Hagar of Sara

Bijbelse personen | Typologie en beelden Tekst, Harry Honigh

Veel Joodse gelovigen worstelen met de vraag welke plaats de wet in hun persoonlijk leven en in hun gemeente zou moeten hebben. Ook onder niet-Joodse gelovigen bestaat over dit onderwerp veel verschil van inzicht. Reden genoeg om een en ander nader te bezien. We doen dat voornamelijk aan de hand van de Galatenbrief en de twee vrouwen die in verband met dit onderwerp worden genoemd: Hagar en Sara. In hun levens zit een diepere zin, een allegorie, zoals Paulus zegt.

Galatië was een provincie in Klein Azië waar de Galaten (Kelten) woonden. De Romeinen rekenden ook enkele andere streken, die meer zuidelijk lagen, tot Galatië. Vermoedelijk gaat het hierbij om de plaatsen Antiochië (in Pisidië), Ikonium, Lystre en Derbe, die Paulus bij zijn eerste en tweede reis heeft bezocht.
In de brief aan de Galaten snijdt Paulus een buitengewoon belangrijk thema aan: De wet. Er waren valse leraren in de gemeenten gekomen die predikten dat de gelovigen zich moesten laten besnijden. Paulus neemt zeer duidelijk stelling tegen deze leer: Hij noemt het ‘andere evangelie’ wat zij brengen: ‘geen evangelie’ (Gal. 1:6 en 7). De mensen die het brengen zijn ‘vervloekt’ (vs. 9)! Dat is krasse taal. Blijkbaar gaat het hier om een heel belangrijke zaak, die het Evangelie in de kern aantast.

Wat was er gebeurd?

De Heere had Abraham geweldige beloften gedaan. Hij zou hem zegenen, tot een groot volk maken en zelfs tot een zegen voor de wereld laten zijn. Maar Abraham en Sara waren oud, te oud om samen kinderen te krijgen. Daarom had Abraham bij zijn slavin Hagar een zoon (Ismaël) verwekt, in de verwachting dat de Heere via deze zoon Zijn belofte gestand zou kunnen doen (zie Genesis 16 e.v.). Later zien we dat de Heere aan Sara, door bovennatuurlijk ingrijpen, een zoon geeft: Izak. Deze is de wettige erfgenaam van de beloften. Uit hem bouwde de Heere het volk Israël en uit hem kwam uiteindelijk de Messias voort.
Zoals Hagar, toen zij zwanger was, Sara verachtte, spotte later ook haar zoon Ismaël met Sara en Izak (Gen. 21:9). Daarom beveelt de Heere Abraham om Hagar samen met Ismaël weg te sturen. Dat lijkt hard, maar ook hierin zit een diepere betekenis, zo zullen we zien.

De wet en slavernij

Hagar met haar zoon Ismaël vertegenwoordigen de wet die bij de berg Sinaï is gegeven.
Paulus schrijft in Galaten 4:21-26: “Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet?Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, een uit de dienstmaagd, en een uit de vrije. Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis; hetwelk dingen zijn, die andere betekenis hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van de berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar; want dit, namelijk Agar, is Sinaï, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen. Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder”.
Hagar betekent in het Arabisch ‘steen’, een benaming voor de berg Sinaï. In Paulus’ allegorie vertegenwoordigt Hagar de wet en het aardse Jeruzalem, oftewel het volk Israël dat nog onder de wet leeft en ‘in slavernij’ is. Dit is een belangrijk gegeven. Paulus noemt het leven onder de wet een vorm van slavernij. In Galaten 3:24 noemt hij de wet een tuchtmeester, die het volk Israël bewaarde in afwachting van de Messias. Dit bewaren had o.a. ten doel om het volk af te zonderen (denk aan de middelmuur die scheiding maakte tussen Israël en de andere volken, Ef. 2:14) en hen te beschermen tegen assimilatie. Verder leert de apostel in Galaten 3:19 dat de wet was gegeven om de overtredingen te doen blijken (NBG).
Toen het geloof gekomen was, het geloof van en in de Messias1, had de wet zijn functie vervuld. De wet had geen echte kinderen gebaard, alleen maar slaven die hun meester moeten gehoorzamen. Vandaar dat Israël in slavernij verkeerde tot de komst van de Messias. Christus’ vervulling van de wet, had daarentegen de weg geopend om Israël tot het zoonschap op te voeden. Zoonschap heeft in de Bijbel de betekenis van erfgenaamschap en houdt verband met geestelijke groei en verantwoordelijkheid dragen. Met de verwerping van de Messias heeft Israël als volk de groei naar het zoonschap geblokkeerd. Daarom is Jeruzalem nog steeds in slavernij (zie Gal. 4:25, 26).
Dan komt Paulus (in Gal. 4:29) tot de kern van de allegorie: De wet en de genade verdragen elkaar niet, ze zijn niet samen te smelten, zij zijn elkaars opponenten. Zoals Hagar Sara verachtte (Gen. 16:4), zo verdragen de wet en de genade elkaar ook niet. Zoals toentertijd Ismaël de spot dreef met Izak en Sara, haatten religieuze Joden die het verlossingswerk van de Messias afwezen, later hun volksgenoten die in Hem de genade hadden leren kennen. “Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden” (Joh. 1:17).

Terwijl Abraham een tussenoplossing zocht, begreep Sara dat zachte heelmeesters hier geen genezing konden brengen. Hagar en haar zoon Ismaël moesten worden weggezonden. Misschien lijkt deze gebeurtenis in Genesis 21 hard en liefdeloos. In het licht van Galaten 4 zien we echter de diepere zin: Wet en genade zijn niet te combineren, zij verdragen elkaar niet. Daarom ook is Paulus zo fel en radicaal als hij zegt: “Ziet, ik, Paulus, zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn. En ik betuig weer aan een ieder mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen. Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen” (Gal. 5: 2-4).

De wet anno nu

Ook in onze tijd vinden er tal van aanvallen plaats op de genade. Valse leermeesters dringen de gemeente binnen en komen met allerlei toevoegingen op de genade.
Dit leidt tot een doe-geloof, waarbij de genade heel subtiel wordt vermengd met menselijke wetjes en activiteiten. Paulus zegt over de mengvorm van wet en genade: “Dit is geen evangelie!” Het is zuurdeeg dat het hele deeg zuur maakt (Gal. 5:9). Zuurdeeg is een beeld van de zonde en wordt in de Bijbel diverse keren gebruikt om de eigen gerechtigheid van de Farizeeën aan te duiden. Zij verwachtten het van hun eigen werken en bleven daardoor nog in slavernij. Al onze werken, hoe goed ook bedoeld, zijn bezoedeld door onze zondige natuur, door eigenwaan, hoogmoed, zelfzucht, enz. Ze zijn niet in staat om ook maar iets bij te dragen, noch aan ons behoud, noch aan onze wandel met God. Alleen onder de genade verliest de zonde zijn heerschappij over ons. “Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade” (Rom. 6:14). We moeten dus niet alleen tot geloof komen, maar ook uit geloof leven en in Zijn overwinnende genade staan!

Behouden door geloof

In zijn brieven aan bijvoorbeeld de Galaten en de Efeziërs leert Paulus zowel de Joodse als de niet-Joodse gelovigen dat ze niet behouden worden door wat ze doen. Belangrijk, want vooral binnen het Jodendom was de gedachte ingeslopen dat door het houden van de wet, de offers, de feesten, enz., de mens zijn eigen gerechtigheid kon verwerven (Rom. 9:31, 32). De grondgedachte in de Bijbel staat daar echter haaks op: Gerechtigheid door geloof is alleen door het geloof van en in de Zoon van God, niet door werken. God ziet ons geloof in Zijn Zoon en rekent ons dat toe als gerechtigheid. Het is geen gerechtigheid, want ons geloof is onvolkomen, maar Hij rekent het ons toe als gerechtigheid. Zoals bij Abraham:
“Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn! En hij geloofde in de HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid” (Gen. 15:5, 6).

Hoe vaak zegt de Heere Jezus niet tegen mensen die Hij genezen had: “Uw geloof heeft u behouden” (o.a. Luk. 17:19; 18:42)? Zij werden behouden omdat zij het verwachtten van Hem alleen.

Behouden door werken?

Toch lezen we, vooral bij Jakobus, meerdere keren hoe belangrijk onze werken zijn, zelfs in verband met behoud. Bijvoorbeeld: “Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?” (Jak. 2:14) en even verder: “Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, toen hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?” (Jak. 2:21).

Hoe zit dat dan? Zijn wij nu behouden door geloof of door werken?
Geloof en werken zijn heel nauw met elkaar verbonden. Geloof zonder werken is dood, zegt Jakobus (Jak. 2:26) en “Toon mij dan uw geloof zonder werken” (Jak. 2:18 NBG). We moeten deze uitspraken echter wel in hun context zien. Jakobus spreekt tegen Joodse gelovigen die wel luisterden naar het Woord, maar weigerden te gehoorzamen. Zulke mensen misleiden zichzelf, vandaar de vermaning: “En weest daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelf met valse overlegging bedriegende” (Jak. 1:22).
Woord en daad zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, zoals het Hebreeuwse woord ‘dabar’ (= woord en daad) ook uitdrukt. Het is één woord dat gebruikt wordt voor zeggen en doen. Een integer mens doet wat hij zegt en zegt wat hij doet.
We kunnen wel zeggen dat we geloven, maar als onze daden daarmee niet in overeenstemming zijn, houden we onszelf voor de gek. Onze werken getuigen van ons geloof … of van ons ongeloof. De werken die we doen, getuigen van wat in ons hart leeft, net zoals dat bij de Heere Jezus het geval was: “Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en gij gelooft het niet. De werken, die Ik doe in de Naam Mijns Vaders, die getuigen van Mij” (Joh. 10:25).
Zo kunnen onze werken getuigen van Hem die ons gered heeft. Paulus maant Titus “om goede werken voor te staan” (Titus 3:8).
Maar werken kunnen ook getuigen van ongeloof: “Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ongeschikt” (Tit. 1:16).
Geloof en werken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar het is heel belangrijk om het verschil tussen deze twee in de gaten te houden. Geloof is de basis van ons behoud. De werken die hierop gebaseerd zijn, vormen ons zichtbare getuigenis.

Dood geloof en dode werken

Jakobus stelt op zijn beurt dat een geloof dat niet gepaard gaat met goede werken, iemand niet kan behouden: “Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?” (Jak 2:14). De nadruk ligt hier op het woordje ‘dat’. Dàt geloof kan deze persoon niet behouden, want het is een dood geloof.
Lees zijn indrukwekkende betoog over een dood geloof: “Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood. Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen. Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen. Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is? Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, toen hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? Ziet gij wel, dat het geloof mede gewerkt heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken? En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest. Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleen uit het geloof? En evenzo ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, toen zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een andere weg uitgelaten? Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood” (Jak. 2:17-26).

Jakobus zegt hier niet dat goede werken op zich behouden, maar hij koppelt consequent geloof aan goede werken. Het één kan niet zonder het ander. We zijn behouden op grond van geloof. Dat is de (juridische) basis van ons behoud. Dat is het principe van genade. Paulus noemt dit noodzakelijke samengaan van geloof en werken ‘het werk uws geloofs’: “Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en de arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onze Heere Jezus Christus, voor onze God en Vader” (1 Thess. 1:3). Het sleutelwoord hierbij is het woordje liefde. De liefde voor de Heere Jezus en de liefde voor de mensen smelten samen in “het werk uws geloofs”. Zo zijn onze goede werken de zichtbare getuigen van wat Gods Geest onzichtbaar in ons hart uitwerkt.

Slavernij van de wet

We keren terug naar Paulus’ beeld van Sara en Hagar als beeld van de belofte, respectievelijk de wet. Als nieuwtestamentische gelovigen zijn wij geestelijk gezien kinderen van de belofte (Sara) en geen slaven van de wet (Hagar). We moeten daarbij oppassen dat we onze vrijheid in Christus niet verliezen door zelf aan het werk te gaan. Ook dan zijn we ‘in het vlees’ bezig, zoals Abraham die Ismaël bij Hagar verwekte. Hij was een gelovige, maar in plaats van te wachten op Gods tijd en bezig te zijn met de werken die God voor Hem bereid had, probeerde hij Gods belofte in eigen kracht te vervullen. Eigen werken kunnen hele vrome dingen zijn. We proberen dan datgene wat God in ons leven wil doen, zelf te verwerkelijken en zijn slaven van bijvoorbeeld onze eigen verlangens of ambities, van ons verstand of … van de mening van anderen. Daarmee geven we onze vrijheid in Christus prijs en laten ons een nieuw slavenjuk opleggen (Gal. 5:1).

Rust en werken

Er is nog iets waaraan we moeten denken bij ons werk voor de Heere en dat is misschien wel het moeilijkste. Het is tevens een kenmerk van de werken die God voor ons bereid heeft. We moeten namelijk, al werkende, in de rust blijven: “Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne” (Hebr. 4:10, lees Hebr. 3 en 4). De Heere Jezus zegt: “Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht” (Matt. 11:28-30).
Het is heel erg verleidelijk om ons te laten opjagen door omstandigheden, door de nood, door persoonlijke gedrevenheid, door ambities, enz. We leven in het westen in een hectische en opgejaagde wereld en worden met dit stressvirus voortdurend besmet. Ook in onze gemeentes verdrinken christenen vaak in de goede werken, omdat ze niet het werk doen dat God voor hen bereid heeft, maar omdat ze het werk doen dat God voor een ander heeft bereid. We vinden dat het moet gebeuren en … nemen het er maar bij. Intussen leggen we onszelf of elkaar slavenjukken op.

Hagar profetisch

De geschiedenis van Hagar en Sara heeft ook nog een profetische betekenis. Die zien we doorschemeren in de verzen 26 en 27 van Galaten 4. Het hemelse Jeruzalem, dat na het Vrederijk uit de hemel neer zal dalen, is onze moeder. Israël was in het verleden onvruchtbaar, net als Hanna en Sara, maar zal in de toekomst veel kinderen hebben (Jes. 49: 21). De Heere zal Israël herstellen, zoals Hij deze beide vrouwen herstelde en zij zal veel kinderen krijgen, meer dan de slavin. Israël zal zijn als het zand der zee en als de sterren aan de hemel.

De Arabische Hagar

Maar ook de vijandschap van Hagar en Ismaël t.o.v. Sara en Izak werpen hun schaduwen ver vooruit. De geschiedenis leert dat de kinderen van de slavin tot op de dag van vandaag vijanden zijn van de kinderen der belofte. De natuurlijke nazaten van Hagar, de Arabieren, verdragen zich niet met de kinderen van de belofte, de Israëlieten. Zij misgunnen Israël haar door God beloofde plaats in het land Israël, zij stelen de belofte door te verkondigen dat Ismaël i.p.v. Izak de zegen zou hebben ontvangen (de Koran). Hoewel er voorbeelden zijn van heel goede vriendschappen tussen Joden en Arabieren, is dat momenteel meer uitzondering dan regel. De haat van de meeste Arabieren ten opzichte van de Joden is groot; het wordt hun bijna met de paplepel ingegoten. Ook de christenen, de geestelijke nazaten van Abraham, zijn over het algemeen niet erg geliefd in Arabische landen, waar de islam geen andersoortige gelovigen duldt.

Een kerkelijke Hagar

Maar laten we niet te veel naar anderen kijken. Herkennen we in het christendom, zoals het zich in haar 2000 jaar geschiedenis t.o.v. het verstrooide Joodse volk heeft gedragen, ook niet de jaloerse Hagar en Ismaël? Ook zij heeft, in de vervangingstheologie, zich de plaats van Israël toegeëigend. Israël had afgedaan en de eeuwenoude beloften en profetieën voor Israël zouden op de kerk zijn overgegaan. Het was kerkvader Augustinus die rond 400 na Chr. deze theorie uitwerkte en de vervangingstheologie vorm gaf. De geschiedenis heeft geleerd dat dit denken een van de belangrijke wortels is geweest van 1600 jaar Jodenvervolgingen, van de kruistochten, inquisitie en holocaust. Zij gingen hand in hand. Deze vervangingstheologie is tot op de dag van vandaag niet alleen nooit herroepen, maar hier en daar zelfs nog springlevend. Zolang kerken niet officieel breken met deze vervangingtheologie, zullen zij er in de toekomst aan ten onder gaan.

Een evangelische Hagar

Maar vandaag doemt er nog een Hagar op, die zich midden in de evangelische kringen heeft genesteld. Een soort evangelisch christendom dat zich op de plaats van Israël heeft gezet, al is het misschien niet met zoveel woorden als Augustinus met zijn vervangingstheologie deed. We worden vooral vanuit Noord Amerika overspoeld door allerlei aantrekkelijke evangelische bewegingen zoals Kingdom Now Movement (Koninkrijk Nu) en Prosperity Gospel (Welvaartsevangelie) waarbij Israël in feite ook zijn Bijbelse positie verliest.
Alsof het Messiaanse rijk reeds is aangebroken, propageren zij o.a. een gemakkelijk christendom zonder lijden of een succesvol christendom zonder armoede.
Laten we Hagar wegsturen, vasthouden aan het getuigenis van Abraham en Sara, aan de geweldige beloften voor Israël en voor de Gemeente en aan onze taak als getuigen in een wereld die verloren gaat. Daarbij hoort zeker dat we Israël, door middel van hun eigen Boek, met het Evangelie bekend maken. “Want”, zo eindigt Paulus zijn brief aan de Galaten, “in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over hen zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods”.

Voetnoot:
Merk op dat Paulus een duidelijk onderscheid maakt tussen het geloof van en in Christus.
Dit onderscheid is wel in de Statenvertaling, maar niet in de NBG-vertaling terug te vinden.
Zie bijvoorbeeld Galaten 2:16: “Doch wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden”.

Sluiten