Getto van Warschau

Achtergronden | Antisemitisme Tekst, Leen van Dijk

Warschau

Warschau is de hoofdstad van Polen sinds 1596. De stad ligt op beide oevers van de rivier de Weichsel, tweederde op de westelijke oever, eenderde op de oostelijke. Vanaf de 15e eeuw woonden er Joden in Warschau. In de 19e eeuw groeide de Joodse bevolking snel en kreeg de stad de grootste Joodse gemeenschap in Europa, en in de 20e eeuw op New York na de grootste ter wereld. Overal in de stad woonden Joden, maar de voornaamste concentratie was in het noordelijk stadsdeel, waar veel woonkazernes stonden en sommige straten volledig door Joden werden bewoond. In 1935 besloeg de stad een oppervlakte van 144 km2 en had zij 1,3 miljoen inwoners.

Aan de vooravond van WO2 woonden er in Warschau 337.000 Joden, ongeveer 29% van de totale bevolking van de stad. Dit aantal steeg tot 445.000 in maart 1941.
Na de Duitse inval in Polen op 31 augustus 1939, bereikten de Duitse troepen de zuidelijke en westelijke delen van de stad op 8 en 9 september 1939. Binnen enkele dagen was de stad omsingeld. Warschau bood drie weken lang dapper verzet tegen het Duitse beleg, dat gepaard ging met luchtaanvallen en artilleriebeschietingen, die zware schade toebrachten aan de stad en vele mensenlevens eisten.
Tengevolge van de onophoudelijke bombardementen en beschietingen, ontvluchtten velen de stad. De burgemeester van Warschau, Stefan Starzynski, stelde Adam Czerniakow aan als voorzitter van de Joodse Raad op 23 september 1939.

Vanaf de eerste dagen van de bezetting kregen de Joden te lijden onder aanvallen en discriminatie, zoals weggestuurd worden uit rijen wachtenden op voedsel, opgepakt worden voor dwangarbeid en aanslagen op godsdienstige Joden in hun traditionele kledij. Leraren, handwerklieden, vrije beroepsbeoefenaren en medewerkers van welzijns- en culturele organisaties verloren hun baan, zonder enige compensatie, en meestal zonder perspectief op het verkrijgen van vervangende arbeid.
In november 1939 werden de eerste anti-Joodse verordeningen van kracht, zoals de verplichting een witte armband met een blauwe Davidsster te dragen, opgelegd aan alle mannen en vrouwen ouder dan 10 jaar, 1 december 1939, de verplichting Joodse winkels en bedrijven als zodanig kenbaar te maken en een verbod op het reizen per trein. Zowel Joden als Polen moesten hun radiotoestellen inleveren.

De hardste maatregelen betroffen een serie verordeningen van economische aard, zoals het verbod voor niet-Joden om Joodse ondernemingen te kopen of te huren zonder speciale vergunning, welk verbod werd uitgevaardigd door district gouverneur Ludwig Fischer op 17 oktober 1939.
In november 1939 volgden meer decreten betreffende geldzaken van Joden. Zij moesten hun geld storten op geblokkeerde bankrekeningen. De bank mocht aan de rekeninghouder niet meer dan 250 zloty’s per week beschikbaar stellen. Deze bevelen maakten het de Joden onmogelijk in het openbaar economische activiteiten te bedrijven, zeker buiten de eigen Joodse kringen. Bovenop deze maatregelen besloten de Duitsers tot de onteigening van Joodse ondernemingen, uitgezonderd winkeltjes in de Joodse wijk. Joodse managers en stafpersoneel werden vaak weggestuurd, zij konden alleen in functie blijven als dat naar de zin was van de nieuwe eigenaars.
Al in dit vroege stadium van de bezetting betekende in het verleden opgebouwd vermogen voor de Joden de voornaamste bron voor overleven. Joden met tegoeden of bezittingen die erin waren geslaagd deze in veiligheid te brengen, begonnen zaken te ruilen voor voedsel, - een praktijk die de hele oorlog zou blijven bestaan. Naarmate de tijd verstreek werden de Joodse bezittingen en ruilmiddelen steeds schaarser, zodat steeds meer Joden aan de bedelstaf raakten en de langzame dood door verhongering en uitputting zagen naderen.

Waar vóór de oorlog tal van maatschappelijke organisaties hadden bestaan, liet de bezetter nu nog maar twee soorten instituties toe: de Joodse Raad en liefdadigheidsinstellingen. De Judenrat was een nieuw lichaam, opgezet door de Duitsers, in plaats van de traditionele Raad voor de Joodse Gemeenschap. Op 4 oktober 1939 werd Adam Czerniakow meegenomen naar het hoofdbureau van de Gestapo en Politie aan de Aleja Szucha, waar hij te horen kreeg dat hij een raad van 24 personen moest benoemen die hijzelf zou voorzitten.
Het hoofdbureau van de Judenrat was gevestigd aan de Grzybowska Straat en onder de leiders die daar werkten waren: Jaszunski, Sztoclcman, Milejkowski, Lichtenbaum, Zabludowski, Kobryner, Zundelewicz, Rozensztat, Kupczyker, Zygielbojm, Sztokhamer, Dr Szoszkies en Gepner. De Judenrat was het enige officiële orgaan waarmee de Duitsers wensten te spreken over aangelegenheden van de Joden, waardoor ze hen in een wurggreep konden houden. Op zijn hoogtepunt werkten 6.000 mensen voor de Judenrat.
Al snel werd duidelijk dat het aantal hulpbehoevenden groeide en dat een organisatie nodig was om te voorzien in de behoeften van de hele Joodse bevolking. De American Joint Distribution Committee steunde de ZTOS (Joodse Onderlinge Hulporganisatie) bij haar hulp aan 250.000 Joden tijdens het Paasfeest van 1940. De belangrijkste steun aan de massa hongerige mensen waren de gaarkeukens, die een kom soep en een stuk brood verstrekten aan iedereen die zich meldde. Op het hoogtepunt van deze hulpverlening bestonden er meer dan 100 van dergelijke soepkeukens in Joods Warschau.

In maart 1940 volgde een golf van berovingen en molestaties van Joden door Poolse bendes. Joden werden midden op straat beroofd zonder dat omstanders te hulp schoten. In de Paastijd groeiden deze aanvallen uit tot een pogrom, dat acht dagen duurde, en waaraan pas een eind kwam toen de Duitse autoriteiten daartoe het bevel gaven.

De SS deed een eerste poging om een getto op te richten in november 1939, maar het plan werd geblokkeerd door de militaire gouverneur generaal Karl Ulrich von Neumann-Neurode. In februari 1940 echter kreeg Waldemar Schön, de man die in Duitse districtsbestuur belast was met ontruimingen en herhuisvesting, opdracht om een plan op te stellen voor de inrichting van een getto. Verschillende mogelijkheden werden onderzocht, waaronder de verhuizing uit het centrum naar de buitenwijk Praga.

Op 12 oktober 1940, Grote Verzoendag, kregen de Joden te horen dat er een getto zou worden gevormd. Een paar dagen later werd een plattegrond gepubliceerd waarop de grenzen van het getto waren aangegeven. De gettovorming betekende dat 113.000 Polen moesten verhuizen uit het gebied en dat 138.000 Joden hun plaats zouden innemen. Ongeveer 30% van de bevolking van Warschau werd opeengepakt op 2,4% van het oppervlak van de stad.
Midden november 1940 werd het Joodse getto van Warschau afgegrendeld door een hoge muur. De bouw nam vele maanden in beslag. Het werk werd uitgevoerd door het bouwbedrijf Schmidt & Münstermann, gevestigd op het adres Mars Straat 8/3. Dit bedrijf werkte later werkte aan de bouw van het vernietigingskamp Treblinka. De muur om het getto was 3,5 meter hoog, aan de bovenkant waren glasscherven en prikkeldraad aangebracht. De nazi’s gebruikten niet de term getto, maar spraken van Jüdischer Wohnbezirk (Joodse Wijk).

Er werd een Jüdischer Ordnungsdienst ("Joodse Ordedienst" / Joodse politiemacht) opgericht, die bestond uit maximaal 2.000 leden.
De chef van de Jüdischer Ordnungsdienst was Josef Szerynski, een Poolse hoge politieofficier die zich had bekeerd tot het Christendom. Hij veranderde zijn naam in Szenkman en ontwikkelde zich tot een antisemiet. Na zijn arrestatie in mei 1942, nam zijn vervanger Jakob Lejkin, tijdelijk het bevel over de Jüdischer Ordnungsdienst over. Deze organisatie speelde een belangrijke rol in de "grote deportatie actie" in de zomer van 1942.
Het dagelijkse voedselrantsoen dat de Joden in Warschau kregen bevatte 181 calorieën – zowat een kwart van dat van de niet-Joodse Polen, en maar 8% van de voedingswaarde van wat de Duitsers ontvingen op hun officiële voedselbonnen.
In november 1940 werd het getto afgegrendeld. Er waren toen al 445 mensen gestorven in het getto. Het dodental liep daarna snel op: in januari 1941 stierven 898 mensen, in april 2.061, in juni 4.290 en in augustus 5.560. Het maandcijfer schommelde daarna steeds tussen de vier- en vijfduizend, zolang als het getto heeft bestaan.
De betrekkingen vanuit het getto met de buitenwereld liepen via de Transferstelle, een Duitse instelling die zorgde voor het goederenverkeer uit en naar het getto. Dit bureau stond in het begin onder leiding Alexander Palfinger, later werd hij opgevolgd door een zekere Bischof.

In mei 1941 werd een Berlijnse procureur. Heinz Auerswald. aangesteld als Kommissar van de Joodse wijk, uit naam van de Duitse autoriteiten. Auerswald's functie in het Joodse stadsdeel liep parallel met die van Ludwig Leist, de commandant van de hele stad. Czerniakow werd hoofd van de wijk. Auerswald's bureau hield ook toezicht op de Transferstelle en regelde alle Joodse aangelegenheden. Natuurlijk bleven de politie en de SS zich er regelmatig mee bemoeien.
In de zomer van 1941 werden ongeveer 11.300 bewoners van het getto naar werkkampen gestuurd in Warschau, Lublin en Krakau, waar zij tot slopende arbeid werden gedwongen, en waar zij te lijden hadden onder honger, barre sanitaire condities en een niets ontziende discipline.
Een ander brandpunt van gezag en macht in het getto van Warschau stond bekend als de "13", dat zijn naam ontleende aan het adres van zijn hoofdkwartier in de Leszno Straat. Het "13" netwerk werd in nauw verband gebracht met de naam van zijn oprichter en drijvende kracht Abraham Gancwajch, en de groep mannen in zijn omgeving. Gancwajch en de meeste van zijn oudere helpers woonden pas kort in Warschau, waar zij als vluchtelingen terecht waren gekomen.
Het belangrijkste onderdeel van het "13" netwerk (opgericht in december 1940) was het "Bureau voor Inzet en Profijt voor de Krijgsvoering in de Joodse Wijk van Warschau", en een eenheid belast met het toezicht hierop. De 300-400 man van "13" droegen gepoetste laarzen, petten met een groene band (de reguliere politie droeg blauwe) en epauletten en sterren ter indicatie van hun rang. Hun gezag ontleenden zij aan de opdracht die ze hadden ontvangen van sleutelfiguren bij de bezetter, in het bijzonder in kringen van de SD (Sicherheitsdienst). Het waren gewoon collaborateurs.

In mei 1941 zette Gancwajch’s bureau een Eerste Hulpdienst op, een soort EHBO. Gancwajch bevorderde eveneens de oprichting van een dienst voor het toezicht op maten en gewichten binnen het getto, een organisatie voor invalide veteranen van de gevechtshandelingen in 1939, en culturele en godsdienstige genootschappen.
Twee vluchtelingen uit Lodz, Kohn en Heller, behoorden een tijdlang tot de groep rond Gancwajch. Op zeker moment braken zij met hem en begonnen op eigen houtje, maar ze bleven opereren onder Duitse bescherming die zij vonden in kringen van de Gestapo. Kohn en Heller zetten verschillende commerciële ondernemingen op, zoals de houten paardentram die passagiers vervoerde binnen het getto. Kohn en Heller wisten hun macht langer te handhaven dan Gancwajch en de zijnen. In juli 1941 hief Auerswald het voornaamste machtsbastion van Gancwajch, het "Bureau voor Inzet en Profijt voor de Krijgsvoering" op. Wat precies de reden is waarom Gancwajch de competitie met de Judenrat verloor, is niet te achterhalen. Het is niet bekend wat er verder met Gancwajch is gebeurd.
Duitse industriëlen verschenen in het getto in de zomer van 1941, nadat zij toestemming hadden gekregen voor activiteiten in Warschau en omgeving. Als eerste meldde zich in juli 1941 Bernard Hallmann, de eigenaar van een tapijtfabriek. In september 1941 werd een bontproducent uit Danzig, het bedrijf van Fritz Schulz, actief in het getto. De belangrijkste zakenman was textielbaron Walther Többens, die zijn activiteiten in de herfst startte. Aanvankelijk plaatsten Duitse bedrijven orders bij bestaande Joodse ateliers, maar weldra richtten zij hun eigen ateliers op in het getto.

De smokkelhandel vond op verschillende manieren plaats: via gebouwen die in contact stonden met gebouwen aan de “Arische” kant van de muur, door gecamoufleerde openingen in de muur en via de riolen. Smokkel vond op groter schaal plaats rond de poorten van het getto. Zowel Duitse en Poolse als Joodse politiemensen waren daarbij betrokken. Omkoping was aan de orde van de dag. Kinderen en vrouwen waren op kleinere schaal eveneens bij dit levensgevaarlijke werk betrokken. Dagelijks werden er smokkelaars betrapt, wat zij met hun leven betaalden. Volgens Czneriakow bestond 80% van het noodzakelijke voedsel in het getto uit smokkelwaar.

Om te overleven moest je jezelf zien te helpen, want de Duitsers beoogden met hun voedseldistributiebeleid een massale sterfte in het getto. Een Poolse bron berekende voor de verschillende bevolkingsgroepen de volgende rantsoeneringen in 1941: Duitsers 2.613 calorieën, Polen 699 calorieën, Joden slechts 184 calorieën. De voedingswaarde van het voor Joden vastgestelde rantsoen was 15% van het minimum dat iemand per dag nodig heeft om te overleven.
In december 1941 schatte Czerniakow dat er ongeveer 10.000 gettobewoners waren met vermogen, 250.000 die zich konden bedruipen en 150.000 armlastigen. Slechts door al hun bezittingen te verkopen konden de meeste gettobewoners in leven blijven. Het cruciale probleem was het voorkomen van ondervoeding van de 150.000 behoeftige Joden. Daartoe werden soepkeukens georganiseerd, die dagelijks gratis een middagmaal verstrekten (met een caloriewaarde van 600-800). Maar natuurlijk hielp dit niet afdoende tegen verhongeren… Totdat de Verenigde Staten aan de oorlog gingen deelnemen, in december 1941, was de voornaamste bron voor hulp aan het getto het "American-Jewish Joint Distribution Committee", kortweg bekend als "The Joint". De financiële middelen van dit comité namen geleidelijk af.

Mannen als Yitzhak Gitterman en Emanuel Ringelblum organiseerden en leidden een heel scala aan zelfhulp organisaties, zoals de "ZTOS", het "Joods onderling hulpgenootschap" met meer dan 100 soepkeukens in Warschau, and "Centos", het "nationale genootschap voor de verzorging van weeskinderen", dat scholen in stand hield en voedsel, kleding en onderdak verzorgde. Bij deze zelfhulp-organisaties werkten honderden mensen, voor een kop soep per dag als beloning. Zij opereerden onafhankelijk van de Judenrat. In januari 1942, toen de financiële steun van de "Joint" begon op te drogen, konden de zelfhulp organisaties zich niet langer bedruipen met vrijwillige bijdragen, en kregen zij de bevoegdheid heffingen op te leggen.

Een zeer belangrijk element in de zelfhulp vormden de huisvestingscomités, die actief waren in elke huurkazerne. Zij legden de bewoners een dubbele maandelijkse heffing op, één ten behoeve van de zelfhulp, de andere ten behoeve van het appartementengebouw zelf. Zij verzamelden voedsel bij ieder gezin dat iets kon missen, en verdeelden het voedsel onder de hongerende gezinnen. Er ging iemand met een emmer van appartement naar appartement om voedsel, goederen en kleding in te zamelen bij de beter gefortuneerden, die gaven wat zij konden missen.
De huisvestingscomités taxeerden ook ieders middelen en legden elk gezin een heffing op. Geld en goederen werden afgedragen aan een centraal fonds, dat de soepkeukens onder-steunde. Om hun effectiviteit tegenover egoïsten te versterken maakten de huisvestingscomités gebruik van het enige wapen dat hun ter beschikking stond, de schandpaal. Gezinnen die konden bijdragen maar daartoe niet bereid waren, zagen hun namen geëtaleerd bij de ingang van hun woonkazerne. Toch, ondanks al deze inspanningen, stierven begin 1942 maandelijks ongeveer 5.000 mensen in het getto, van wie de meesten ten gevolge van de honger.
De Duitsers trachtten een einde te maken aan besloten en openbare gebedsdiensten, maar de Joden gingen daarmee door in particuliere woningen. Voorjaar 1941 werd het verbod opgeheven en mochten de synagogen weer open. De Grote Synagoge aan de Tlomacki Straat werd heropend in juni 1941, met een feestelijke ceremonie. Rabbi Kalonymos Kalmisch Shapira, de chassidische rabbijn van Piaseczno, behield zijn schare aanhangers en preekte voor hen op de Sabbath. Onderwijs geven was verboden in het getto. Regelmatig verzocht Czerniakow de Duitse autoriteiten om toestemming om de scholen te heropenen. In 1941 werd toestemming verleend om een aantal lagere-schoolklassen te heropenen. Dit reguliere schooljaar, het enige in het getto, ging van start in oktober 1941. Terwijl de algemene scholen in het getto werden verboden, kreeg de Judenrat wel toestemming de vakopleidingen in stand te houden, die werden gesponsord door de "ORT" organisatie. Deze opleidingen gingen van start in 1940, maar bereikten het toppunt van hun bloei na de inrichting van het getto. Medio 1941 volgden 2.454 studenten de lessen.

Het culturele leven in het getto bestond uit activiteiten die werden geleid door ondergrondse organisaties. De "Idische Kultur Organi-zacje" (IKOR), een clande-stiene organisatie ter bevor-dering van de Jiddische cul-tuur, waarin Emanuel Rin-gelblum en Menahem Linder actief waren, sponsorde literaire avonden en speciale bijeenkomsten ter ere van de verjaardagen van beroemde Joodse schrijvers. Vanuit clandestiene bibliotheken circuleerden officieel verboden boeken. Een symfonieorkest dat bestond uit 80 leden, speelde een repertoire van beroemde Duitse componisten. Werken van Joodse componisten waren niet toegestaan. Bekende schrijvers en dichters bleven ook in het getto productief: Itzhak Katzenelson, Israel Sztern, Jehoszua Perle, Hillel Zeitlin, Peretz Opoczynski, en Kalman Lis.
Toneelgezelschappen gaven voorstellingen, bekende acteurs zoals Michael Znicz, Zigmunt Turkow of Diana Blumenfeld verschenen op het toneel. Het publiek kwam overwegend uit de nouveau riche, die door lichtvoetig amusement de gruwelen van het dagelijks leven wilde vergeten.

Ondergrondse activiteiten in politieke kringen waren al begonnen toen de Duitsers Warschau binnenkwamen. Leden van jongerenbewegingen en partijen sloegen de handen ineen en begonnen plannen voor het verzet te smeden.
Al snel drong zich de vraag op of politieke organisaties zich mochten richten op het verlenen van materiële hulp, onder opschorting van hun politieke activiteiten. Op clandestiene bijeenkomsten in soepkeukens werden open discussies gevoerd en diverse politieke standpunten ingenomen. De volgende stappen waren de oprichting van een ondergrondse pers, en doorgaande pogingen om met politieke figuren buiten het land contact te houden. Aanvankelijk hadden de Duitsers weinig belangstelling voor de ondergrondse activiteiten. Daardoor kon de ondergrondse zich in tal van activiteiten manifesteren, tot aan het voorjaar van 1942. De ondergrondse pers slaagde erin de getto-populatie, gretig naar nieuws, te voorzien van betrouwbare informatie over de internationale politieke ontwikkelingen en over de voortgang van de krijgshandelingen. Zij bevorderde ook polemieken en discussies. Bijzonder invloedrijk waren de "Bund" en de socialistische zionisten van "Po’alei Zion Z.S.". Een unieke en belangrijke onderneming die in het getto werd opgezet, was het Ringelblum archief, met de codenaam "ONEG SHABBAT". Omdat het niet rechtstreeks was opgezet door de politieke instanties, was het archief afhankelijk van de steun van vooraanstaande personen en ondergrondse organisaties. Het omvangrijke materiaal dat door het Ringelblum archief is verzameld, bestaat uit tienduizenden bladzijden: documenten, notities, dagboeken, en een rijke verzameling ondergrondse bladen. Het is de belangrijkste verzameling voor onderzoek naar het lot van de Joden onder de nazi-bezetting van Warschau en Polen in het algemeen. Joodse jeugdbewegingen en hun leiders speelden een belangrijke rol in de ondergrondse, vooral in de periode na de grote deportaties.
Naarmate de oorlog vorderde, veranderden de activiteiten van de jeugdbewegingen en hun betekenis in het getto geleidelijk. Meer dan andere activiteiten bleken zij in staat de leefomstandigheden te verbeteren, en een dynamische actie te ontketenen waar dat nodig was. De jeugdleiders Mordecai Anielewicz, Yitzhak Zuckerman, Zivia Lubetkin, Chaim Kaplan, en Israel Geller groeiden uit tot erkende leiders van de ondergrondse, dankzij hun politieke instinct en leiderschapskwaliteiten.
De jeugdbewegingen beperk-ten hun activiteiten niet tot Warschau. Zij breidden hun werkterrein uit tot alle getto’s en tot in de kleinste Joodse gemeenschappen in het bezette Polen. Deze jonge mensen wisten, onder valse namen, contact te maken met getto’s in de meest geïsoleerde uithoe-ken, die geheel van de buiten-wereld waren afgesloten. Een dramatische wijziging in de verhouding tussen de onder-grondse en de gevestigde machten in het getto trad op na ontvangst van de eerste verslagen van de massamoord in Ponary en moordtaferelen elders in Oost-Europa. Pas hiermee brak het inzicht door dat de Duitsers hadden ingezet op de totale vernietiging van de Joden, zodat dezen niets anders restte dan in opstand te komen en te vechten, zelfs als dit geen perspectief bood op overleven.
In maart 1942, tijdens een bijeenkomst van de Joodse leider van Warschau, trachtte Yitzhak Zuckerman, namens de jeugdbewegingen, steun te vinden voor de vorming van een algemene zelfverdedigingsorganisatie. Zijn voorstel werd echter verworpen, omdat men het als te pessimistisch beschouwde. Deze afwijzing leidde tot de oprichting van het "Antifascistische Blok", financieel gesteund door de communisten en de linkse zionisten. Deze organisatie bestond in de periode maart en april 1942, haar militaire tak bestond uit 500 gewapende leden. De plannen om te ontsnappen naar de bossen en om van daaruit de strijd op te nemen werden niet uitgevoerd, omdat de wapenzendingen waarop men rekende niet aankwamen. Vlak voor de geplande datum, in mei 1942, stortte de hele organisatie ineen. De communistische leiders van het Blok werden gevangen gezet en de organisatie hield op te bestaan.
In de maanden die aan de massale deportaties vooraf gingen, groeide de onrust in het getto, als gevolg van een toenemende stroom berichten en geruchten over deportaties uit andere getto’s en Joodse woonoorden in het bezette Polen.
De panische onrust onder de bevolking van het getto werd versterkt door de nachtelijke overvallen door de Duitse politie en eenheden van de Sicherheitspolizei. Deze overvallen werden uitgevoerd aan de hand van tevoren opgestelde lijsten. De mensen wier naam op die lijsten voorkwam, werden uit hun huizen gesleurd, afgevoerd en doodgeschoten op een plaats in de omgeving. De bloedigste overval vond plaats op 18 april 1942, toen 52 personen werden gedood. Deze nacht werd bekend als de Bloednacht of de "Bartholomeus Nacht".
Onmiddellijk na de oplevering van Treblinka begon de Große Umsiedlungsaktion ("Grote verplaatsingsactie") op 22 juli 1942.
Verantwoordelijk voor de "Grote actie" waren SS- und Polizeiführer Warschau Ferdinand v. Sammern-Frankenegg, Kommandant der Sicherheitspolizei und des Sicherheitsdienstes in Warschau, Dr. Ludwig Hahn en SS-Sturmbannführer Hermann Höfle, de vertegenwoordiger Odilo Globocnik (SS- und Polizeiführer Lublin).
Uitvoerders waren de Warschause Ordedienst, een kleine eenheid van de Sicherheitspolizei, een speciale eenheid Volksdeutsche en de Joodse Ordedienst. Later speelden SS-ers uit het dwangarbeiderskamp in Trawniki de hoofdrol in de liquidatie van het getto.
De Joodse Ordedienst speelde een belangrijke rol tijdens het begin van de "Grote actie". De bevelhebber van de Joodse politie, Josef Szerynski, was gearresteerd door de Duitsers op 1 mei 1942, op beschuldiging van het smokkelen van bont uit het getto naar het Arische deel van de stad. Zijn plaatsvervanger Jakob Lejkin, nam het bevel over en voerde de Duitse bevelen stipt uit, naar zijn zeggen omdat men dit beter niet aan de wrede Duitsers kon overlaten.

De 2.000 – 2.500 Joodse politiemensen en hun familie was vrijstelling van transport beloofd door de Duitsers in ruil voor hun medewerking. Naarmate de “actie” vorderde, drong bij hen het besef door dat ze slechts werden gebruikt als gereedschap van de Duitsers, en dat hun toekomst als gewone Joden allerminst zeker was. Ze begonnen dan ook massaal te deserteren. Het Duitse antwoord was een persoonlijk bevel aan elke politieman om dagelijks vijf personen aan te brengen voor deportatie. Zij die niet aan deze opdracht voldeden, werden bedreigd met deportatie van hun familie om het verschil goed te maken. De SS regelde de deportaties vanaf twee centra in het getto. Het Aktion Reinhard commando, dat bestond uit een twaalftal SS officieren, sergeants en soldaten, vestigde zijn hoofdkwartier op het adres Zelazna Straat (Ul. Zelazna) 103, nadat de daar woonachtige Joden op straat waren gezet. Ber Warman, een Joodse politieman die Zelazna Straat 103 bewaakte, schreef eind augustus / begin september 1942 dat SS-ers het pand betrokken. Vóór eind augustus 1942 was de Befehlsstelle (kantoor van de bevelhebber) gevestigd op Ogrodowa Straat 17, in het hoofdkwartier van de Joodse politie. Aan de deur van een van de kamers bevond zich een plaquette met de tekst Gastzimmer des SS-Sonderkommandos Treblinka ("gastenkamer van het speciale SS-commando van Treblinka").

Het hoofdkwartier aan de Ogrodowa Straat werd voornamelijk bemand door SS-ers en de Gestapo die tijdelijk in Warschau waren gestationeerd. De kopstukken waren Hohmann, Witosek, Jesuiter, en Stabenow. Het tempo en de aard van de verhuisacties werden bepaald door Karl-Georg Brandt en Gerhard Mende.
Op 22 juli 1942 om 10 uur ‘s ochtends bezochten Höfle, Michalsen, Worthoff en andere officieren van Aktion Reinhard het gebouw van de Judenrat. Höfle dicteerde de Judenrat de Duitse voorwaarden voor de “verplaatsing naar het oosten”. Op deze manier werd de Judenrat gedwongen mee te helpen bij de “schoonmaak” van het getto. De voornaamste instructies luidden:
Alle Joden zullen worden verplaatst naar het oosten, ongeacht leeftijd en geslacht. Met uitzondering van: Joden werkzaam voor Duitse instellingen of bedrijven; Joden werkzaam voor de Joodse Raad; Joods ziekenhuispersoneel; leden van de Joodse Ordedienst; vrouwen en kinderen van de voornoemde personen; patiënten die op de beoogde dag van hun verplaatsing in een Joods ziekenhuis verblijven.
Ieder die verplaatst wordt mag 15 kilo bagage meenemen en al zijn waarde-volle bezittingen: goud, juwelen, geld etc.. Proviand en verschoningen voor drie dagen zijn noodzakelijk.
De verplaatsing vangt aan op 22 juli 1942, 11 uur des voormiddags. De Judenrat dient ervoor te zorgen dat zich dagelijks 6.000 personen aanmelden vóór 4 uur des namiddags. Bij het Joodse ziekenhuis aan de Stawki Straat wordt verzameld.
Op 22 juli 1942 dient het Joodse ziekenhuis aan de Stawki Straat ontruimd te zijn, zodat het gebouw gebruikt kan worden voor de mensen die verplaatst worden. De Judenrat dient de Duitse bevelen bekend te maken.

Straffen:
Elke Jood die het getto verlaat gedurende de verplaatsingsactie zal worden doodgeschoten. Elke Jood die zich verzet tegen de verplaatsing zal worden doodgeschoten. Elke Jood die niet behoort tot de boven omschreven personen en die na de verplaatsingsactie nog in Warschau wordt aangetroffen, zal worden doodgeschoten. De eerste contingenten die de Judenrat samenstelt, zijn afkomstig uit instellingen voor de opvang van vluchtelingen, gevangenissen en bejaarden-tehuizen. Als deze bevelen niet worden opgevolgd, dan zal een passend aantal gijzelaars worden doodgeschoten.
Toen SS-Hauptsturmführer Worthoff opdracht gaf tot het leveren van 10.000 Joden voor 24 juli 1942, met inbegrip van kinderen uit een kindertransport, pleegde de leider van de Judenrat Adam Czerniakow zelfmoord. Zijn opvolger werd Marek Lichtenbaum.
De Joodse ordedienst belastte zich met de uitvoering. Deze dienst was verantwoordelijk voor het ophangen van aanplakbiljetten op 29 juli, waarin bekend werd gemaakt dat iedereen die zich vrijwillig meldde voor verplaatsing, 3 kilo brood en 1 kilo marmelade verstrekt zou krijgen. Wegens de heersende honger in het getto gaven veel Joden gehoor aan deze oproep. De Duitsers verstrekten 180.000 kg brood en 36.000 kg marmelade.

Op 23 juli 1942 vergaderden de Joodse ondergrondse organisaties. Hun voormannen wilden geen verzet organiseren. Alleen de organisatie van Jonge Zionisten ‘Hashomer Hatzair’ organiseerde een propaganda-actie in het getto, waarbij in vlugschriften bekend werd gemaakt dat de gedeporteerden naar een vernietigingskamp werden gestuurd en niet naar een werkkamp. De Joden in het getto namen aan dat het hier slechts ging om een Duitse provocatie.
De verzamelplaats, (Umschlagplatz), was voorheen gebruikt door de Transferstelle als een gebied voor transporten naar en uit het getto. In het aangrenzende gebied, omgeven door een hoge omheining, stond het verlaten Joodse ziekenhuis, waar de slachtoffers dicht op elkaar gepakt de komst van de goederentreinen moesten afwachten. De Duitsers richtten een Dulag (Durchgangslager - doorgangskamp) in in de Leszno Straat. Hiervandaan werden, na een selectie op de Umschlagplatz, Joden die tot werken in staat waren, gestuurd naar verschillende dwangarbeiderskampen, waaronder het KZ Majdanek.

In juli 1942 werden 64.606 Joden gedeporteerd naar Treblinka. In dit aantal zijn niet begrepen de mensen die op straat en in de huizen werden doodgeschoten bij het “uitruimen” van de gebouwen. Tot 29 juli 1942 werden de razzia’s uitsluitend georganiseerd door de Joodse politie in het getto. Daarna werden de "acties" uitgevoerd door leden van de Aktion Reinhard.

In augustus 1942 gingen de deportaties door met dezelfde meedogenloze efficiency. In de eerste week van augustus werd het weeshuis van Janusz Korczak gesloten. 200 kinderen marcheerden door het getto naar de Umschlagplatz, vergezeld door de oude dokter en zijn trouwe assistente Stefania Wilczynska. Dit incident werd legendarisch.

Janusz Korczak

Tussen 19 en 21 augustus 1942 werd de Aktion in het getto van Warschau onderbroken. Op deze dagen werden de Joden uit steden in de buurt van Warschau naar Treblinka gedeporteerd: Otwock, Falenica, Miedzeszyn en Minsk Mazowiecki. Het aantal gedeporteerden naar Treblinka in de maand augustus kan worden geschat op circa 135.000.
Op 23 augustus 1942 werd Jankiel Wiernik gedeporteerd naar Treblinka. Hij was één van de weinige overlevenden van Treblinka, die deelnam aan de opstand in Treblinka. Lees zijn verhaal over zijn deportatie!
Vanaf 28 augustus tot 3 september 1942 was er nogmaals een tijdelijke stop, daarna gingen nieuwe deportaties naar kamp Treblinka, waar Eberl (de commandant) meer transporten had toegestaan dan het kamp aankon.
De vergassingsmogelijkheden in Treblinka bleken volstrekt ontoereikend, wat leidde tot geweldige stagnatie in het kamp. Irmfried Eberl werd ontheven van zijn functie als commandant en Christian Wirth kreeg van Odilo Globocnik de opdracht om de massa lijken op te ruimen. Alle transporten werden opgeschort tot de orde was hersteld.

In augustus 1942 stuurde een ondergrondse organisatie uit het Warschause getto genaamd de "Bund", haar activist Zalman Friedrich op onderzoek naar wat er met de transporten gebeurd was. In Sokolów Podlaski bij Treblinka kreeg hij van Poolse spoorwegarbeiders te horen dat er elke dag goederentreinen (vol met mensen) het stadje Treblinka passeerden. Na een aantal uren kwamen de treinen leeg terug. Er werd nooit voedsel gebracht naar het kamp…
Op de markt van Sokolów Podlaski ontmoette Friedrich twee naakte Joden die waren ontsnapt uit Treblinka. Zij beschreven wat er met de gedeporteerden was gebeurd. De informatie over Treblinka en het lot van de transporten uit het getto van Warschau werden bevestigd door Dawid Nowodworski, die wist te ontsnappen uit Treblinka. Hij keerde tegen eind augustus 1942 terug naar het getto van Warschau.
Op 14 augustus 1942 werden 1.260 Joden uit het Dulag van het getto van Warschau, naar Lublin gestuurd. Circa 1.000 van hen kwamen terecht in het concentratiekamp Majdanek, de anderen in het werkkamp op Lipowa Straat 7 in Lublin.

De laatste fase van de “grote Aktion” begon op 6 september 1942. Het belangrijkste onderdeel was een omvangrijke selectie, die duurde tot 10 september 1942.
De Joden met een werkvergunning (waarvan er 35.000 door de Duitsers waren verstrekt) werden geconcentreerd in een z.g. “ketel” in de David wijk. ("Ketel" is "kesl" in het Jiddisch, "kociol" in het Pools). Tijdens deze selectie werden 35.885 Joden gedeporteerd, volgens een rapport van de Judenrat lijsten. 2.648 Joden werden ter plaatse doodgeschoten en 60 pleegden zelfmoord. Na deze selectie resteerden nog ongeveer 60.000 Joden in het getto.
Op 15 september 1942 werden 2.100 Joden uit Warschau (onder wie 150 mannen van de Joodse politie) gedeporteerd naar Lublin. 600 van hen werden gestuurd naar het werkkamp op Lipowa Straat 7, 60 naar het Flugplatz kamp, de anderen naar KZ Majdanek.
Op 24 september 1942 verklaarde SS-Untersturmführer Karl Brandt de verplaatsingsactie van het Warschause getto beëindigd.
Volgens Duitse bronnen werden 253.742 Joden gedeporteerd. Volgens Joodse bronnen werden 270.120 Joden naar Treblinka gestuurd; 10.300 stierven in het getto, 11.580 werden naar het Dulag gestuurd (van wie meer dan 3.500 werden gedeporteerd naar Lublin) en 8.000 mensen ontsnapten uit het getto.

Na de grote deportaties in de zomer van 1942, veranderde het bewustzijn van de Joden ingrijpend. De verschrikkelijke waarheid van wat zich had voltrokken, was te schrijnend. De gedeporteerden waren dood, en de achterblijvers wachtte hetzelfde lot. Het verdriet om de familieleden die waren weggerukt, de ondraaglijke pijn van het verlies, drong pas door nadat de deportaties beëindigd waren, vermengd met een schuldgevoel omdat men zelf nog leefde. Er ontstond een nieuwe stemming in de periode na de deportaties, diepe haat tegen de nazi’s, wraakgevoelens en een groeiend gevoel dat verzet geboden was. Tegen eind oktober 1942 werd topberaad gehouden in het hoofdkwartier van Ha-Shomer Hazair op Mila Straat 60. De ZOB was versterkt en vergroot door de aansluiting van jeugdbewegingen en splintergroepen van ondergrondse politieke partijen van alle gezindten, van Zionisten tot Communisten. Er werd een ZOB commando geformeerd uit vertegenwoordigers van de samenstellende organisaties en strijdgroepen. Op deze vergadering in oktober 1942 stonden twee cruciale onderwerpen op de agenda: de verdediging van het getto van Warschau en de vraag hoe men de Joodse politie en de zakenlui een slag kon toebrengen.

De eerste acties van de ZOB waren gericht tegen de Joodse politie, als represaille wegens haar ijver en brutaliteit tijdens de massale deportaties, tegen hogere functionarissen van de Judenrat van wie bekend was dat zij nauwe betrekkingen onderhielden met de Duitsers, en tegen Joden die de reputatie hadden verworven agenten te zijn voor de verschillende onderdelen van de Duitse politie. De leiding van de ZOB was ervan overtuigd dat in het getto geen gewapende opstand kon worden ontketend zolang er sprake was van een Vijfde Colonne, die bereid was met de Duitsers te collaboreren, door het doorgeven van informatie, of door het uitleveren van Joden. Na de mislukte moordaanslag op Jozef Szerynski op 20 augustus 1942 door Yisrael Kanal, was de eerste door de ZOB ter dood veroordeelde Jacob Lejkin, die als vervanger van Szerynski een leidende rol had gespeeld bij de massale deportaties. De moord werd zeer zorgvuldig voorbereid. De groep die de opdracht zou uitvoeren bestond uit drie leden van de Ha-Shomer Hazair: Margalit Landau en Mordechai Grobas schaduwden Lejkin een tijdlang en legden zijn bewegingspatroon en werktijden vast; Eliyahu Rozanski zou de moord uitvoeren.
In de avond van 29 oktober 1942 werd Lejkin doodgeschoten toen hij zich te voet van het politiebureau aan de Gesia Straat naar huis begaf. Zijn assistent Czaplinski, die naast hem liep, raakte gewond.
De volgende liquidatie betrof Yisrael First, een vooraanstaand lid van de Judenrat. Eerst was hij één van de directeuren van de Economische Afdeling, maar zijn invloed reikte veel verder. Vanaf het eerste begin van de Judenrat was hij de contactpersoon geweest tussen de Raad en verschillende onderdelen van de Duitse politie, en hij speelde een rol tijdens de "Grote actie". De moord werd gepleegd op 28 november 1942, door David Schlman van Dror He Halutz, aan de Muranowska Straat.

De tweede golf deportaties begon op 18 januari 1943. Deze keer kregen de Joden echter opdracht zich te verzamelen in de tuinen van hun flatgebouwen om hun papieren te laten controleren, maar zij gaven daaraan geen gehoor en doken onder. De eerste colonne die de Duitsers gedurende de eerste uren weerstand bood, bestond uit een duizendtal mensen, die verschillende soorten verzet pleegden.
Een groep strijders onder leiding van Mordechai Anielewicz, gewapend met pistolen, infiltreerde met opzet een stoet die op weg was naar de Umschlagplatz. Op het afgesproken teken stapten de strijders uit de stoet en gingen gevechten aan, man tegen man, met de Duitse bewakers. De stoet viel uiteen en het nieuws over het gevecht verspreidde zich als een lopend vuurtje in het centrale getto. Eliyahu Rozanski en Margalit Landau die waren betrokken bij de moord op Lejkin, vonden de dood in dit gevecht, Anielewicz kon zichzelf ternauwernood in veiligheid brengen nadat hij al zijn munitie verschoten had. Die eerste dag kregen de Duitsers ook op de hoek van de Zamenhof Straat en de Mila Straat te maken met gewapend verzet, dat het vuur opende op SS-ers vanuit een appartement waar zich een groep leden van de Dror had verschanst, onder wie Yitzhak Zuckerman. Een aantal SS-ers werd gedood, anderen sloegen op de vlucht met achterlating van hun wapens.

Volgens Duitse bronnen omsingelden twee bataljons SS-ers op 20 januari 1943 de winkels van Többens en Schultz. Deze operatie stond onder bevel van Ferdinand von Sammern-Frankenegg en de commandant van het werkkamp Treblinka I, Theodor von Eupen. Het feit dat deze “Aktion” na enkele dagen werd gestaakt, en dat de Duitsers niet meer dan 10% van de inwoners van het getto hadden kunnen arresteren, werd zowel door de Joden als de Polen gezien als een Duitse nederlaag. Maar de Duitsers waren niet van plan geweest het hele getto te deporteren. Zij voerden slechts een opdracht uit van Heinrich Himmler (na diens bezoek aan Warschau op 9 januari 1943), om 8.000 Joden te deporteren uit het getto. Met deze deportatie zou de doelstelling die Himmler had bepaald vóór de "Grote actie", worden gehaald.

De deportaties en de andere gebeurtenissen in januari zouden bepalend zijn voor de laatste maanden van het getto, tot aan april en mei 1943. De Judenrat en de Joodse politie verloren ook hun laatste beetje controle. In het centrale deel van het getto hadden de opstandelingen het voor het zeggen. Odilo Globocnik wees één van de Duitse winkeliers, Többens, aan als commissaris voor het getto. Zijn opdracht was om de machines en de arbeiders van de grootste bedrijven uit het getto van Warschau, over te brengen naar werkkampen in de buurt van Lublin. Többens stuitte echter op heftig verzet van de arbeiders, die hun instructies kregen van de ZOB.

Het Joodse verzet maakte ook veel indruk op de Polen, die daardoor wat meer steun gingen geven aan de Joodse strijders dan voorheen. De verzetsorganisaties gebruikten de paar maanden die hun restten vóór de uiteindelijke liquidatie om de toestand te stabiliseren, om aan wapens te komen en om een verdedigingsplan op te stellen voor het getto. De ZOB beschikte over 22 gewapende eenheden van 15 man elk. De Militaire Bond was ongeveer half zo groot, maar opereerde op dezelfde manier.

In het getto werden koortsachtig voorbereidingen getroffen met het oog op de verwachte deportaties, die naar algemene verwachting de laatste zouden zijn. De meeste bewoners concentreerden zich op de bouw van schuilkelders. Groepen Joden, samengesteld uit huurders uit hetzelfde woonblok, bouwden ondergrondse bunkers, schuilplaatsen zoals ook gebruikt om te ontsnappen aan de deportaties van januari 1943. Veel Joden koesterden de hoop dat de combinatie van verzet en onderduiken een mogelijkheid op overleven zou bieden. Het netwerk van schuilkelders werd uitgebreid en een groot deel van de gettobevolking hield zich ’s nachts bezig met het graven ervan en van ondergrondse verbindingen. Een apart vraagstuk was waar de in- en uitgangen van de schuilkelders moesten worden aangelegd. Banken en houten bedden werden geïnstalleerd, evenals elektriciteit en waterleiding. Men legde er voorraden voedsel en medicijnen aan om het er maandenlang te kunnen uithouden.

De aanleg van de bunkers werd een massa-activiteit in het centrale gebied van het getto, en toen de laatste deportaties naderbij kwamen had elke inwoner twee adressen: één boven en één onder de grond.

Opstand en Uiteindelijke Liquidatie

De uiteindelijke liquidatie van het getto begon op 19 april 1943, de avond voor het Joodse Paasfeest. Deze keer kwam de deportatie niet als een verrassing. De Joden waren gewaarschuwd wat er stond te gebeuren en ze waren er klaar voor. De Duitsers hadden een aanzienlijke legermacht gemobiliseerd voor de deportatie, maar zij werden verrast door straatgevechten en de vastberadenheid van het Joodse verzet.

Deze verkeerde inschatting kostte SS-Oberführer von Sammern-Frankenegg zijn post als HSSPF Warschau. Himmler verving hem door SS- und Polizeigeneral Jürgen Stroop, ervaren in het bestrijden van partizanen, die de supervisie kreeg op de deportatie en de liquidatie van het getto. In zijn telexbericht aan de HSSPF Ost, F.W. Krüger, van 22 april 1943, gaf Himmler opdracht de liquidatie van het getto met de grofste middelen uit te voeren. Stroop’s dagelijkse voortgangsrapporten aan Krüger, en zijn samenvatting toen de opstand was beëindigd, vormen de historische basisdocumentatie van het verzet dat de Joden hebben geboden en van de methoden die de nazi’s hebben gebruikt om dat verzet te overwinnen.
Volgens Stroop begon de Großaktion ("Grote actie") op 19 april 1943 om 3 uur ’s ochtends, met de omsingeling van het getto door een sterke politiemacht. De Duitse legermacht voor deze operatie bestond uit 850 manschappen en 18 officieren, die onder bevel stonden van von Sammern-Frankenegg. Deze troepen trokken het getto op twee plaatsen binnen, maar moest zich als gevolg van gewapend verzet terugtrekken.

De troepen waren afkomstig uit de volgende legeronderdelen: SS Panzergrenadiere, de cavalerie, SS- en politieregimenten, het technisch legercorps voor noodgevallen, veiligheidspolitie, de genie van de Wehrmacht, "Trawniki-mannen" uit het SS trainingskamp Trawniki, en personeel van de Poolse politie en brandweer. Meteen op de eerste dag drong het tot de Duitsers door dat er een opstand was uitgebroken. Het centrale deel van het getto, waar meer dan 30.000 mensen woonden, was geheel verlaten, met uitzondering van een handvol leden van de Judenrat en een eenheid van de Joodse politie. In de razzia kon geen enkele Jood worden opgepakt voor deportatie, en de vrachtwagens op de Umschlagplatz bleven dus leeg. De omvang van de onderduikoperatie was voor de Duitsers een even grote verrassing als het gewapend verzet was geweest.
De eerste drie dagen vonden straatgevechten plaats in het getto. Stroop besloot de gebouwen systematisch in brand te steken om zo de verzetstrijders naar buiten te dwingen. Daardoor moesten de Joodse strijders hun posities verlaten en bescherming zoeken in de schuilkelders. Het hele getto brandde nu als een fakkel, er hing een ondoordringbare rook en de scherpe stank was ondraaglijk. De temperaturen in de schuilkelders onder de brandende huizen bereikten het kookpunt. Het meeste voedsel raakte bedorven door de verzengende hitte en men moest zijn dorst lessen met heet en stinkend water. Ademhalen of praten was vrijwel onmogelijk, wat mensen op de rand van de waanzin bracht, maar toch weigerden de Joden zich aan de Duitsers over te geven. Beschermd door de duisternis trachtten zij de brandende schuilplaatsen te verlaten. Iedereen was op zoek naar schuilkelders waar het iets beter uit te houden was, ook al wist men dat dat maar tijdelijk zou zijn.
In de tweede week van de opstand werden de schuil-kelders de voornaamste bron van verzet. In dit gevecht moesten de Duitsers vechten voor iedere schuilplaats.

Ze gebruikten traangas of gifgas om de Joden naar buiten de drijven. Vaak bleven de Joden schieten als zij naar buiten kwamen en een aantal vrouwelijke strijders gooide handgranaten die ze onder hun kleren hadden verborgen, nadat ze zich al hadden overgegeven. De Duitsers bevalen daarop de Joodse vrouwen zich uit te kleden, om de kans te verkleinen dat ze op die manier gedood of gewond zouden raken.
Op 8 mei 1943 werd de commandobunker van de ZOB, waarin zich circa 100 mensen bevonden, aangevallen door de Duitsers. Ze blokkeerden de vijf uitgangen, braken de hoofdingang open en wierpen gifgasgranaten naar binnen. Arie Wilner en Lolek Rotblat maanden de strijders om liever zelfmoord te plegen dan zich aan de Duitsers over te geven. Sommige strijders gaven hieraan gehoor, anderen werden gedood door het gas, maar enkelen slaagden erin te ontsnappen. Mordechai Anielewicz, de leider van de opstand, sneuvelde op Mila Straat 18, samen met een groot aantal dappere strijders.
Op 16 mei 1943 verklaarde Stroop de Großaktion voor beëindigd. Ter afsluiting van deze actie gaf hij opdracht tot de sloop van de Grote Synagoge van Warschau aan de Tlomackie Straat, om 8 uur ‘s avonds.
In zijn eindrapport over de militaire campagne die hij tegen de getto-opstand had geleid, verschafte Stroop de volgende gegevens: Van de in totaal 56.065 Joden die waren opgepakt, werden er 22.000 gedeporteerd naar Majdanek, 14.000 – 16.000 naar Poniatowa, 5.000 - 6.000 naar Trawniki, en 7.000 naar Treblinka. 5.000-6.000 verloren het leven door ontploffingen en branden. Stroop overdrijft de aantallen vernietigde Joden, en geeft eveneens een vertekend beeld van zijn eigen verliezen: slechts 16 doden en 85 gewonden.

Stroop stelde voor in Warschau een concentratiekamp in te richten. De gevangenen konden worden ingezet om de ruïnes en gebouwen op te ruimen op de plaats waar het voormalige getto had gestaan. Tussen 16 mei en 19 juli 1943 werd Stroop's idee gerealiseerd en een KZ Warschau gevestigd.
In 1951 stond Stroop terecht in Warschau. Hij werd veroordeeld wegens oorlogsmisdaden en opgehangen. Stroop’s rapport werd gebruikt tijdens het oorlogsmisdaden proces in Neurenberg in Duitsland.

De Opstand in het getto van Warschau van 1943 wordt soms verward met de Opstand van Warschau van 1944. De twee opstanden verschilden echter in doelstelling en omvang. De eerste, in het getto, was een keuze om vechtend de dood in te gaan, met een geringe kans om te overleven, in plaats van een zekere dood in het vernietigingskamp. De tweede was een gecoördineerde actie die onderdeel was van een grote, landelijke opstand (Operatie Storm) met het doel Polen te bevrijden. Toch zijn er bepaalde connecties: ongeveer 1000 strijders uit het getto zullen een jaar later deelnemen aan de Opstand van Warschau. De wreedheid van de Nazi-troepen is vergelijkbaar. Tenslotte was de joodse opstand één van de inspiratiebronnen voor de opstandelingen in 1944.

Sluiten