De sluier op het gelaat van Mozes

Bijbelse personen | Oud Testament Tekst, Hugo Bouter

Waarom deed Mozes een doek voor zijn gezicht, toen de huid van zijn gezicht straalde en welke geestelijke lessen liggen hierin opgesloten?

Het eerste doel van de bedekking

“Wanneer de Israëlieten aan het gelaat van Mozes zagen, dat de huid van zijn gelaat straalde, deed Mozes de doek weer voor zijn gelaat totdat hij naar binnen ging, om met Hem te spreken” (zie Exod. 34:30-35)NBG.
De diepere betekenis van deze handeling wordt eigenlijk pas in het Nieuwe Testament onthuld, en wel in een uitvoerig betoog van de apostel Paulus in 2 Korintiërs 3. Het woord sluier of ‘bedekking’ komt hier in drieërlei betekenis voor.

Allereerst is het letterlijkde bedekking die Mozes voor zijn gezicht deed, toen hij vanuit Gods tegenwoordigheid terugkeerde om de Israëlieten Gods gedachten bekend te maken. Dit gebeurde voor het eerst toen hij met de twee nieuwe stenen tafelen van de berg Sinai afdaalde, maar ook telkens nadat hij de HEERE van aangezicht tot aangezicht in de tent der samenkomst had gezien (Exod. 34:29-35). De Israëlieten konden de weerspiegeling van Gods heerlijkheid op het gezicht van Mozes niet verdragen. Vandaar dat hij een bedekking, een doek of een sluier voor zijn gezicht moest binden. De Statenvertaling gebruikt het woord ‘deksel’ (zowel in Exod. 34 als in 2 Kor. 3). De NBG-vertaling gebruikt in het Oude Testament het woord ‘doek’ en in het Nieuwe Testament het woord ‘bedekking’. Engelse vertalingen spreken over een ‘sluier’. Het Hebreeuwse woord en het corresponderende Griekse woord vinden we uitsluitend in deze genoemde Schriftgedeelten. Het is dus moeilijk vast te stellen wat de aard was van de bedekking die Mozes gebruikte. Het woord ‘sluier’ geeft wel het duidelijkst aan wat tevens het doel was van de bedekking. Ze versluierde en verhulde wat er in feite op het gezicht van Mozes te lezen stond, namelijk dat de heerlijkheid van de wet slechts tijdelijk was.

Mozes als representant van de wet

Hier komen we tot de tweede betekenis van de bedekking. Het gaat niet alleen om Mozes als persoon, maar ook om Mozes als wetgever.Mozes vertegenwoordigt namelijk ook de boeken die hij aan het volk heeft nagelaten. In de meest uitgebreide zin van het woord duidt het zelfs op het hele Oude Testament. Deze betekenis van ‘Mozes’ blijkt bijvoorbeeld uit de woorden van Jakobus in Handelingen 15: ‘Immers Mozes heeft van oudsher in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke sabbat in de synagogen wordt voorgelezen’ (Hand. 15:21)NBG.
Welnu, zegt de apostel Paulus, als de Israëlieten Mozes lezen, dan rust er een bedekking op zijn woorden (2 Cor. 3:14). De ware zin is voor hen verborgen, omdat zij niet zien dat de wet heen wijst naar Christus. Zij kennen alleen de letter van de wet, maar niet de ‘geest’ ervan, d.i. Christus, die het einde van de wet is voor ieder die gelooft (Rom. 10:4).

Mozes als vertegenwoordiger van Israël

De oorzaak hiervan is – en dat is de dérde betekenis van deze sluier – dat er ook een bedekking op hun hartrust. Als volk zijn zij innerlijk als het ware ‘geblinddoekt’, zodat ze veelal geen oog hebben voor de heerlijkheid van de Messias. Dit is de verharding waarover Paulus spreekt in Romeinen 11.

Hier vertegenwoordigt Mozes het hele volk en vinden wij de volgende belofte voor de eindtijd: zoals Mozes de bedekking die hij droeg verwijderde, als hij terugkeerde in de tegenwoordigheid van de Heere, zo zal dat ook met Israël gebeuren. Wanneer zij tot de Heere zullen ‘terugkeren’ (zich zullen bekeren en bij Christus’ komst zullen zien op Hem die zij hebben doorstoken), dan wordt de bedekking weggenomen.

Mozes als vertegenwoordiger van de gelovigen nu

Maar dit principe geldt eveneens voor alle gelovigen in deze tijd, hetzij uit de Joden, hetzij uit de volken. Als het goed is, hebben we als christenen een geopend oog en een geopend hart voor de heerlijkheid van Christus, omdat er een werk van berouw en bekering, van innerlijke terugkeer tot God in ons hart heeft plaatsgevonden. Daarom besluit de apostel dit hoofdstuk met de woorden, dat wij allen nu reeds met onbedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heere aanschouwen en naar Zijn beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd worden (2 Kor. 3:18).

Het voorrecht in de huidige genadetijd is dat er geen sluier meer op ons hart rust en evenmin op de Schrift als we die lezen. Zowel ons hart, ons verstand, onze ogen, alsook de Schriften zijn door de Heere Zelf geopend, op voorwaarde dat wij Hem werkelijk kennen en toebehoren (vgl. Luk. 24:31, 32, 45).

Verschil tussen wet en genade

Deze dingen zijn van belang voor een goed verstaan van de verhouding tussen het Oude en Nieuwe Verbond, tussen wet en genade. Vermenging van Wet en Evangelie is niet naar Gods gedachten. Dat wil niet zeggen dat de gelovige nu wetteloos is. Hij is wettelijk aan Christusonderworpen en vervult de wet van Christus, dat is de wet van de liefde (1 Kor. 9:21; Gal. 6:2). Dat gaat verder dan de eis van de wet. De wet eiste dat men de naaste liefhad als zichzelf. Maar dan hoeft men zichzelf nog niet helemaal weg te cijferen en kan men zichzelf nog handhaven. Christus echter heeft Zichzelf overgegeven en Zichzelf vernederd. Zijn liefde ging veel verder dan de wet eiste, en het voorbeeld van die goddelijke liefde hebben wij na te volgen (Ef. 5:1-2; 1 Joh. 3:16).

De wet is niet specifiek aan christenen gegeven, maar aan Israël naar het vlees, dus voor de mens in het vlees, de mens in zijn natuurlijke staat, en wel om hem te beproeven. De Tien Woorden dienden ertoe de absolute verlorenheid en zondigheid van de mens in het vlees aan te tonen en zo de komst van de Verlosser in het vlees voor te bereiden.

Ook uit dankbaarheid kunnen wij de wet niet vervullen. De leefregel van de christen is Christus Zelf. Iemand die zich formeel onder de wet stelt, stelt zich daarmee óók onder de vloek van de wet, d.i. het oordeel van de dood. Terwijl Christus juist voor hem gestorven is om hem vrij te kopen van de vloek van de wet (Gal. 3:13)! Door de dood en de opstanding van Christus is de gelovige namelijk ontrukt aan het machtsbereik van zonde, wet en dood. Hij is niet meer onder heerschappij van de wet, maar van de genade(Rom. 6:14). Hij is niet meer in het vlees, maar in de Geest(Rom. 8:9). Hij is een nieuwe schepping in Christus, en Christus Zélf is zijn leefregel. Hij leeft in het licht van de genade en vervult daardoor méér dan de wet eiste, als hij zich tenminste laat leiden door de Geest.

Als men de beginselen van wet en genade met elkaar vermengt, komt er een ‘sluier’ over het hart te liggen en over de woorden van de Schrift en is er geen oog voor de heerlijkheid van Christus en de heerlijkheid van de in Hem geopenbaarde genade. Het is te hopen dat ook in deze tijd nog vele ogen en harten opengaan voor ‘de lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus’ (2 Kor. 4:6).

Sluiten