De sjofar

Jodendom Tekst, Alfred Esch

De sjofar of ramshoorn is misschien wel het bekendste instrument uit de Bijbel. In het Oude Testament zien we ‘sjofar' meestal vertaald als ‘bazuin'. In Exodus wordt melding gemaakt van ‘het geluid ener zeer sterke bazuin' (19:16), een geluid dat dus welbekend was bij het volk Israël. 

Hoewel we meestal spreken van een ramshoorn, kunnen sjofars ook gemaakt worden van de horens van geitenbokken of zelfs antilopen. Als het merg uit de horen verwijderd is blijft een, meer of minder gebogen, holle pijp over. Via het mondstuk, aan de spits van de horen, wordt geblazen om de klank te produceren.Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het blazen van de sjofar vergt veel oefening, inspanning en lucht. Aparte noten kunnen niet geblazen worden, dus hangt de melodie af van de aaneenschakeling van korte en lange stoten.
In Jozua (6:4) lezen we dat het een taak van de priesters was de sjofar te blazen. Dat gebeurde bij feestelijke bijeenkomsten maar ook ten tijde van oorlog en strijd. Marsorders werden als het ware per bazuin gegeven en ook werd ermee het signaal gegeven dat het volk samen moest komen. Zowel bij vreugde als gevaar klonk de sjofar over Israël. Nog steeds is het een roepstem, die ons wekt en aanspoort ons tot God te keren. Zo wordt in orthodox Joodse huizen de sjofar nog wekelijks geblazen, als aankondiging van de sabbat.
Rosj Hasjana (het Joodse nieuwjaar) is bij uitstek dé dag van bazuingeklank, waarop de sjofar, traditioneel, 100 keer geblazen moet worden. Bij Jom Kippoer (Grote Verzoendag) wordt de sjofar éénmaal geblazen, aan het eind van het vasten.
In het Oude Testament gaan onze gedachten uit naar de ram, die met zijn horens verward zat in de struiken (Abrahams offer van Izak). Dat sprak reeds van het offer van Christus op Golgotha. In het Nieuwe Testament richt het bazuingeschal ons op Zijn wederkomst (1Thess.4:16)...want de sjofar zal klinken! Laten onze oren maar gespitst zijn!

Sluiten