'Heel Israël behouden'

Evangelie voor Israël Tekst,

Vraag: Waarom zou je Joden het Evangelie brengen als er in Romeinen 11:26 staat dat ‘heel Israël zalig zal worden’?

Inleiding

Als we dit vers niet in de context lezen, lijkt deze vraag een voor de hand liggende conclusie. We doen Gods Woord dan echter wel heel erg te kort. Want op grond waarvan vindt zaligmaking plaats? En hoe staat dit in de context van het betreffende Bijbelgedeelte? 

Gerechtvaardigd door het geloof

In Romeinen 9 komt Paulus meteen tot de kern van de zaak waarom hij maar liefst drie hoofdstukken in zijn brief aan Gods handelen met Israël wijdt. Hij heeft “een grote bron van droefheid” en een “voortdurende smart” in het hart. “Ik zou zelf wel wensen vervloekt te zijn, weg van Christus, ten gunste van mijn broeders, mijn familieleden wat het vlees betreft” (vs. 2, 3). Paulus zou als het ware zijn eigen behoud willen opgeven als hij daarmee zijn volksgenoten voor Christus kon winnen. Hij realiseert zich als geen ander (zie Fil. 3:4-9) dat Israël niet recht voor God kan staan door het najagen van de wet en het verdienen van eigen gerechtigheid. “Israël, dat de wet van de gerechtigheid najaagde, is aan de wet van de gerechtigheid niet toegekomen. Waarom niet? Omdat zij die niet uit geloof zochten, maar als uit werken van de wet” (Rom. 9:31, 32). In Romeinen 10 werkt Paulus dit verder uit en laat zien dat Christus het einde (Grieks: telos) van de wet is (10:4). Alleen op grond van geloof in de Heere Jezus Christus kan er rechtvaardiging plaatsvinden (10:9, 12). 

Romeinen 11

Binnen de eerste gemeenten heerste grote verwarring over de positie van Israël als volk.Er was immers een Gemeente van Joden en heiden ontstaan, het Lichaam van de Messias, met een hemelse roeping en een hemelse bestemming. Waren alle aardse beloften van herstel voor Israël daarmee komen te vervallen? Paulus geeft in Romeinen 11 antwoord op deze belangrijke vraag: “Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet!” (vers 1). Vervolgens laat hij vanuit de geschiedenis met Elia zien dat er altijd een gelovig overblijfsel is geweest (vers 2-4). Dat overblijfsel was er niet alleen vroeger, maar is er ook vandaag. “Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade… de anderen zijn verhard, zoals geschreven staat: God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de dag van heden” (vers 5, 7, 8). Uit het volk zijn er dus die de Heere Jezus aanvaardden als Messias en tot het gelovig overblijfsel behoren. Paulus is zelf één van hen en daardoor het levende bewijs dat God Zijn volk niet verstoten heeft: “Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin”.

Een gedeeltelijke en tijdelijke verharding

Blijft Israël als volk voor altijd verhard? Ook hier geeft Paulus antwoord op: “Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog, dat er voor een deelverharding over Israël is gekomen, totdatde volheid van de heidenen is binnengegaan” (vers 25). De ‘geest van diepe slaap’ en ‘de verharding over Israël’ betreft dus een deelvan het volk en heeft een ‘totdat’. De belofte luidt immers: “ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten” (vers 23).

Heel Israël zal zalig worden

Na deze inleiding krijgen we het vers, waar het in dit artikel om draait. “En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob” (vers 26). Let op de kleine, maar belangrijke woordjes ‘zo zal’, dat vaak bij het citeren van deze tekst wordt vergeten. De apostel laat namelijk zien hoe die toekomstige verlossing van het volk zal verlopen. Er komt namelijk een moment dat niet enkelen uitIsraël, maar heel het volk zal weten en geloven dat Jezus de Messias is. Is dat moment al geweest? Nee, in de afgelopen tweeduizend jaar heeft het overgrote deel de Heere Jezus niet als Messias gekend. Wanneerzal dat moment dan aanbreken en hoe zal dat geschieden? Hetzelfde vers geeft daar antwoord op: “als de Verlosser uit Sion zal komen en de goddeloosheden van Jakob zal afwenden”.1

Paulus citeert hier Jesaja 59:20 waar staat: “En naar Sion zal een Verlosser komen voor (let op de voorwaarde!) wie zich in Jakob van overtreding bekeren, spreekt de HEERE”.
Wanneer we de verzen vergelijken, zien we verschil tussen Zijn komst als Verlosser uit Sion en naar Sion. Ervan uitgaande dat Paulus dit geïnspireerd door de Heilige Geest schrijft, kunnen we moeilijk aannemen dat hij het verkeerd citeert. De Verlosser zal dus zowel naar Sion komen als ook uit Sion gaan. Wanneer we deze teksten leggen naast de Bijbelgedeelten die spreken over de wederkomst van Christus, dan kloppen beide. De Heere Jezus zal namelijk naar Sion gaan, Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg (vgl. Zach. 14:4; Hand. 1:10-13). En wat zal er met deze bijzondere berg gebeuren? “Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de ene helft van de berg naar het noorden zal wijken en de andere helft ervan naar het zuiden. Dan zult u vluchten door het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevluchtbent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda” (Zach. 14:4, 5). De Verlosser zal dus eerst naar Sion gaan om vervolgens vanuit Sion, via een vluchtweg, verlossing te geven! Eerst een fysieke verlossing uit Jeruzalem en Judea naar de bergen in de woestijn (vgl. Matt. 24:15-21; Ezech. 20: 34-38; Hos. 2:13), maar ook een verlossing in geestelijke zin, als hun goddeloosheden op grond van Christus’ offer, zullen worden afgewend (Rom. 11:26). Dat zal ook het moment zijn dat heel het volk, “wie zich in Jakob van overtreding bekeren”, zalig zal worden (vgl. Jes. 59:20; Zach. 13:8, 9 en Rom. 9:6).

Berouw en bekering

Het is belangrijk ons te realiseren dat deze verlossing alleen plaatsvindt op grond van geloof, berouw en bekering. Dit principe is onder andere al door Mozes vastgelegd in Deuteronomium 30 toen het volk nog voor het beloofde land stond. Maar het geldt ook voor de tijd van Richteren (Richt. 3:9, 15; 4:3 etc.), de Profeten (Hos. 14:2, 3), de Heere Jezus (Matt. 23:37-39), de apostelen (Hand. 3:19-21) en de (nabije) toekomst. “Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben, en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart” (Jer. 24:7).

Samengevat

Terugkomend op de vraag, hoe om te gaan met de verspreiding van het Evangelie en de tekst dat ‘heel Israël zalig zal worden’, kunnen we dus het volgende antwoorden:
1. Zaligmaking kan alleen plaatsvinden op grond van geloof in de Heere Jezus. “Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden.” (Rom. 10:9). Dit geldt zowel nu voor de individuele Jood en heiden als voor Israël als volk in de toekomst;
2. Er is een gedeeltelijke verharding over Israël gekomen. Gedeeltelijk kan alleen maar betekenen dat er ook een gelovig overblijfsel is: de Messiaanse gelovigen. Zij behoren samen met de gelovigen uit de heidenen tot de Gemeente, het Lichaam van Christus (Ef. 2:16). Naar schatting zijn er wereldwijd ruim 500.000 Messiaanse gelovigen.
3. De huidige gedeeltelijke verharding heeft een ‘totdat’, want God zal opnieuw ingrijpen en de draad met Israël als volk weer opnemen;
4. Romeinen 11:26 spreekt over dit (nog toekomstige) Goddelijke ‘totdat’, waarbij de Heere Jezus als Verlosser voor Zijn volk zal terugkomen. 

Evangelie nu?

We hebben gezien dat Romeinen 11:26 spreekt over de wederkomst van Christus. Maar hoe staat het met onze Joodse vrienden die vandaag leven en dat moment van Christus’ wederkomst mogelijk niet bereiken? Laat hun eeuwig heil ons koud of is net als Paulus ons ‘oprecht verlangen en gebed voor Israël gericht op hun zaligheid’ (Rom. 10:1)? Als dat laatste ons verlangen en gebed is, hebben we een grote verantwoordelijkheid. Vanuit die achtergrond roept Paulus zijn medegelovigen met een krachtige hartenkreet tot de orde: “Hoe zullen zij dan Hem aanroepen in Wie zij niet geloven? En hoe zullen zij in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt? En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Zoals geschreven staat: Hoe lieflijk zijn de voeten van hen die vrede verkondigen, van hen die het goede verkondigen!” (Rom. 10: 15-16). En hoe kunnen we dat Evangelie beter brengen, dan hen eenvoudig hun eigen Geschriften terug te geven?

Voetnoot: 
Let opnieuw op het woordje ‘zal’, dat de toekomstige tijd aanduidt, alsmede de zekerheid dat het ook werkelijk gaatgebeuren!

Sluiten