse vertaling van de twaalf profeten. Deze zijn gevonden in  de grotten van Nahal Hever in de woestijn van Judea en worden gedateerd tijdens de Bar Kochba-opstand (132-136 n. Chr.). De term ‘kleine profeten’ komt uit het christendom. Veel handboeken herleiden de aanduiding tot de grote kerkvader Augustinus (354-430).1  Dit is niet correct, want Hilarius van Poitiers (ca. 315-367) spreekt in het voorwoord op zijn psalmencommentaar over de inhoud van de Oudtestamentische canon en noemt hier al de twaalf kleine profeten als eenheid.2  Het geeft in ieder geval aan dat er in het Latijnse christendom een traditie was die de terminologie ‘kleine/ grote profeten’ al hanteerde in de vierde en vijfde eeuw n. Chr.

De levens van de kleine profeten

Vaak vernemen we uit het opschrift van een profetenboek enige informatie over de profeet en de omstandigheden waarin hij optrad. Dit levert echter geen vetpot aan biografische gegevens op. Van enkele profeten weten we niets meer dan de naam (bijv. Obadja, Habakuk, Maleachi). Andere profeten vermelden kort één of meerdere voorvaders (een zogeheten patronymicum) en/of de plaats waar ze vandaan komen (i.e. Hosea, Joël, Jona, Nahum). Van Hosea, de zoon van Beëri, zijn de passages over diens opzienbarende huwelijk met de overspelige Gomer welbekend (Hos. 1-3), maar eigenlijk weten we bijna niets over zijn achtergrond. Van een viertal profeten hebben we iets meer informatie. Amos identificeert zichzelf als een herder en landbouwer uit Tekoa in Juda (Amos 1:1; 7:14). Het staat ter discussie of dit impliceert dat hij een lage sociale status had of juist een vooraanstaande Israëliet was. Interessant is daarbij ook dat hij aangeeft dat hij voor zijn roeping geen persoonlijke associaties had met de profeten van zijn volk. Hij beschouwt zichzelf maar als een gewone man. Zefanja is de enige profeet die een uitgebreider patronymicum heeft. Er bestaat bijna geen twijfel over dat de Hizkia uit Zefanja 1:1 moet worden geïdentificeerd als koning Hizkia (zie 2 Kon. 18-20; 2 Kron. 29-32; Jes. 36). Dit betekent dus dat Zefanja lid was van de koninklijke familie en toegang had tot het hof. Eén en ander correleert ook met de inhoud van enkele van zijn specifieke profetieën, gericht tegen de bovenlaag van Israëls samenleving (e.g., 1:8; 3:3-4). Van Haggai en Zacharia – tijdgenoten in de herstelperiode na de Babylonische ballingschap – kunnen we een aantal profetieën zeer nauwkeurig dateren. Hoewel we over Haggai verder niets weten, is Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, zeer waarschijnlijk dezelfde die genoemd wordt in Ezra en Nehemia (cf. Ezra 5:1; 6:14; Neh. 12:16). Zo was hij dus deel van de priesterfamilies die terugkeerden uit de ballingschap. Dit verklaart de thema’s van de tempel en haar herbouw die herhaaldelijk terugkeren in het boek (bijv. , Zach. 1:16; 4-5; 6:9-15). Het boek Jona onderscheidt zich van de andere profeten en niet in de minste plaats qua vorm. Waar de kleine schriftprofeten voornamelijk bestaan uit verzamelingen profetieën, heeft Jona als enige een verhalende vorm. We lezen in Jona 1:1 dat hij de zoon van Ammitai was en op basis van 2 Koningen 14:25 weten we dat hij uit Gat- Hachefer kwam, een plaatsje in de buurt van Nazareth. De fragmenten uit zijn leven leveren een fraai persoonlijk portret op en over de koppige profeet zijn stapels boeken geschreven. Maar evenals de andere kleine profeten geldt ook voor Jona dat niet zijn leven, maar de Woorden van de levende God centraal staan in de profetische Geschriften.

De datering en volgorde van de kleine profeten

Juist vanwege de aard en literaire vorm van de meeste kleine profetenboeken is het soms wat lastig om een historisch overzicht te krijgen van de profeten zelf. Over de dateringen van de verschillende profetenboeken is dus niet altijd evenveel bekend. Joël, Obadja, Nahum, Habakuk en Maleachi zijn niet te dateren op basis van hun opschrift. Daarom wordt er ook gekeken naar mogelijke aanwijzingen uit de boeken zelf. Het is ook niet altijd mogelijk om aan te geven of een profeet optrad gedurende een langere periode, of dat zijn optreden misschien wel beperkt was tot een enkele keer. In de afgelopen decennia hebben bijbelwetenschappers geprobeerd om te achterhalen wat nu eigenlijk de factoren zijn geweest in de uiteindelijke canonieke volgorde van de kleine profeten. Eén overduidelijke factor is in ieder geval historisch. Het is evident dat er in de canonvolgorde een chronologische lijn zichtbaar is  vanaf de negende/achtste eeuw tot aan de laatste profeet Maleachi in de vijfde eeuw v. Chr. (zie ook het kader). Dit bestrijkt een periode van na de scheuring van het rijk tot na  de Babylonische ballingschap. Toch is de canonieke volgorde van de kleine profeten niet consequent chronologisch. Amos is bijvoorbeeld eerder actief dan Hosea, terwijl Hosea de kleine profeten opent en Amos na Joël wordt geplaatst.

Van Hosea tot Micha

Hosea plaatst zijn profetieën tijdens de regeringen van Uzzia, Jotham, Achaz, en Hizkia in Juda en Jerobeam II in Israël (Hos. 1:1). Hij was dus ongeveer actief tussen 755-715 v. Chr. In deze periode, zo blijkt ook uit het boek, maakte hij de Assyrische dreiging en de val van de noordelijke hoofdstad Samaria mee (722 v. Chr., zie, Hos. 14). Amos noemt eveneens de namen van koning Uzzia en Jerobeam II. Ook kreeg hij twee jaar voor een aardbeving zijn profetieën (Amos 1:1). Archeologisch bewijs uit opgravingen rondom Hazor geven inderdaad aan dat er een hele zware aardbeving is geweest ongeveer halverwege de achtste eeuw v. Chr. Meestal wordt Amos’ optreden rond 760 v. Chr. geplaatst. Ook de profeet Jona was actief tijdens de regering van Jerobeam II. Hij voorspelde dat deze koning het territoriale gebied van Israël zou uitbreiden (zie 2 Kon. 14:25). Deze drie profeten traden dus ongeveer gelijktijdig op met de profeet Jesaja. De boeken Joël en Obadja zijn zeer moeilijk te dateren en de verschillende voorstellen lopen eeuwen uiteen. Voor Joël geldt dat het oude taalgebruik in ieder geval wijst op een zeer vroeg profetengeschrift, volgens sommige bijbelwetenschappers misschien wel het oudste. De profetie van Obadja is gericht tegen de Edomieten. De verzen 11-16 verwijzen of  naar de val van Jeruzalem in de zesde eeuw v. Chr., of  naar de gebeurtenissen ten tijde van koning Joram, halverwege de negende eeuw v. Chr. (zie 2 Kon. 8:20-22 en vooral 2 Kron. 21:8-10). Voor beide boeken past een vroege datering beter bij de chronologische intentie van de kleine profeten. Micha, de profeet uit Moreset, was actief tijdens de regeringen van Jotham, Achaz en Hizkia. Omdat hij ook de val van Samaria voorziet (Micha 1:6), wordt gedacht dat zijn bediening begon tegen het einde van de regering van koning Jotham (ca. 750-732 v. Chr.). Micha is ook één van de weinige profeten die bij naam door een ander profetenboek geciteerd wordt. In Jeremia 27:18 vermelden de oudsten van het volk dat hij een profetisch woord uitsprak tijdens de regering van koning Hizkia ca. 715-686). Het zijn de woorden van Micha 3:12 en deze gebeurtenis vond waarschijnlijk plaats tegen het einde van zijn profetisch optreden.

Van Nahum tot Maleachi

De boeken van Nahum en Habakuk kunnen alleen worden gedateerd op basis van de details uit de profetieën zelf. Van Nahum weten we niets meer dan dat hij afkomstig was uit de verder onbekende plaats Elkos. Omdat de profeet de vernietiging van de Egyptische stad Thebe (ca. 663 v. Chr.) beschrijft als een gebeurtenis uit het verleden (zie Nah. 3:8-11) en de val van Ninevé in 612 v. Chr. voorziet, moet het boek ergens tussen deze twee perioden zijn geschreven. Rond 626 v. Chr. werden de Babyloniërs onafhankelijk van de Assyriërs en in de twee decennia daarna vernietigden zij het Assyrische rijk compleet. Het is Habakuk die de opkomst van deze Chaldeeën aankondigt (zie Hab. 1:6). Daarom wordt zijn boek gedateerd aan het einde van de zevende eeuw v. Chr. Zefanja was ongeveer gelijktijdig actief tijdens de regering van koning Josia (ca. 640-609 v. Chr., zie Zef. 1:1), de vrome koning die met zijn hervormingen de afgodendiensten uit Juda probeerde te bannen (zie 2 Kon. 22-23). Dat er in Zefanja 1:4 wordt gesproken over het uitroeien van het ‘overblijfsel van de Baäl’, duidt er mogelijk op dat Josia’s hervormingen al bezig waren toen Zefanja zijn profetieën kreeg. De laatste drie profetenboeken onderscheiden zich van de eerste negen, omdat zij plaatsvinden na de terugkeer uit de Babylonisch ballingschap (586-539 v. Chr.). Op basis van enkele opschriften kunnen we de profetieën van Haggai nauwkeurig dateren tussen augustus en december in 520 v. Chr. (zie Hag. 1:1, 15; 2:1, 10). De nachtgezichten en profetieën van het eerste deel van Zacharia (Zach. 1-8) vinden plaats tussen 520-518 v. Chr. (zie Zach. 1:1, 7; 7:1). Maleachi spreekt in zijn boek herhaaldelijk over de  offerdiensten en de tempel (zie Mal. 1:7-13; 3:1) en de dienstdoende priesters (zie Mal. 2:1-7). Hij verwijst daarbij ook naar offerdiensten in vroegere tijden (3:3-4). Daarom is het zo goed als zeker dat Maleachi schreef na de voltooiing van de tweede tempel in 515/516 v. Chr. Omdat het lijkt alsof de eredienst al een tijd hersteld is, plaatsen de meesten zijn boek halverwege de vijfde eeuw v. Chr.

Van Maleachi tot de Messias

Maleachi is ook de profeet die de gehele profetenreeks afsluit. In de bekende laatste hoofdstukken belooft de HEERE dat Hij Zelf naar Zijn tempel zal komen (Mal. 3:1). Bovendien wordt de komst van de profeet Elia aangekondigd, die voor de Dag van de HEERE “het hart van de vaders tot de kinderen zal terugbrengen, en het hart van de kinderen tot hun vaders”  (Mal. 4:5, 6). Daarna blijft het lange tijd stil rond de profeten. Het zwijgen wordt pas meer dan vier eeuwen later doorbroken door een man in de Woestijn van Judea. In alle opzichten lijkt deze boeteprediker, Johannes genaamd, op de profeet Elia. Hij roept niet alleen op om terug te keren naar de God van Israël, maar kondigt ook de komst van de Messias aan. Het is deze Messias waar ook de kleine profeten over gesproken hebben. Hij zou in Bethlehem zijn geboren en “Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af”  (Micha 5:1). Op jonge leeftijd zou deze Persoon moeten vrezen voor Zijn leven en moeten uitwijken naar Egypte. Maar net als het volk Israël zou de HEERE Zijn Zoon uit Egypte terugroepen (Hos. 11:1). Deze Zoon zou, in tegenstelling tot de Israëlieten, volledig gehoorzaam zijn aan de wil van God. Hij is ook de grote beloofde Koning van de Joden, maar toch zou Hij nederig op een ezel de stad van de HEERE betreden (Zach. 9:9). Grote wonderen en tekenen worden door Hem verricht, maar het teken van Zijn eigen dood en opstanding vergelijkt Hij met het teken van de profeet Jona. Dit is de Herder Die geslagen wordt voor Zijn volk (Zach. 13:7). De waarde van Zijn leven was niet meer dan dertig zilverstukken (Zach. 11:12). Toch is dit ook Degene Die alle volken zal onderwerpen (Zach. 12:8-9) en Zijn koninkrijk zal vestigen onder de mensen (14:3-9). Het is deze Koning, Jezus van Nazareth, de Christus, naar Wie de kleine profeten wijzen en in Wie de kleine profeten vervuld zijn. 

 

PROFEET                    PERIODE

Hosea                           ca. 755-715

Joël                              Onbekend, waarschijnlijk achtste/ negende eeuw v. Chr.

Amos                           ca. 760

Obadja                          Onbekend, of halverwege de negende eeuw, of in de zesde eeuw v. Chr.

Jona                             ca. 785-770

Micha                           ca. 742-710

Nahum                         ca. 663-612

Habakuk                       Op basis van 1:6, laat zevende eeuw v. Chr., voor de Babylonische ballingschap.

Zefanja                          ca. 640-609

Haggai                          520

Zacharia                        520-18

Maleachi                       Onbekend, waarschijnlijk halverwege de vijfde eeuw v. Chr.

 

1. Zie Augustinus van Hippo, De Civitate Dei 18.29 2. Zie Hilarius van Poitiers Tractatus super psalmos I. Intr. § 15: “duodecim autem minores prophetae in sextum decimum”. Vertaling: “bovendien, de twaalf kleine profeten zijn het zestiende [boek]”.

Sluiten