De wierook van Christus

Christologie | Feesten en offers Tekst, Ruben Hadders

Al zolang de mens bestaat, wordt er wierook gebruikt, met name in de oosterse culturen. Maar wij westerlingen hebben er weinig mee. Wij associëren het vooral met hindoeïsme, sommige gelovigen zelfs met occultisme. Jammer, want in de Bijbel wordt juist positief over wierook gesproken.

Wierook betekent zoiets als ‘heilige reuk’. Oorspronkelijk wordt met wierook de geurige gomhars van de Boswellia-boom bedoeld. Door inkepingen te maken, stroomt een melkachtig sap uit deze boom, olibanum genaamd. De naam is waarschijnlijk een samentrekking voor ‘olie van Libanon’, omdat deze wierookhars vanuit Libanon aan Europese handelaars werd verkocht. Wierook heeft voor grote welvaart gezorgd in Zuid-Arabië, dat daarom ook wel Arabia Felix (‘Het blije Arabië’) werd genoemd. Tot in de 20ste eeuw was de Arabische wierook zelfs even kostbaar als goud.

Wierook is ook de algemene benaming voor een mengsel van organische stoffen die, door verbranding, een aangename geur verspreiden. Het werd (en wordt) met name gebruikt bij rituelen en heilige diensten. De oude Egyptenaren brandden wierook als offer aan de goden want, zo geloofden zij, geen enkele god zou de plezierige geuren van de rook weigeren. Ook geloofden zij dat geuren invloed konden hebben op de geestelijke gesteldheid.

Het reukofferaltaar

In het Jodendom was dat niet veel anders. Ook daar nam wierook een belangrijke plaats in, zowel in het dagelijks leven als bij heilige ceremonies. In Exodus 30 krijgt Mozes zelfs de opdracht om een reukofferaltaar voor de Heere te bouwen:

“Gij zult ook een reukaltaar voor het reukwerk maken; van sittimhout zult gij het maken. Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen zijn hoogte; daaruit zullen zijn hoornen zijn. En gij zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en zijn wanden rondom, als ook zijn hoornen; en gij zult het een gouden krans rondom maken. Gij zult ook twee ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult gij deze maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmee draagt. De draagbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult die met goud overtrekken. En gij zult het zetten voor de voorhang, die voor de ark der getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, dat zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal. En Aäron zal daarop aansteken welriekende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal toegericht hebben, zal hij deze aansteken. En als Aäron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een gedurig reukwerk zijn, voor het aangezicht des HEEREN, bij uw geslachten. Gij zult geen vreemd reukwerk daarop aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten. En Aäron zal eens in het jaar over zijn hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer der verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid der heiligheden voor de HEERE!” (Ex. 30:1-10).

Het is jammer dat zo weinig christenen tegenwoordig bekend zijn met de tabernakel en de offerdienst, aangezien hierin zo veel mooie verwijzingen naar Christus te vinden zijn. Hoe kunnen wij ten diepste begrijpen wat het betekent dat Christus als Lam voor ons gestorven is, als wij niets weten van de oudtestamentische offerdienst? Daarom wil ik graag enkele bijzondere beelden (symbolen) uit dit bijbelgedeelte met u bestuderen.

Het vleesgeworden Woord

Het reukofferaltaar moest gemaakt worden van sittimhout (acaciahout1), overdekt met goud. De sittimboom staat bekend als onverderfelijk, vanwege zijn bijzonder harde hout, en kon destijds vooral gevonden worden in de Sinaï-woestijn. Sittim is ook een plaats in de woestijn, oostelijk van de Jordaan, dat in de Bijbel vaak symbool staat voor het vlees. In Numeri 25:1 staat bijvoorbeeld: “Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochters van de Moabieten”.

Het vlees van de Heere Jezus echter was onverderfelijk, omdat Hij zonder zonde was. De dood had geen macht over Hem. Het hout waarvan het reukofferaltaar en de andere tabernakelschatten gemaakt moesten worden, verwijst dus naar de Heere Jezus als de onverderfelijke Mens. Dat Hij tevens God Zelf was, wordt in het altaar uitgedrukt door het goud, dat kostbaarheid en reinheid symboliseert. Het materiaal waaruit het reukofferaltaar gemaakt is, spreekt dus over de Heere Jezus als de God-Mens. Of, om het met de woorden van de apostel Johannes te zeggen: “Het Woord is vleesgeworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid” (Joh. 1:14).

Een heilig parfum

Welriekende specerijen moest Aäron op het reukofferaltaar aansteken tot ‘een gedurig reukwerk voor het aangezicht des Heeren’. De Heere geeft Mozes dan ook het recept voor een ‘heilig parfum’: “Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuivere wierook; dat elk afzonderlijk zij. En gij zult een reukwerk van een zalf daaruit maken, naar het werk van de apotheker, gemengd, rein, heilig” (Exod. 30:34, 35).

Mirre

Mirre is evenals olibanum een gomhars dat gewonnen wordt uit verschillende Commiphora-boompjes. Door stoomdestillatie wordt de ruwe hars bewerkt tot een dikke, lichtgele olie met een warme, zoetige geur. Behalve wierook heeft mirre nog andere toepassingen. In het Midden-Oosten wordt veel bittere mirre gekauwd ter voorkoming van ziekten en in de Afrikaanse en Chinese volksgeneeskunde wordt het vaak gebruikt om te desinfecteren. De Egyptenaren gebruikten mirre om hun mummies te balsemen. Sommige volken gebruikten het zelfs bij slechte adem en tandproblemen. Het hoeft daarom ook niemand te verbazen dat Salomo vol lof spreekt over dit kostbare goed. Hij vergelijkt ‘zijn Liefste’ met een ‘bundeltje mirre’ (Hoogl. 1:13). En in het vervolg van Salomo’s liefdesepos zegt de bruid over haar bruidegom: “Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre” (5:13).

De Heere Jezus werd in Zijn leven twee keer mirre aangeboden. De eerste keer ontving Hij het samen met goud en wierook als geschenk van de wijzen uit het oosten. Veel theologen worstelen met de betekenis van deze geschenken. De meest gangbare gedachte is dat het goud verwijst naar het koningschap van de Heere Jezus en de wierook naar Zijn priesterschap. De mirre wijst dan vooruit op Zijn werk als de lijdende Profeet. Interessant is natuurlijk de vraag waarom deze wijzen Hem geschenken brachten. Wisten zij soms al dat de Heere Jezus het vleesgeworden Woord was, terwijl zij nota bene uit een andere cultuur kwamen dan de Joodse? De Bijbel vermeldt het ons niet.

Volgens verschillende naslagwerken kwamen deze wijzen uit het oude Perzië, waar zoroatrisme de belangrijkste godsdienst was. De beroemde ontdekkingsreiziger Marco Polo beweerde hun graven te hebben gezien in Teheran (Iran). In de oude christelijke traditie waren zij magiërs en astrologen. Zij zochten de geboren Koning der Joden omdat zij een ster hadden gezien in het oosten (Mat. 2:2). Hier in het westen is de gedachte ontstaan dat deze wijzen eigenlijk koningen waren, want met de typisch oosterse begrip ‘magiërs’ weten wij ons eigenlijk geen raad.

Hoe het ook zij, de Heere ontvangt van deze wijzen drie kostbare geschenken, waaronder dus mirre. Dit kreeg Hij opnieuw aangeboden bij Zijn kruisiging. De Romeinse soldaten “gaven Hem wijn, met mirre gemengd, doch Hij nam die niet” (Mark. 15:23). De mirre kon het lijden verzachten, maar de Heere koos er voor om “onze smarten” volledig te dragen. Toen de Heere Jezus vervolgens begraven werd, kwam Nicodemus, de rabbi die van de Heere Jezus voor het eerst hoorde over wedergeboorte, met een mengsel van mirre en aloë om het lichaam van de Heere te balsemen (Joh. 19:39).

Het aspect van lijden en dood lijkt al van nature met mirre verbonden te zijn. De kleine bomen waaruit de meeste mirre gewonnen wordt, bevatten namelijk doornen. Is niet juist de doornenkroon het symbool van Christus’ lijden? Mirre bestaat overigens in twee soorten. Normaal gesproken is mirre bitter, het woord is dan ook afkomstig van het Arabische ‘myr’, wat ‘bitter’ betekent. Er bestaat echter ook zoete mirre, die veel zeldzamer is. Deze heeft de opmerkelijke naam ‘Jahwee’. Het lijden en sterven van de Heere Jezus was bijzonder bitter, maar het offer wat Hij daardoor bracht was zeer zoet en aangenaam voor God.

Oniche

Wat exact met dit tweede bestandsdeel van het heilige parfum bedoeld wordt, is mij helaas niet bekend. Ds. L. Schouten schreef in zijn boek ‘De Tabernakel’ (Utrecht, 1887):
“Wij verenigen ons in deze met Bähr, die de voornaamste Joodse uitleggers, zoals Jarchi, Kimchi, Rabbi, Elias, en anderen, op zijn hand heeft, en die hier ook, evenals bij de drie andere reuksoorten, aan een soort boomhars, of gom, denkt, dus aan iets uit het plantenrijk, ofschoon niet met volkomen zekerheid kan worden uitgemaakt aan welke gomboom of gomstruik wij te denken hebben. De beroemde Samuël Bochart, in zijn geleerd werk ‘Hierozoicon’ H. 5, 20, pag. 803 enz. houdt het er voor, dat de oniche van de struik Bdellion kwam. Maar, gelijk ik zeide, volkomen zekerheid bestaat in deze niet”.

Galban

Galbanum, zoals deze harsgom genoemd wordt in moderne vertalingen, is één van de oudste drugs ter wereld en komt oorspronkelijk uit Perzië. Het werd veel gebruikt als geneesmiddel, maar tegenwoordig vormt het een belangrijke grondstof voor parfums. Volgens veel Joodse geleerden heeft het een bittere smaak en een afschuwelijke geur en staat het daarom symbool voor onbeleden zonden. Dit kan echter niet juist zijn, omdat het heilige parfum uit ‘welriekende specerijen’ moest bestaan. Er ging juist een zoete geur van de wierook uit en is zoetigheid niet vaak een beeld van Gods heerlijkheid? Zoals David schreef: “Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in de HEERE verblijden” (Ps. 104:34).

Een heilig reukwerk

We beseffen het vaak niet, maar na de ark des verbonds was het reukofferaltaar het belangrijkste onderdeel van de tabernakel, “het is heiligheid der heiligheden den HEERE!” (Exod. 30:10). Dat blijkt ook wel uit de voorschriften waaraan de priesters zich moesten houden. Het reukwerk moest rein en heilig zijn (vs. 35), diegene die het voor zichzelf wilde maken “die zal uitgeroeid worden uit zijn volken” (vs. 38). Het reukoffer was enkel en alleen voor God. Bij het stoken van de wierook mocht ook geen vreemd vuur gebruikt worden, dus geen ander vuur dan het vuur van het koperen altaar. Hoe heilig dit gebod voor God was, blijkt wel uit de geschiedenis van Nadab en Abihu. Zij “namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en legden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN, wat Hij hun niet geboden had. Toen ging een vuur uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht des HEEREN” (Lev. 10:1).

Het reukwerk symboliseert de gebeden van Israël. Zoals David schreef: “Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht” (Ps. 141:2, vgl. Openb. 5:8). Via het reukofferaltaar, dat in de voorhof stond, kon Israël dicht tot God komen, maar er bleef altijd een afstand, door het voorhangsel dat de voorhof afscheidde van het Heilige der Heilige. De hogepriester mocht als enige van het volk hier binnengaan, hoewel slechts eenmaal per jaar, maar zonder zijn schitterende opperkleed en zonder de prachtige borstplaat waarop de 12 stammen van Israël vertegenwoordigd werden. Israël kon nog niet vrij tot God naderen. De Hogepriester van het Nieuwe Verbond, de Heere Jezus Christus, kon dat wél. Nu vinden we het gouden altaar voor de troon van God, zo blijkt uit het boek Openbaring waar we lezen over een engel, “hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is” (Opb. 8:3).

De Heere hecht veel waarde aan onze gebeden. Hij wil door ons gedankt, geloofd en gekend worden. Het gebed is dan ook niet in eerste instantie voor onszelf, maar voor de Heere! Het is een reukoffer voor Hem en dat vereist dat wij hier in alle eerbied, als heiligen mee omgaan. Om die reden heb ik, om eerlijk te zijn, wel eens moeite met bidden uit gewoonte. We vervallen zo snel in een standaardgebed, wat uit gewoonte gebeden wordt en niet uit het hart. We verschijnen voor het aangezicht des Heeren zonder dat we werkelijk een gebed op ons hart hebben. Daarvoor is God mij te heilig, dan zwijg ik liever. Hoewel, dat geef ik toe, er altijd reden is om Hem te danken en er genoeg is om voor te bidden. “Bidt zonder ophouden”, vermaant de apostel Paulus ons zelfs (1 Thess. 5:17). Desondanks is het goed te beseffen dat het gebed toewijding vereist. Er worden tegenwoordig veel 24-uurs en 40-dagen gebedsdiensten georganiseerd. Ik wil en kan er niet negatief over spreken, want ik kan niet in de harten kijken van de mensen die hier aan deelnemen. Maar mij bekruipt de gedachte dat mensen geloven dat er meer kracht uitgaat van een lang gebed. Dat geloof ik niet. Het is goed om de wijze raad van de Heere Jezus in gedachte te houden: “als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden” (Matt. 6:7). God verhoort de gebeden die uit een oprecht hart voortkomen, een toegewijd hart waarin Hij inwoning heeft.

De reuk van Christus

Voor ons als gelovigen liggen er rijke geestelijke lessen verborgen in Exodus 30. Want zoals er een heilige geur uitging van het gouden altaar, zo behoren ook wij een heilige geur te verspreiden: de geur van Christus. Paulus schrijft dat in 2 Korinthe 2:14-16: “Gode zij dank, Die ons allen tijd doet triomferen in Christus, en de reuk van Zijn kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in hen, die zalig worden, en in hen, die verloren gaan. Dezen wel een reuk des doods ten dode; maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?” Deze ‘goede reuk van Christus’ kan niet met de neus geroken worden, zoals de geur van bloemen, maar enkel met het hart. Het bestaat evenals het heilige reukwerk van het gouden altaar uit meerdere ingrediënten: “liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing” (Gal. 5:22). Inderdaad, de vrucht van de Geest. Niet de vruchten (meervoud), maar de vrucht – want het is één parfum. Bij gebrek aan één van deze ingrediënten is het niet langer de heilige, goede reuk van Christus.

Voordat wierook ten volle geroken kan worden, moet het eerst met vuur worden aangestoken. Zonder vuur is het onmogelijk wierook te offeren. Nu is vuur in de Bijbel vaak een beeld van de Heilige Geest. Zo kunnen wij zonder de Heilige Geest in ons onmogelijk de heerlijke geur van Christus verspreiden. En zoals we gelezen hebben in Exodus 30 was het strikt verboden om vreemd vuur te gebruiken voor het reukofferaltaar. Ook wij mogen geen vreemd vuur gebruiken, dat wil zeggen dat we ons niet moeten inlaten met andere, wereldse, geesten. Eveneens mogen wij geen vreemd geurwerk gebruiken, enkel de vrucht van de Geest moet in ons gezien worden, anders verliest de geur van Christus zijn kracht.

Is het onmogelijk om de geur van Christus te verspreiden? Ja en nee. Dit oude, zondige lichaam beperkt ons om deze geur, heilig en puur te verspreiden. Toch roept Paulus ons er wel toe op, al is het niet makkelijk. Niet voor niets vraagt hij: “wie is tot deze dingen bekwaam?” Zoals van de priesters die het reukofferaltaar bedienden, toewijding verreist werd, zo wordt ook van de gelovigen toewijding verwacht, als zijnde een koninklijk priesterdom en een heilig volk (1 Petr. 2:9). Zowel zij die verloren gaan, als zij die behouden worden ruiken, zien, horen en smaken als het goed is Christus in ons (2 Kor. 2:15). Ook als wij Joodse mensen jaloers willen maken, tot hun behoud, laat ons dat dan niet alleen doen door de woorden die wij spreken, maar ook door onze heilige levenswandel waaruit onze eerbied blijkt voor de God van Abraham, Isaak en Jacob.

Voetnoot
1) De acacia die wij in Nederland kennen, draagt eigenlijk ten onrechte deze naam en wordt daarom ook wel ‘valse acacia’ genoemd.

Sluiten