Hagar en de God die ziet

Bijbelse personen | Oud Testament Tekst, Hugo Bouter

Een onverwachte ontmoeting bij een bron: dat is het thema van Genesis 16. De waterbron is vaak de plek van ontmoeting en dat niet alleen tussen mensen onderling, maar ook tussen de mens en God Zélf.

Op de vlucht

“En de Engel des HEREN trof haar aan bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur.” (Gen. 16:7-14)
Misschien is wel het meest karakteristieke van dit hoofdstuk dat God de mens zoekt, zelfs wanneer die van Hem is afgedwaald. Wij zien hier in het Oude Testament reeds een God van liefde, die een arm en verloren mensenkind opzoekt en te hulp komt. Zijn Naam is El-Roï, dat is ‘de God des aanziens’, de God die naar ons omziet nog vóórdat wij naar Hem vragen (vs. 13; vgl. Rom. 5:8; Ef. 2:1-10). In het Nieuwe Testament zien wij deze opzoekende God in de gedaante van de Zoon des mensen, Die gekomen is om het verlorene te zoeken en te behouden, te redden van de ondergang (Luc. 19:10).

De Engel des HEEREN trof Hagar aan bij een waterbron in de woestijn (Gen. 16:7). Hij nam het initiatief, want Hij is rijk aan erbarming (Ef. 2:4). Hagar zocht de HEERE niet. Zij was namelijk op de vlucht voor haar meesteres Sarai; de naam Hagar betekent ook ‘vlucht’. Zij verliet de mensen aan wie God Zijn beloften had gedaan en aan wie Hij Zichzelf had bekendgemaakt, de kring van de mensen die Hij had gezegend. Zij ging haar eigen weg. Daarmee keerde zij echter ook Gód de rug toe.

Hagar vertoont hier het beeld van de eerste mens, die God de rug had toegekeerd. Adam verborg zich voor de God tegen Wie hij had gezondigd, en zijn oudste zoon Kaïn werd een zwerver en een vluchteling op de aarde. Dat is sindsdien typerend voor de mens van nature: hij is op de vlucht voor God, hij is vér verwijderd van het aangezicht des HEEREN (Gen. 4:11-16).
Maar ook een gelóvige kan voor God op de vlucht zijn. Dat zien wij bijvoorbeeld in het leven van Jona, toen hij wegging van het aangezicht des HEEREN (Jona 1:3).

Gods interventie

Precies zoals dat bij Hagar het geval was, hebben wij in onze situatie te maken met een genadig God, die ons opzoekt in onze ellende. Dat deed Hij al bij de eerste mens en Hij deed het ook bij Hagar. De Engel des HEEREN trof haar aan bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur (vs. 7). Later wordt de ligging van deze bron nog nader omschreven met de woorden: “Zie, hij is tussen Kades en Bered” (vs. 14). Kades was een pleisterplaats in de woestijn ten zuiden van het land Kanaän. Vanuit Kades-Barnea (dat betekent: ‘heilige bron’) trokken de verspieders op om het land te bezien. Bered is een onbekende plaats, die alleen hier vermeld wordt. Sur was een versterkte woestijnstad in het oosten van Egypte. Hagar was dus op weg naar Egypte, het land waaruit zij door Abram als slavin was meegenomen. Egypte is in de Schrift een beeld van de wereld zonder God, de wereld waaruit Israël verlost moest worden. Het was niet best met hen gesteld, toen zij later daarheen wensten terug te keren (Exod. 16:3). Het was alleen Gods goedheid dat Hij een einde maakte aan hun terugkeerpogingen en Zich ook aan hen openbaarde als de El-Roï, Die naar hen omzag, hun omstandigheden kende en hen eruit verloste door hen te brengen naar een land vloeiende van melk en honing (vs. 13, verg. Exod. 3:7,8).

Natuurlijk heeft Hagar het heel moeilijk gehad. Wij mogen daar best begrip voor hebben. Zij was immers vernederd door Sarai, haar meesteres, en daarom was zij van haar weggevlucht (vs. 6). Wij weten niet precies wat de aard van die vernedering is geweest, maar het zal zeker pijnlijk voor Hagar zijn geweest. Sarai heeft haar Egyptische slavin, die zij een bevoorrechte plaats had gegeven in haar huis, ongetwijfeld de les gelezen (vs. 1-3). Het is echter duidelijk dat Hagar zich niet boven haar meesteres had mogen verheffen (vs. 4). Er was kennelijk een terechtwijzing nodig. De verhoudingen waren scheefgegroeid en moesten worden gecorrigeerd.

De Engel des HEEREN beaamde dit ook: “Keer naar uw meesteres terug en verneder u onder haar hand” (vs. 9). Hagar moest de les leren die zij tot dan toe niet had willen leren. Het was ongetwijfeld pijnlijk, maar wel noodzakelijk dat zij de weg terug zou gaan. Het was inderdaad de onderste weg, de weg van vernedering en verootmoediging, maar wel de weg tot zegen. Precies zo zullen ook in de toekomst de volkeren der aarde de door God uitverkoren positie van Israël moeten erkennen. Mozes profeteerde: “Welgelukzalig zijt gij, o Israël! wie is u gelijk? gij zijt een volk, verlost door de HEERE, het Schild uwer hulp, en Die een Zwaard is uwer hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinsd aan u onderwerpen, en gij zult op hun hoogten treden!” En natuurlijk geldt dit principe ook voor ons persoonlijk: “Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd” (1 Petr. 5:6). Het kan moeilijk zijn om ons niet alleen voor God, maar ook voor de mensen te vernederen.

De weg terug

Het gesprek tussen Hagar en de Engel des HEEREN, d.i. de HEERE Zelf, zoals bevestigd wordt in vers 13, bestond eigenlijk uit drie onderdelen. Het bevatte (1) een vraag, (2) een opdracht, en (3) een belofte van zegen.

(1) Het was een indringende vraag die de Engel haar stelde: “Hagar, slavin van Sarai, vanwaar komt gij en waarheen gaat gij?” (vs. 8). De Engel wist wie zij was en Hij herinnerde haar ook aan haar eigenlijke positie, de positie van ondergeschiktheid die zij verlaten had.

De vraag was in feite heel diepzinnig en ook toepasbaar op de mens in het algemeen. Aan Adam stelde God de vraag: “Wáár zíjt gij?” (Gen. 3:9). Want de mens had zich voor God verborgen. Hij had tegen God gezondigd en was van God gescheiden. In feite was hij ver van God verwijderd en zonder hoop voor de toekomst (vgl. Ef. 2:12). Aan Kaïn stelde God echter de vraag: “Wát hebt gij gedáán?” (Gen. 4:10). Hij was de eerste moordenaar en nog wel een broedermoordenaar: hij had niet alleen tegen God, maar ook tegen zijn naaste zwaar gezondigd.

(2) Aan deze vraag is echter ook een opdracht verbonden. Die opdracht luidt: “Bekeer u!” Zo lezen we het in deze geschiedenis: “Keer terug (...) en verneder u” (vs. 9). In de weg van bekering en wedergeboorte wordt de gemeenschap met God hersteld. Daarom is dit de weg tot ware zegen, tot waarachtig geluk, die de Heere ook Zijn volk voorhoudt. Jeremia kreeg de opdracht: “Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij afkerige Israël! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op u niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden” (Jer. 3:12).

(3) Dat was eigenlijk ook zo bij Hagar, want er werd een geweldige belofte gekoppeld aan het bevel tot bekering. De moeilijke opdracht die Hagar kreeg, mondde uit in een rijke zegen. Haar zoon kon alleen door haar terugkeer naar haar meesteres worden erkend als het nageslacht van de aartsvader. Dat blijkt wel uit het vervolg. Abram gaf namelijk aan de zoon die Hagar hem ná haar terugkeer baarde, de naam die haar reeds eerder door de Engel des HEEREN was geopenbaard: Ismaël (dat betekent: ‘God hoort’). In die naam kwam tot uitdrukking dat de HEERE naar haar ellende had gehoord. En zo werd haar talrijke nageslacht – want Ismaël kreeg maar liefst twaalf zonen – indirect ook het nageslacht van Abram, hoewel de lijn van de belofte via Izak zou lopen (vs. 10-16; vgl. Gen. 17:20; 21:12-13; 25:12-18).

Tot de levende God gebracht

Deze goddelijke openbaring leidde ertoe dat Hagar bij de bron Lachai-Roï de naam des HEEREN aanriep. Het noemen van de naam des HEEREN (vs. 13), is in feite een daad van aanbidding, maar ook een bede om verlossing. Joël profeteert: “En het zal geschieden, al wie de Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden”, met als gevolg een geweldige belofte van herstel voor Israël: “want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen” (Joël 2:32).

Leven bij de bron

Genesis 24 en 25 voegen nog iets hieraan toe. De bron Lachai-Roï werd later namelijk Izaks woonplaats in het Zuiderland (Gen. 24:62; 25:11). Wij zien deze bron in het leven van Izak dus als een permanente verblijfplaats, een vaste woonplaats. Zo zal de HEERE ook voor Zijn volk Israël straks in het land een permanente verblijfplaats geven, waar zij veilig zullen wonen. Jesaja profeteert over die tijd:
“En op die zelfde dag zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij. Ziet, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de Heere HEERE is mijn Sterkte en mijn Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden. En gij zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils” (Jes. 12:1-3)
Dan zullen ook de woorden van Psalm 84:5 werkelijkheid worden: “Welzalig zij die in Uw huis wonen, zij loven U gestadig” (Ps. 84:5).

Waterstromen zal Ik gieten,
op het dorre, droge land;
koele bronnen zullen vlieten,
in ’t verschroeiend oosterzand;
waar nu pelgrims smachtend gaan,
zal een hof des Heren staan.

Sluiten