Epafroditus, groot in klein zijn

Bijbelse personen | Nieuw Testament | Geloofsopbouw Tekst, Hans van de Lagemaat

De man over wie deze studie gaat, zou liever niet in een artikel geportretteerd worden. Hij deed slechts het werk van een dienstknecht. Ondanks zijn vele gaven, was hij bereid om werk te doen, waar anderen voor zouden terugdeinzen. Zijn naam komen we weinig tegen in de Bijbel. Maar wat we over hem lezen, is een getuigenis dat ook ons allen zou sieren.

Dat gevoelen zij in u

“Een ieder zie niet op het zijne, maar een ieder zie ook op het geen van de anderen is. Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was” (Fil. 2:4,5). Hetgeen volgt na deze tekst is Christus’ zelfvernedering gevolgd door Zijn verhoging. En van die zelfvernedering zegt Paulus: “dat gevoelen zij in u”.
“Hij heeft Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis” (vs. 8). Dat was een vernedering tot het uiterste. Dat was het gevoelen, hetwelk in Christus Jezus was. En daarvan schrijft Paulus: “dat gevoelen zij in u”. Niet haalbaar? Overdreven perfectionisme? U zou het me voor de voeten mogen werpen als ik zou schrijven: “dat gevoelen zij in u”. Maar het is Paulus die dit schrijft, geïnspireerd door Gods Geest. En hij laat ons in datzelfde hoofdstuk niet zonder een voorbeeld. In dit voorbeeld toont Paulus ons de uitwerking van dit ‘gevoelen’, deze gezindheid bij Epafroditus. Het gaat niet in de eerste plaats om de daden die hij wel of niet deed, maar om de gesteldheid van zijn hart. Dat is wat Paulus ons, heel terloops, meegeeft in de beschrijving van het karakter van deze dienstknecht van God.

Zijn naam

Epafroditus is afgeleid van Afrodite. Afrodite of Venus was de heidense godin van de liefde. Epafroditus betekent zoiets als ‘toegewijd aan Afrodite’.
Deze naam suggereert dat hij geen kind was van gelovige ouders. Degene die hem zijn naam gaf, kan geen christen geweest zijn. Je wijdt je kind toch niet aan een afgod? Maar in Paulus’ brief aan de Filippenzen lezen we van Epafroditus dat hij zeer toegewijd is aan de enige ware God. Hij moet dus ergens in zijn leven een bekering hebben doorgemaakt. Misschien had hij gehoor gegeven aan de prediking van Paulus toen deze zijn stad aandeed en daar voor de eerste maal het wonderlijke Evangelie predikte. Misschien was het later door de bediening van gelovige broeders. In elk geval noemt Paulus hem ‘mijn broeder, en medearbeider en medestrijder’ (vs. 25). Van een kind dat genoemd was naar de godin van de liefde, is hij uitgegroeid tot een man toegewijd aan de God van liefde.

Een medearbeider

Paulus noemt hem “mijn broeder, en medearbeider en medestrijder”. Om deze titels te verdienen moet Epafroditus zeer ijverig en getrouw zijn geweest in de bediening. We weten niet of hij een welsprekend man was, naar wie de menigte uitliep om hem te horen. We weten niet of hij een man met een groot verstand en machtig in de Schriften was. We weten niet of hij rijk was en grote sommen geld weggaf voor de dienst van het Evangelie. We weten niets van grote daden die hij heeft verricht. We weten alleen wat Paulus over hem schrijft. En daarmee kunnen we Epafroditus in zijn hart kijken. We zien ‘zijn gevoelen’. En dat is zoveel belangrijker dan al die grote dingen, waar grote mannen of vrouwen om worden bewonderd of waar zelfzoekers zich op willen laten voorstaan. Epafroditus zocht geen bewondering. Hij deed wat hij wist dat hij moest doen. En hij deed het ten koste van zichzelf. Epafroditus zocht zichzelf niet. Hij zocht het belang van die ander. En daarmee is hij een lichtend voorbeeld voor een ieder van ons.

Zijn dienst aan Paulus

InFilippi was op de prediking van Paulus een gemeente ontstaan. Deze gemeente had Paulus nooit vergeten. Continu dachten zij aan zijn welzijn, en probeerden zij hem te ondersteunen, zowel geestelijk als materieel. Zij hadden ‘gemeenschap in zijn verdrukking’ (4:14). En menigmaal zonden zij hem geld voor zijn levensonderhoud, in tegenstelling tot veel andere gemeenten (4:15).
En nu zat Paulus in de gevangenis van Rome. Dat was de Filippenzen ter ore gekomen. En opnieuw willen zij de dingen zenden die hij daar nodig heeft. Geld geven is één. Maar wie gaat het brengen. Het was een tijd waarin het geldverkeer niet zo eenvoudig geregeld was als in onze tijd. Het moest gebracht worden. Wie moest dit doen? Vrijwilligers vinden om een boodschap of een som geld over te brengen van het ene dorp naar het naburige dorp, of van de ene stad naar de andere in hetzelfde land, zal weinig problemen hebben gegeven. Maar wie gaat er vanuit Filippi naar Rome? Met een som geld, met alle gevaren van dien...
Hier stond Epafroditus op. Wat zijn talenten ook waren, hij was bereid om deze moeilijke taak op zich te nemen. Hij zou de lange moeizame reis ondernemen om Paulus te ondersteunen in zijn lijden en gebrek. Zo wordt Epafroditus niet alleen Paulus’ broeder, medearbeider en medestrijder, maar ook ‘afgezondene’ (apostel) van de Filippenzen en bedienaar van Paulus nooddruft (2:25).
Paulus was er blij mee. Niet in de eerste plaats om de gaven zelf. Die zocht hij niet. Nee, ook hij niet (4:17). Maar hij zocht de vrucht van het christenleven in de Filippenzen. Een vrucht die op hun eigen rekening kwam te staan. De gave die Epafroditus bracht, gaf hem een geestelijke vreugde, niet om de gave zelf, maar omdat hij er ‘een aangename offerande, Gode welbehagelijk’ in zag.

Ziekte

Epafroditus werd ziek. Hij werd ernstig ziek, ziek ‘tot nabij de dood’ (2:27). Het lijkt erop dat deze ziekte het gevolg van een zelfopofferende daad was. “Want om het werk van Christus was hij tot nabij de dood gekomen, zijn leven niet achtende” (vs. 30). Hij deed iets buitengewoon gevaarlijks; en hij deed het “opdat hij het gebrek uwer bediening aan mij vervullen zou”. Hij deed iets voor Paulus waarin de Filippenzen op zo grote afstand in gebreke moesten blijven. En hij deed het met gevaar voor eigen leven. Wat het was, kan ik zelfs niet naar gissen. Paulus laat het in het midden. Maar Epafroditus werd ziek als gevolg van volkomen toewijding en zelfopoffering. “Dit gevoelen zij in u …”

Zijn houding onder de ziekte

Angst om te sterven is heel menselijk. De dood is een vijand. Een gevaarlijke vijand. En hoewel christenen voor zichzelf mogen weten, dat het een overwonnen vijand is, kan de dood hen nog wel aangrijnzen en angst bezorgen. Hij blijft een vijand.
Epafroditus was ook beangst in zijn ziekte. Maar ook hierin zien we iets van zijn uitnemende karakter. Hij was “zeer beangst” (vs. 26), niet omdat hij ziek was tot nabij de dood, maar omdat zijn broeders en zusters in Filippi gehoord hadden dat hij ziek was! Hij was bezorgd om hen. Zij leden om hem, uit bezorgdheid. En dat bezorgde hem angst. In zijn ziekte dacht hij alleen aan hen. En dat maakte hem heel verlangend om hen weer te zien. En daarom achtte Paulus het nodig om in plaats van Timotheüs te zenden, Epafroditus direct naar Filippi terug te sturen. Hij was waarschijnlijk degene die de brief bij zich droeg en overbracht aan de Filippenzen. En daarmee is deze uitzonderlijke man tot een duizendvoudige zegen geworden. Niet alleen de Filippenzen zijn door deze brief opgebouwd in hun geloof, maar de hele gemeente tot aan deze dagen toe kan met vrucht profiteren van dit schrijven.

Denken aan een ander

Epafroditus dacht aan Paulus toen hij zichzelf aanbood om de gave van de Filippenzen over te brengen. Geen werk om veel eer mee te behalen, maar hij deed het.
Epafroditus dacht aan Paulus toen hij iets voor hem deed waardoor hij zeer ernstig ziek werd.
Epafroditus dacht aan zijn broeders en zusters in Filippi toen hij aan de poorten van de dood lag. Hij voelde als het ware hun bezorgdheid voor hem. Wellicht net hersteld ondernam hij de lange terugreis, met de brief van Paulus.
Epafroditus dacht aan het werk van Christus. “Om het werk van Christus was hij nabij de dood gekomen.”
Epafroditus dacht niet aan zichzelf.

“Dit gevoelen zij in u …”

Iemand die alleen aan zichzelf denkt, bespaart anderen de moeite om aan hem of haar te denken.
Zo was het niet met Epafroditus. Paulus dacht aan hem, en weet alleen lovend over hem te spreken. De Filippenzen dachten aan hem en waren bezorgd om hem. Zij keken verlangend uit naar zijn terugkomst. Hij was geliefd. Zij zouden zich wederom verblijden (vs. 28). God dacht aan hem! “Maar God heeft Zich over hem ontfermd.”

Het leven van Epafroditus bestond niet slechts uit het doen van goede werken, een deel van zijn vermogen wegleggen voor de dienst aan God, of anderszins. Niet uit spreken over zichzelf, of over anderen, hoe zij hun leven zouden moeten inrichten. Nee, hij stelde zijn lichaam, dus alles, “tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande” ( Rom. 12:1).

“Dit gevoelen zij in u.”

Sluiten