Elisa en de Sunamietische

Bijbelse personen | Oud Testament | Typologie en beelden Tekst, Hugo Bouter

De apostel Paulus schrijft met betrekking tot de geschiedenis van Israël: “Dit is hun overkomen tot een voorbeeld voor ons en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is” (1 Cor. 10:11). Zo ook de geschiedenis van Elisa en de Sunamietische, die zowel profetische vergezichten ten aanzien van Israëls herstel als persoonlijke geestelijke lessen voor ons als christenen bevat.

“Elisa had gesproken tot de vrouw wier zoon hij weer levend gemaakt had: Maak u gereed en ga heen, gij met uw gezin, en vertoef in den vreemde, waar gij maar kunt, want de HEERE heeft een hongersnood opgeroepen. (En deze is inderdaad over het land gekomen, zeven jaren lang.) Toen maakte die vrouw zich gereed en deed naar het woord van de man Gods; zij ging heen, zij met haar gezin, en vertoefde als vreemdeling in het land der Filistijnen, zeven jaren lang. Aan het eind van die zeven jaren keerde de vrouw terug uit het land der Filistijnen, en ging de hulp van de koning inroepen met het oog op haar huis en haar akker. De koning was juist in gesprek met Gehazi, de knecht van de man Gods, en had gezegd: Vertel mij toch al de grote daden die Elisa verricht heeft. Terwijl hij bezig was de koning te vertellen, dat deze een dode levend had gemaakt, riep daar juist de vrouw wier zoon hij levend had gemaakt, de hulp in van de koning met het oog op haar huis en haar akker. Toen zei Gehazi: Mijn heer de koning, dit is de vrouw en dit is haar zoon, die Elisa levend gemaakt heeft. De koning ondervroeg daarop de vrouw en zij vertelde het hem; toen gaf de koning haar een hoveling mee en zei: Zorg, dat al wat haar toebehoort teruggegeven wordt, benevens de gehele opbrengst van de akker sedert de dag waarop zij het land verliet tot nu toe” (2 Kon. 8:1-6).

Herstel na ballingschap

Dit verhaal naar aanleiding van één van de wonderen van de profeet Elisa is een duidelijk bewijs van Gods liefdevolle zorg voor allen die Hem kennen en toebehoren. Hij heeft alle omstandigheden in Zijn machtige hand. De Sunamietische, die had geluisterd naar het woord van de man Gods, werd uiteindelijk rijk gezegend in het Beloofde Land. Dat is nog steeds zo in gééstelijk opzicht voor ons als christenen, doordat wij luisteren naar Gods Woord dat ons bekendmaakt met onze zegeningen in de hemelse gewesten, maar het zal in de laatste dagen in profetisch opzicht ook heerlijk worden waargemaakt aan Gods oude volk Israël. De koning herstelde de Sunamietische in al haar rechten na de periode van ballingschap in het land der Filistijnen. Zo zal het overblijfsel van Israël door God in volle rechten worden hersteld in het Beloofde Land, wanneer de Grote Verdrukking voorbij is (zie onder).

Dat dit vervolg op de geschiedenis van de Sunamietische en haar zoon, zoals wij die vinden in 2 Koningen 4, pas in hoofdstuk 8:1-6 wordt beschreven, kan meerdere oorzaken hebben. De tijd van honger, die zeven jaar heeft geduurd, omspande wellicht de gebeurtenissen die in de tussenliggende hoofdstukken worden beschreven. Wij lezen immers reeds in hoofdstuk 4:38 vv. dat er honger in het land was, mogelijk veroorzaakt door een aanhoudende droogte. De hongersnood zal door de jarenlange conflicten met de Syriërs, en door andere rampen (vgl. Ezech. 14:21), alleen maar verergerd zijn. Verder was er kennelijk een ándere koning aan het bewind gekomen dan de onverschillige Joram, die juist weinig interesse had getoond voor de grote daden van Elisa (vs. 4). Wij kunnen denken aan Jorams opvolger, koning Jehu, die zijn aanstelling te danken had aan de profeet Elisa en daarom zeer geïnteresseerd zal zijn geweest in de wonderwerken van de man Gods (2 Kon. 9:1 vv.).

Toen de zeven jaren van hongersnood aanbraken (vgl. ook Gen. 41:25 vv.), had Elisa de Sunamietische direct gewaarschuwd en haar de raad gegeven om uit te wijken naar het buitenland. Hij had er niet bij gezegd waar zij moest heengaan, dat mocht zij zelf beslissen (“waar gij maar kunt”, vs. 1). Zij handelde naar het woord van de man Gods, zij met haar gezin, en verbleef als vreemdeling in het land der Filistijnen (vs. 2). Door deze keuze te maken, wandelde zij ook in de voetsporen van de aartsvaders Abraham en Izak (Gen. 26:1). Zij bleef daar echter níet langer dan nodig was. Aan het eind van die zeven jaren keerde de vrouw terug uit het land der Filistijnen (vs. 3). Dit tekende haar gehoorzaamheid aan het woord van de man Gods, en het is ook een les voor ons. Zijn wij voortdurend gehoorzaam aan Gods bevel? Luisteren wij ook na een lange tijd van beproeving nog naar Zijn stem?

Als christenen zijn wij in feite ook vreemdelingen in een vreemd land, want ons burgerschap is in de hemelen (Fil. 3:20). Wij leven eveneens in een tijd waarin het oordeel begint bij ‘het huis van God’ (1 Pet. 4:7; Opb. 2-3), omdat het van Hem is afgeweken en tot afgoderij is vervallen. Wij zijn eveneens omringd door vijanden, die Gods volk verdrukken. De Filistijnen zijn een beeld van naambelijders, die ten onrechte aanspraak maken op het erfdeel dat God Zijn kinderen heeft toegezegd. Maar zelfs in zo’n moeilijke situatie weet God voor ons te zorgen. Hij laat ons niet in de steek en toont de weg door ‘het woord van de man Gods’, door het betrouwbare en blijvende Woord van de grote Profeet, Jezus Christus. “Het Woord van Christus wone rijkelijk in u” (Kol. 3:16). Gods Woord wijst ons de weg in de zware tijden die de laatste dagen van de christelijke bedeling kenmerken (2 Tim. 3:1).

Gods voorzienigheid

Dit gedeelte bevat trouwens meerdere treffende voorbeelden van Gods voorzienigheid. Het was de HEERE die deze langdurige hongersnood opriep om Zijn volk te tuchtigen. De honger wordt in vers 1 eigenlijk gepersonifieerd. God riep hem naderbij als Zijn dienaar (vgl. Amos 7:4). Hij heeft de beschikking over alle dingen in de schepping (zoals ook Jona ondervond). Hoewel Hij Zich min of meer verborgen hield (zoals later speciaal zou blijken in het boek Esther), zorgde Hij te midden van de beproeving toch voor hen die Hem vreesden en voor Zijn Woord beefden. We herkennen hierin duidelijk een beeld van het gelovig overblijfsel van Israël, dat toen, maar ook in de toekomst – zo zullen we verderop in het artikel zien – door de Heere wordt bewaard. Hun beven voor het Woord, evenals hun verdrukkingen beschrijft Jesaja 66:5: “Hoort het woord des HEEREN, gij die voor Zijn woord beeft: Uw broeders die u haten, die u verstoten om mijns naams wil, zeggen: Dat de HEERE Zijn heerlijkheid tone, opdat wij uw vreugde aanschouwen. Maar zij zelf zullen beschaamd staan”.

Bij de terugkeer van de Sunamietische zien wij een volgend bewijs van Zijn zorgende liefde. Hij had de omstandigheden in Zijn hand en leidde het zo dat er een ontmoeting plaatsvond tussen de Sunamietische en de koning van Israël, terwijl deze (schijnbaar toevallig) juist in gesprek was met Gehazi over de grote daden van Elisa en had vernomen dat de profeet een dode levend had gemaakt (vs. 4-5).

De grote daden van de man Gods

Het wekt enige bevreemding dat wij hier lezen over een gesprek tussen de nieuwe koning van Israël en Gehazi. Deze wordt nog steeds ‘de knecht van de man Gods’ genoemd (vs. 4); en er wordt met geen woord gerept over zijn melaatsheid. Het is echter duidelijk dat hij niet meer in de nabijheid van Elisa verkeerde; hij was niet meer in dienst van de profeet. Hij vertelde de koning op diens verzoek over de grote daden van de profeet. Dit gesprek kan hebben plaatsgehad voor de poort van Samaria (vgl. 7:3), de plaats waar het openbare leven zich afspeelde en waar werd rechtgesproken. We weten trouwens dat Gehazi op grond van de wet op de melaatsheid rein verklaard kon worden (Lev. 13:13), en dus weer kon deelnemen aan het maatschappelijke leven. Een andere veronderstelling is dat het gesprek tussen de vroegere knecht van de profeet en de koning heeft plaatsgehad in de buurt van Jizreël, de tweede residentie van de koningen van Israël. Deze plaats lag dicht bij Sunem, en de Sunamietische kon daar gemakkelijk de hulp van de koning inroepen na haar terugkeer uit het land der Filistijnen.

Van meer belang voor ons is echter het onderwerp van het gesprek. De koning informeerde naar “al de grote daden” die Elisa verricht had (vs. 4). Deze wonderen trekken ook onze aandacht en wij kunnen erover nadenken in het licht van het Nieuwe Testament. De grote daden van de profeet spreken van de machtige werken van onze Heere Jezus Christus, de ware Man Gods. Er is niemand zoals Hij. Hij redt en bevrijdt. Hij schenkt leven en overvloed. Hij verbreekt de macht van de zonde en de dood. De Evangeliën getuigen volop van de grote daden van de Heere Jezus. Om het met Zijn eigen woorden te zeggen, die Hij uitsprak tegenover de boodschappers van Johannes de Doper: “Gaat heen en bericht Johannes wat u hebt gezien en gehoord: blinden kunnen weer zien, kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het Evangelie verkondigd” (Luc. 7:22). Evenals Elisa trok Hij door het land, terwijl Hij goeddeed en overal heil verspreidde (Hand. 10:38). Vooral de evangelist Johannes beklemtoont het tékenkarakter van Zijn grote daden. De vele wonderen die de Heere Jezus verrichtte, waren even zovele tekenen voor het ongelovige volk. Johannes maakte een selectie uit de talrijke wondertekenen en schreef die op, “opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam” (Joh. 20:30-31).

Als wij een parallel trekken tussen de grote daden van Elisa en die van de Heere Jezus, dan denken wij hier met name aan het feit dat Hij de macht van de dood heeft overwonnen. Elisa had een dode levend gemaakt, zo kon Gehazi getuigen tegenover de koning. En wat een wonder dat juist op dat moment de Sunamietische en haar zoon op audiëntie kwamen bij de koning! Verbaasd riep de knecht van de profeet het uit: “Mijn heer koning! Dit is de vrouw en dit is haar zoon, die Elisa heeft levend gemaakt” (vs. 5). Daarop ondervroeg de koning de vrouw en zij vertelde het hem (vs. 6). Zij kon het relaas van Gehazi volmondig bevestigen. Haar zoon, die door Elisa was opgewekt, was het levende bewijs van de wondermacht van de man Gods.

Christus heeft de macht van de dood echter voorgoed overwonnen. Hij is de grote Overwinnaar over zonde, dood en satan. Hij is Mens geworden en Hij heeft Zich met ons één gemaakt op het kruis van Golgotha, “opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor de dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren” (Hebr. 2:14-15)NBG. Reeds tijdens Zijn omwandeling op aarde toonde Hij Zijn macht over de dood, doordat Hij minstens driemaal een dode opwekte. Dit was als het ware een voorproef van wat Hij tot stand zou brengen na Zijn eigen opstanding uit de doden. “Doden worden opgewekt.” Spoedig komt het ogenblik dat de Heere Jezus ook onze sterfelijke lichamen levend zal maken door Zijn Geest die in ons woont. Wij hebben een lévende Heere en Heiland. Kunnen wij getuigen van al de grote daden die Hij heeft verricht? Horen de mensen ons spreken over “de grote daden van God” (Hand. 2:11)? Die grote daden vinden hun centrum in de dood en opstanding van Christus Zelf!

De tijd van het herstel

Laten wij nu weer teruggaan naar het verhaal van de Sunamietische. God had het zo geleid dat zij precies op het juiste moment de hulp van de koning inriep met het oog op haar huis en haar akker. Wij weten niet precies wat de aard was van de problemen die zij ondervond bij haar terugkeer als vreemdeling uit het land der Filistijnen. Het kan zo zijn dat anderen zich van haar bezittingen hadden meester gemaakt, of dat de pachter geen huur wilde betalen. Het is ook mogelijk dat haar bezit in beheer was gekomen bij de koninklijke domeinen en dat zij nu haar eigendom kwam opvragen bij de koning. In ieder geval reageerde de koning na het bijzondere gesprek dat zojuist had plaatsgehad, zeer welwillend op haar verzoek. De Sunamietische kreeg niet alleen terug alles wat haar toebehoorde, maar zij ontving bovendien de gehele opbrengst van de akker vanaf de dag waarop zij het land had verlaten (2 Kon. 8:6). Tijdens de zeven jaren van honger had het land dus toch wel wat opgebracht. Maar in de vruchtbare vlakte van het land der Filistijnen was het minder moeilijk geweest voor de Sunamietische om de hongersnood te overleven.

Haar terugkeer naar het land werd dus door God op buitengewone wijze gezegend, en zij werd hersteld in al haar rechten. Hij gaf haar een volledige vergoeding voor de jaren van vreemdelingschap. Dit volledige herstel doet denken aan wat de profeet Joël later zou optekenen als een bijzondere belofte van Gods kant: “En gij, kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de HEERE, uw God, want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja, regenstromen laat Hij voor u nederdalen, vroege regen en late regen, zoals voorheen. De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen. Ik zal u vergoeden de jaren, toen de sprinkhaan (alles) opvrat, de verslinder en de kaalvreter en de knager, Mijn groot leger dat Ik op u afzond. Gij zult volop en tot verzadiging eten, en gij zult loven de naam van de HEERE, uw God, die wonderbaar met u gehandeld heeft; Mijn volk zal nimmermeer te schande worden. Dan zult gij weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik, de HEERE, uw God ben, en niemand anders; Mijn volk zal nimmermeer te schande worden” (Joël 2:23-27).

Deze belofte van zegen, die natuurlijk voor het volk Israël is bestemd, kunnen wij in gééstelijk opzicht natuurlijk toepassen op onszelf als gelovigen. Als wij na een tijd van gebrek en van schaarste terugkeren naar het ‘Beloofde Land’, het erfdeel dat ons in Christus is geschonken in de hemelse gewesten (Ef. 1:3 vv.), dan zal God ons de jaren van beproeving rijkelijk vergoeden. Hij zal ons herstellen in onze rechten als Zijn kinderen en ons weer ten volle doen genieten van alle zegeningen in de hemel. Terwijl wij in de Sunamietische zelf de gedachte van terugkeer en herstel zien, is met haar zoon meer de gedachte van reveil en opwekking verbonden. Hij staat hier immers op de voorgrond als degene die door Elisa was lévend gemaakt. Dat is ook een belangrijk aspect: een tijd van herstel is een tijd van opwekking.

Profetische betekenis

Wij willen nu vooral aandacht schenken aan de profetische betekenis van dit gedeelte voor het overblijfsel van Israël in de eindtijd. Want na de beproevingen van Daniëls laatste jaarweek (ook een periode van zeven jaar!), zal er een tijd van volledig herstel aanbreken voor Gods volk. Het zijn de tijden van verkwikking, de tijden van de herstelling van alle dingen, waarover Petrus reeds sprak in het boek Handelingen (3:19-21). Het volk Israël zal volledig worden hersteld in het Beloofde Land. Hun aanneming zal niets minder zijn dan een opwekking, het leven uit de doden (Rom. 11:15; vgl. Ezech. 37).

Er valt ook nog een parallel te trekken tussen Gods zorg voor de Sunamietische en dat wat wij lezen over de vrouw in Openbaring 12, die een beeld van Israël is. Zoals de eerste in de jaren van hongersnood een schuilplaats vond in het vreemde land, vindt de laatste bescherming in de woestijn, waar zij wordt gevoed een tijd en tijden en een halve tijd (d.i. de tweede helft van de laatste jaarweek, de periode die bekendstaat als de Grote Verdrukking). God zorgt ook in de tijd van de grootste benauwdheid voor het overblijfsel van Zijn volk. Hij zal het verlossen uit de diepe nood waarin het in de laatste dagen zal verkeren en het ten slotte rijkelijk zegenen in het land van Zijn belofte, onder de regering van de Messias. Wat een tijd van zegen zal dat zijn.

Sluiten