De melaatse en de zondaar

Nieuw Testament | Typologie en beelden Tekst, Hans van de Lagemaat

Melaatsheid was in Bijbelse tijden niet alleen een ernstige ziekte, het leidde ook tot een tragische breuk met de samenleving en erger nog: met de Tempeldienst. In dit artikel gaan we in op de bijzondere parallellen met zonde en verlossing.

De tien melaatsen en de tollenaar

Wat is de overeenkomst tussen de tien melaatsen in Lukas 17:11-19 en de tollenaar in Lukas 18:9-14? Van beide lezen we dat ze ‘op een afstand bleven staan’ (17:12; 18:13). Bij de melaatsen volgde dat uit de wet. Besmettingsgevaar was groot en dus moesten zij zich verre houden van de gezonde mensen. De tollenaar stond ‘op een afstand’ vanwege zijn eigen gevoel van nederigheid en besef van zonde.
Bedenk dat de gelijkenis is gericht tot degenen, die er bij zichzelf van overtuigd waren dat zij rechtvaardigen waren, “en alle anderen minachtten” (18:9). Hun wordt een les van ware vroomheid geleerd.
Het kernwoord bij de tien melaatsen is ‘reiniging’ en bij de tollenaar ‘rechtvaardiging’.
De melaatsen waren uitgesloten van het normale leven in Israël en daarmee ook van de dienst aan God rond de Tempel of Tabernakel. De tollenaar wist zich als zondaar buitengesloten van een leven met God. De tollenaar vernederde zichzelf. Hij nam als het ware de plaats in van een geestelijke melaatse. Maar hij werd gereinigd! “Ik zeg u: Deze man ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling tot die andere (farizeeër)” (18:14).
En hiermee zijn we aangekomen bij een belangrijk type in de Schrift: de melaatsheid als beeld van de zonde. De parallellen tussen Leviticus 13 en 14 (de beschrijving van de wet over melaatsheid) en de gedeelten uit de Romei- nenbrief, waar het gaat over de rechtvaardiging van de zondaar, zijn opmerkelijk. We zullen er zeven nader beschouwen en onze geestelijke lessen daaruit leren.

1. Niemand rechtvaardig voor God

In Leviticus 13 wordt melaatsheid uitvoerig beschreven. Dertien keer lezen we daar van iemand die, bij zelfs maar de kleinste tekenen van deze verwoestende ziekte, onrein wordt verklaard. De priester doet nauwkeurig onderzoek om verwarring met andere ziekten uit te sluiten. Maar als een blaar, een zweer, of een verkleuring van de huid werkelijk een teken van melaatsheid blijkt te zijn, betekent dat voor de melaatse het einde van zijn sociaal maat- schappelijk leven. Hij wordt onrein verklaard en mag zich niet langer in de legerplaats bevinden. Hij wordt een uitgestotene, levend gestorven. Buiten de muren van de stad, heeft hij geen toegang meer tot de tempeldienst. De ergste consequentie is dan ook: geen toegang tot God.
In Romeinen 1 t/m 3 worden de zonde en haar afschuwelijke uitingen gedetailleerd beschreven. In deze hoofdstuk- ken blijkt niemand voor zijn zonde een plausibel excuus te hebben. Zowel Jood als heiden wordt van nature onrein verklaard. Niet alleen buiten de gemeenschap met Israël, maar ook buiten de gemeenschap met God.

2. Alle mond gestopt

“Hij (de melaatse) moet zijn baard en snor bedekken en hij moet roepen: Onrein, onrein!” (Lev. 13:45). Het moet voor iedereen duidelijk zijn. De man met bedekte baard en snor, die roept ‘onrein, onrein’ is op grond van nauwkeurig onderzoek van de priester, melaats gebleken. Zo onthult nauwkeurig onderzoek van Gods Woord onze harten en stelt ons schuldig voor God, “opdat elke mond gestopt wordt en de hele wereld doemwaardig wordt voor God” (Rom. 3:19).

3. Gereinigd, gerechtvaardigd, volkomen genezing en reiniging

Er is genezing van melaatsheid mogelijk. En zodra dat gebeurt, wordt de melaatse gereinigd, en voor de HEERE gesteld alsof hij nooit melaats is geweest. Het is een volkomen genezing, en een volkomen reiniging.
Zo is het ook met hen die genezen van die dodelijke ziekte: de zonde. “En worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus” (Rom. 3:24). De melaatse wordt gereinigd en de zondaar wordt gerechtvaardigd. Rechtvaardig voor God, door het volkomen werk van Christus, alsof hij nooit een zonde begaan had

4. Dood en opstanding

Dat volkomen werk van de Heere zien we afgebeeld in het dubbele type van de twee vogels. Als een melaatse genezen was, en vervolgens gereinigd moest worden, gebood de priester dat er twee reine vogels genomen zouden worden. Eén daarvan werd geslacht. De andere werd door de priester gedoopt in het bloed van de geslachte vogel. Nadat ook de melaatse met dit bloed besprengd was, werd de levende vogel in het open veld vrij gelaten. Een bewijs dat het bloed van de gedode vogel aanvaard was, maar ook dat de eens melaatse man of vrouw waarlijk vrij was, en volkomen rein. Is dit geen beeld van de dood en opstanding van de Heere? “Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging” (Rom. 4:25).

5. Vrede met God

De gereinigde melaatse wordt geplaatst voor het aangezicht van de HEERE (Lev. 14:11). Deze uitdrukking wordt in dit hoofdstuk negenmaal gebruikt. Na het type van de twee vogels, zien we de te reinigen melaatse geplaatst voor Gods aangezicht. De gemeenschap met God is hersteld en vanaf nu is er toegang tot de troon der genade.
Dat is juist ook de vrucht van de dood en de opstanding van Christus. Direct na Romeinen 4:25 volgt Romeinen 5:1, 2: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus. Door Hem hebben wij ook de toegang verkregen door het geloof tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in de hoop op de heerlijkheid van God”.

6. Heiliging

In Leviticus 14 moest de gereinigde melaatse zich scheren en wassen. Hij moest alles waarin nog verontreiniging over was gebleven van zich wegdoen. Zo ook Romeinen 6:2, 12: “Hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?” “Laat de zonde dan niet in uw sterfelijk lichaam regeren om aan de begeerten daarvan te gehoorzamen”.

7. Een voor God welbehaaglijk offer

Het werkwoord ‘heiligen’ betekent ‘apart zetten’. Heiliging van de gelovige heeft twee aspecten. Het is een afzweren van een zondige levenswandel en tegelijk een toewijding aan God. Na de ceremonie met de twee vogels (de reiniging), volgt de heiliging van de lichaamsdelen van de melaatse. Achtereenvolgens wordt het bloed van een zondoffer en olie op de rechteroorlel, de duim van de rechterhand en de grote teen van de rechtervoet gedaan. De overgebleven olie giet de priester op het hoofd van de melaatse. Let op: de olie na het bloed. Het werk van Gods Geest (de olie) in ons berust op het werk van Christus voor ons (het bloed).

Dit alles beeldt ons de les uit van:
Romeinen 6:13: “En stel uw leden niet ter beschikking aan de zonde als wapens van ongerechtigheid, maar stel uzelf ter beschikking aan God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn. En laat uw leden wapens van gerechtigheid zijn voor God”
Romeinen 6:19b: “stel zo nu uw leden beschikbaar ten dienste van de gerechtigheid, tot heiliging.”
Romeinen 12:1: “Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaag- lijk: dat is uw redelijke godsdienst”.

Naar aantekeningen in appendix C van “The Study of the Miracles” door Ada R. Habershon

Sluiten