Heeft God opdracht gegeven tot genocide?

Profetisch Woord Tekst, Gábor Locht

Sommige Bijbelteksten kunnen je behoorlijk in verwarring brengen. Je wilt graag geloven dat God goed en rechtvaardig is, maar soms knaagt de twijfel wanneer iemand je lastige teksten voor de voeten werpt.

Wat doe je wanneer je uit een Bijbeltekst lijkt te moeten concluderen dat God níet (altijd) rechtvaardig en liefdevol is? Gábor Locht bespreekt een aantal lastige Bijbelteksten, ‘struikelteksten’, die bij sommige mensen zouden kunnen leiden tot twijfel aan Gods goedheid. Hij geeft enkele handreikingen om deze teksten begrijpelijker te maken.

GENOCIDE?

Allereerst is het belangrijk om de vraag zuiver te stellen. Genocide is ‘volkerenmoord’ en zoals elke moord is ook deze een misdaad. In de vraag ‘Hoe kan een goede God opdracht geven tot genocide?’ ligt zodoende al een veroordeling besloten. Je gaat er dan vanuit dat het doden van de Kanaänieten moord was en je vraagt je nu alleen nog af hoe het kan dat God de opdracht heeft gegeven om mensen te vermoorden. De vraag is daarom niet zuiver gesteld. Laat ik ter verduidelijking een voorbeeld geven. Wanneer iemand mij zou vragen: ‘Hoe kon het nu gebeuren dat jij een diefstal hebt gepleegd?’ zou ik mij beledigd voelen. Ik zou dan zeggen: ‘Wacht eens even! Wie beweert er dát ik een diefstal heb gepleegd?! Je gaat er in je vraag al vanuit dat dat zo is. Waar haal je dat vandaan!’ Wanneer het gaat om de Kanaänieten moeten de vragen dan ook zijn: Wás het doden van de Kanaänieten moord? Was Gods opdracht onrechtvaardig? Of is het mogelijk om Gods opdracht te zien als een rechtvaardig oordeel over mensen die een huiveringwekkende straf hadden verdiend?

BESCHEIDENHEID

Deze Bijbelgedeelten behoren tot de moeilijkste die er zijn. Maar jouw uitgangspunt is bepalend voor jouw reactie. Als je direct zou zeggen dat het doden van mensen ‘dus onrechtvaardig was’, ga je ervan uit dat je in een positie bent om dat te kunnen vaststellen. Dat is niet echt een bescheiden houding. Het is dan ook goed om je af te vragen: ‘Kan het zo zijn dat ik ernaast zit in mijn oordeel?’ Kan het zo zijn dat iemands daden zó erg zijn dat hij geen recht meer heeft om verder te leven? Als je principieel tegen de doodstraf bent, zul je hier waarschijnlijk direct ‘nee’ op antwoorden. Maar bedenk daarbij dit: een van de belangrijkste bezwaren tegen het uitoefenen van de doodstraf is het feit dat menselijke rechters in hun oordeel fouten kunnen maken. Als blijkt dat iemand onschuldig is nadat de straf is voltrokken, kan die straf nooit meer ongedaan worden gemaakt. Daarmee wordt ook meteen een belangrijk verschil duidelijk met Gods veroordeling van de Kanaänieten: van God wordt gezegd dat Hij de harten van de mensen kent én strikt rechtvaardig oordeelt. Er is volgens de Bijbel dus geen kans op fouten van Gods kant.

ONRECHTVAARDIG?

Toch zou Gods handelen nog steeds als onrechtvaardig kunnen aanvoelen. En begrijp mij goed, ik kan daar goed inkomen. Bij deze gedeelten heeft íedere lezer waarschijnlijk het gevoel: was zó’n streng oordeel nu echt nodig? Maar zie jezelf dan eens in het perspectief waarin de Bijbel mensen plaatst: jij denkt dat je kunt vaststellen dat iets onrechtvaardig was, zonder dat je de betrokken mensen kent en zonder dat je weet wat zij precies gedaan hebben. Bovendien zul je waarschijnlijk erkennen dat jij fouten kunt maken. Daartegenover staat een God Die het hart van ieder mens persoonlijk kent. Die God heeft in al Zijn richtlijnen voor de mens steeds benadrukt dat Hij opkomt voor het recht en dat Hij onrecht haat. Deze God openbaart Zich als Iemand Die alles weet en geen fouten maakt. En misschien nog wel veel belangrijker: God komt naar voren als een liefhebbende God Die mensen vrijspreekt als het maar enigszins mogelijk is. Hij was zelfs bereid om het leven van Zijn Zoon daarvoor te geven. (En Zijn Zoon gaf Zijn leven daarbij vrijwillig!) Als nu díe God besluit om mensen de doodstraf te geven, moet je niet te snel zeggen: ‘Dat is dus onrechtvaardig …’ Het is aannemelijker dat jouw beoordeling onjuist is. Nu zou je kunnen reageren met: ‘Oké, ik begrijp dat ons blikveld beperkt is en dat wij Gods daden niet kunnen narekenen. Maar stopt daarmee het gesprek? Is het enige dat we kunnen doen: aannemen dat God rechtvaardig geoordeeld heeft, omdat Hij dat nu eenmaal zegt?’ Ik geloof dat er enkele aanwijzingen in de Bijbel staan, die iets meer licht laten schijnen op Gods oordeel over de Kanaänieten.

GODS OORDEEL KWAM WELOVERWOGEN

Gods oordeel over de Kanaänieten kwam niet in een opwelling van woede. Het kwam pas na een lange ‘proeftijd’, zoals blijkt uit Genesis 15:13-16. In dit Bijbelgedeelte laat God aan Abraham de toekomst zien. Hij voorzegt dat Abrahams nakomelingen vierhonderd jaar in Egypte zullen verblijven en daar onderdrukt zullen worden. Daarná zullen de Israëlieten terugkeren naar het land Kanaän: het land dat God aan Abraham beloofd had. De reden voor dat tijdstip van terugkeer is opmerkelijk: “De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten [een verzamelnaam voor de inwoners van Kanaän, G.L.] is tot nu toe niet vol” (Gen. 15:16). Daaruit blijkt dat God rekening hield met het onrecht dat er in Kanaän gebeurde. Pas toen de maat daarvan vol was, besloot God tot het voltrekken van Zijn oordeel.

KENDEN DE KANAÄNIETEN GOD?  

Maar hadden de Kanaänieten beter kunnen weten? Ik denk het wel. De godsdienst van de Kanaänieten was een verbasterde vorm van de dienst aan God. Via Adam en later via Noach is kennis van God ook bij de Kanaänieten terechtgekomen. Noach stierf waarschijnlijk enkele duizenden jaren (en volgens sommigen zelfs minder dan duizend jaar) vóór de intocht in Kanaän. En hij diende God. Deze kennis van God is door de Kanaänieten echter verminkt tot praktijken die ‘een gruwel in de ogen van God’ waren. In hun godsdienst zijn echter nog steeds overeenkomsten waar te nemen met de godsdienst van Israël. Naast verbasterde kennis was er echter ook zuivere kennis van God buiten het volk Israël. In de Bijbel zijn voorbeelden beschreven van mensen buiten Israël, die God dienden. Job en zijn vrienden, die uit verschillende volken kwamen, kenden God bijvoorbeeld. Zij leefden waarschijnlijk in het gebied van Edom, in de buurt van de Dode Zee en waren mogelijk tijdgenoten van Abraham, al is dat niet met zekerheid te zeggen. Het is in ieder geval aannemelijk dat zij vóór de tijd van Mozes leefden.1  Ook heeft het er alle schijn van dat Jethro, de schoonvader van Mozes, God kende (Exod. 2:16; 3:1 en 18:1-12). Hij behoorde niet tot het volk Israël en wordt een priester van Midjan genoemd. Jethro had een tweede naam: Rehuel (Exod. 2:18; Num. 10:29). Dat betekent: ‘vriend van El – God’.2  En denk ook aan Genesis 14 waar gesproken wordt over Melchizedek, de koning van Salem, die ‘priester van God, de Allerhoogste’ genoemd wordt. Deze aanwijzingen, hoe klein ook, laten zien dat kennis van God niet alleen in Israël te vinden was. Denk tot slot ook aan Rachab (in Jozua 2 en 6), die met haar familie uit Jericho gered werd en níet onder Gods oordeel viel. De geschiedenis van Rachab laat twee dingen zien. Ten eerste vermeldt de geschiedenis dat alle Kanaänieten over de God van Israël hadden gehoord (Joz. 2:9). Men kende de wonderen bij de uittocht uit Egypte, die veertig jaar daarvoor hadden plaatsgevonden. Ook wist men wat er met de Egyptenaren was gebeurd. Toch vormde Rachab met haar familie de enige groep mensen die iets met die kennis deed. Ten tweede laat de geschiedenis zien dat God in Zijn oordeel een uitzondering maakte voor iemand die tot inkeer kwam. Hij strafte alleen diegenen die dat niet deden. Ondanks het feit dat het voor ons misschien moeilijk te begrijpen is, zijn er goede redenen om erop te blijven vertrouwen dat God een rechtvaardig oordeel over de Kanaänieten heeft geveld, hoe huiveringwekkend die conclusie voor elke lezer (mijzelf incluis) ook is.3 

1. Zie prof. dr. M.J. Paul, drs. G. van den Brink en ds. J.C. Bette, Studiebijbel Oude Testament (SBOT) deel 6, Centrum voor Bijbelonderzoek, Veenendaal, 2009, pag. 379-386. 2. Zie SBOT deel 2, 2005, pag. 465. 3. Het oordeel over de Kanaänieten heeft ook te maken met de vloek over Kanaän, die in Genesis 9:25 beschreven wordt. De gelegenheid ontbreekt echter om binnen de beperkte ruimte van dit artikel recht te doen aan deze tekst.

Sluiten