Het belang van het profetische Woord (dl. 1)

Profetisch Woord Tekst, Harry Honigh

Het profetische woord is een verzamelnaam voor al die bijbelgedeelten die gaan over de toekomst. Over gebeurtenissen die, vanuit de schrijver gezien, nog moeten plaatsvinden. Een groot deel van die profetieën is nog niet vervuld. Hoewel wij misschien niet alles wat de profetieën voorzeggen mee zullen maken, is de Bijbel duidelijk over het belang van het profetische woord: we kunnen niet zonder.

Waarom wordt er nog zo weinig gesproken over het profetische woord? Waarom is het een veelgehoorde klacht, zowel in evangelische als in reformatorische kringen, dat er zo weinig gepreekt wordt vanuit het Oude Testament? Waarom zeggen veel gelovigen dat zij daar ‘niet zoveel mee kunnen’? Daarvoor zijn meerdere redenen, maar één steekt er met kop en schouders bovenuit: de vervangingstheologie, de theorie die zegt dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen.

De vervangingstheologie

Grote delen van de kerk hebben sinds Origenes (185-254 n. Chr.) en Augustinus (354-430 n. Chr.) de leer aangehangen dat we de profetieën niet letterlijk, maar symbolisch moeten uitleggen. Augustinus was de grondlegger van de vervangingstheologie, die leert dat de kerk in de plaats van Israël zou zijn gekomen. Deze theorie beweert dat Israël sinds de verwerping van haar Messias heeft afgedaan en dat al haar beloften overgegaan zijn op de kerk. Sinds die tijd heeft het grootste deel van de christenheid zichzelf gezien als het nieuwe Israël, als het ware Sion, het geestelijk Jeruzalem op aarde. De gevolgen van deze leer waren desastreus:

a) Het hele profetische woord, globaal een kwart tot een derde van onze Bijbel, is daarmee onleesbaar geworden. Haar directe betekenis voor de toekomst is eeuwenlang verborgen gebleven. Eeuwenlang werden de profetieën nauwelijks gelezen en uitgelegd. En als het wel wordt uitgelegd, is men overgeleverd aan menselijke fantasieën met als gevolg de veel gehoorde klacht: ″Je kunt er alle kanten mee op…″. Zo wordt op veel plaatsen gepredikt dat we nu in het duizendjarig vrederijk leven en de satan al gebonden is.
Het profetische woord wordt nog maar sporadisch gelezen en het trieste is dat weinig christenen dat als een probleem zien. Het lijkt als een gegeven te zijn geaccepteerd. We zeggen de Bijbel te geloven van kaft tot kaft en van woord tot woord, maar accepteren tegelijk dat zo’n groot en belangrijk deel van Gods Woord ongebruikt blijft.

b) Het Joodse volk is, (mede) door toedoen van deze vervangingstheologie, door de kerk afgewezen, gediscrimineerd en vervolgd. Het christelijk antisemitisme is een grote en zwarte bladzijde in de geschiedenis van de kerk. Miljoenen Joden zijn vermoord door mensen die zich christenen noemden. Ook tijdens de Holocaust, de systematische uitroeiing van zes miljoen Joden tijdens de tweede wereldoorlog, werd door de nazi’s dankbaar gebruik gemaakt van het antisemitisme dat in de kerk reeds aanwezig was.
Maar ook in onze tijd halen veel christenen de schouders op bij het wereldwijde probleem van antisemitisme. En omdat veel christenen de toekomst, zoals de Bijbel ons die schildert, niet kennen, zien ze ook niet welke wereldwijde dimensies de Jodenhaat nog zal krijgen.

Bedekking

Het monster van de vervangingstheologie is vermoedelijk geboren uit jaloezie, waardoor het nog steeds gevoed wordt. En het is allesbehalve dood. Ook vandaag komen we deze gedachte nog in allerlei vormen tegen, vooral waar we haar het minst zouden verwachten: in grote evangelische stromingen. De ontkenning van Gods eeuwige plan met Israël is als een sluier die tot op de dag van vandaag het profetische Woord bedekt. Het Joodse volk leeft met een bedekking op het gelaat ten aanzien van de persoon van de Heere Jezus (2 Cor. 3:13-16), maar vele christenen hebben een even grote bedekking op het gelaat en wel ten aanzien van Gods plan met Zijn oude volk.
Ik zou aan iedereen die de profetieën als symbolische taal leest, willen vragen:

U leest vermoedelijk de oordelen die uitgesproken zijn over Israël wel letterlijk. Het volk Israël heeft in haar geschiedenis de Heere meermalen afgewezen en vele oordelen daarvoor ontvangen. Maar waarom waren de oordelen wel letterlijk bedoeld en de zegeningen niet?
Veel van de profetieën die over Israël zijn uitgesproken, zijn uitgekomen: de ballingschappen, de terugkeer, de komst en het sterven van de Heere Jezus, enz. Het zijn honderden profetieën die allemaal letterlijk vervuld zijn. Ook de stichting van de staat Israël (Matt. 24:32,33), de toenemende vijandschap van de wereld ten opzichte van Israël (Zach. 12 - 14) en de toenemende geestelijke verleiding in onze tijd (Matt. 24) zijn slechts enkele voorbeelden van profetieën die vervuld zijn of momenteel worden vervuld. Als de vervulde profetieën dan allemaal letterlijk zijn uitgekomen, zouden dan de nog onvervulde profetieën ook niet letterlijk bedoeld zijn?
Licht op een duistere plaats

Er is nog een derde gevolg van deze verwerpelijke leer die velen niet zien. De profetieën waarschuwen ons namelijk voor de komst van dwaalleraren, verleiders, valse christussen, valse verbonden, valse religie, valse apostelen, wereldwijde afval en de (geest van) de komende antichrist. Vele christenen zijn hierdoor een gemakkelijke prooi geworden voor allerlei soorten van dwaalleer, waarmee de satan in onze tijd probeert het Woord van God en de gemeenten onderuit te halen. Met het oog op de daardoor toenemende duisternis schrijft Petrus:
″En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlicht, en de morgenster opgaat in uw harten″ (2 Petr. 1:19).

Als we het gedeelte in z’n verband lezen, zien we dat Petrus met die ‘duistere plaats’ op twee dingen doelt. Allereerst ons hart, dat snel is om te zondigen. Maar tegelijk spreekt Petrus in dit gedeelte vanaf vers 19 over de verleidingen van de laatste dagen. De duistere plaats is ook de (religieuze) wereld waarin wij leven, wij, voor wie de komst van de Heere Jezus dichtbij is. Hij vergelijkt onze dagen met die van Noach vóór de zondvloed en met die van Lot vóór de vernietiging van Sodom en Gomorra. Petrus wijst op de dwaalleraren en verleiders die de ‘rechte weg verlaten hebben’ (2 Petr. 2:15), die zich afgekeerd hebben van het heilige gebod (2 Petr. 2: 21). Is dit niet schokkend? Het zijn geen mensen uit het kamp van de ongelovigen, maar christelijke leraren die ‘teruggekeerd zijn naar hun uitbraaksel’(vs. 22), spotters, die spotten met de wederkomst van Christus (2 Petr. 3: 3), onstandvastige lieden die de waarheid verdraaien (vs. 16) en zedelozen (vs. 17). Paulus noemt ze: dienaren die zichvoordoen als“dienaren der gerechtigheid” (2 Kor. 11:15).
Deze hele brief van Petrus staat in het licht van de afval die gepredikt wordt door geestelijke leiders, die mensen meeslepen met vroom klinkende boodschappen. En tegen zulke verleidingen, zegt Petrus, is er maar één remedie: het profetische Woord, dat zeer vast is. Daarom sluit Petrus de brief af met: “Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid; Maar wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus”(2 Petr. 3:17,18). We kunnen het van tevoren weten, want we hebben het profetische Woord, we hebben die lamp die schijnt in deze duistere wereld. Maar benutten we ook het licht van die lamp nog?

Kennis en beleving

Petrus laat zien hoe profetie, genade en kennis onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Merk op hoe hij in de eerste tien verzen van zijn tweede brief de aandacht vestigt op kennis. Het begint met de kennis die leidt tot de vruchtdragen (vs. 8). Velen zien kennis en beleving als concurrenten van elkaar. Het zou gaan om de beleving, de ervaring van het geloof en niet om de kennis. De kennis wordt nogal eens verdacht gemaakt met kreten als ‘de letter doodt’ en ‘liever een levend geloof dan een dode leer’. Zo wordt een oneigenlijke tegenstelling geschapen waaruit we zouden moeten kiezen. Maar kennis en beleving zijn allebei goed, sterker nog, ze zijn beide noodzakelijk. Het één kan niet zonder het ander.

Eenzijdige aandacht voor de beleving leidt al gauw tot afgoderij met het eigen gevoel, met woorden, voorwerpen of zelfs bijbelteksten. Zo worden in het z.g.n. Contemplatief Christendom gebedstechnieken en vormen gebruikt, waarbij woorden en bijbelteksten eindeloos worden herhaald, net als hindoes dat doen met hun mantra’s.
Vooral het profetische Woord wordt nogal eens afgeschilderd als overbodige kennis. Rick Warren bijvoorbeeld zegt in zijn boek ‘Doelgericht Leven’: “Als we willen dat Jezus sneller terugkomt, dan moeten we ons richten op de vervulling van onze missie, en ons niet bezighouden met het uitpluizen van profetieën.”1) Nergens wijst hij in zijn boek op enig belang van het profetische Woord. Als hij met het ‘uitpluizen van profetieën’ het grondig bestuderen en het ons eigen maken van de bijbelse profetieën bedoelt, dan klinkt deze oneliner misschien wel vroom, maar dan is hij onbijbels. Warren schept een oneigenlijke tegenstelling. Alsof het bestuderen van het profetische Woord niet samen zou kunnen gaan met het dienen van de Heere, het doen van Zijn wil in ons leven. Die twee moeten zelfs samengaan. Het begint allereerst met het luisteren naar Gods Woord, inclusief de profetieën, en pas daarna het doen van Zijn wil. Luisteren naar Gods Woord is een dagelijkse prioriteit.

Al de Schrift

Nu zullen sommigen misschien tegenwerpen dat de profetieën pas relevant worden in de tijd dat zij in vervulling gaan. Vaak hoor je zeggen: “Voor het kennen van Gods wil in mijn leven heb ik toch genoeg aan het Nieuwe Testament?” Het antwoord hierop is een absoluut ‘nee’! Het profetische Woord is niet te scheiden van de rest van de Bijbel. Paulus schrijft aan Timotheus:
″Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;″ (2 Tim. 3:16)

Dit ‘nuttig’ zijn van ‘al de Schrift’ is daarom niet vrijblijvend en geldt dus voor elk bijbelboek, elk vers, ja, voor elk woord in onze Bijbel. Ook hier mogen we geen oneigenlijke tegenstellingen creëren. De woorden van Paulus zijn even belangrijk als die van de Heere Jezus, de profetieën zijn even belangrijk als de pastorale brieven, en de oudtestamentische geschiedenissen zijn net zo belangrijk als de evangeliën en de brieven. Laat u geen valse tegenstellingen aanpraten.
Daar komt nog bij dat wat wij het ‘profetische Woord’ noemen, veel meer is dan ‘alleen maar’ de boeken Jesaja tot en met Maleachi. De Psalmen bijvoorbeeld bevatten, naast geweldige bemoedigingen, ook zeer veel profetische uitspraken. Maar herkennen wij deze nog wel als profetie? Neem bijvoorbeeld de vele Psalmen die gaan over het oordeel over de volkeren in de Grote Verdrukking, over de bevrijding van Israël en over de daaropvolgende regering van Koning Jezus tijdens het Vrederijk.2) Bemoediging en profetie gaan in de Psalmen vaak hand in hand, want profetie is bij uitstek bemoedigend.
Ook de geschiedenissen van het Oude Testament bevatten veel profetische uitspraken van de Heere, bijvoorbeeld tegen Adam en Eva, Kaïn, Noach, Abraham, Lot, Hagar, Isaak, Jakob, Jozef, tegen Mozes vele malen, tegen Farao, enz.
En wat te denken van de vele profetische woorden van bijvoorbeeld Isaak, Jakob, Mozes, Bileam, Debora, Hanna, Samuël, David, Natan en Salomo? Ook zijn er ook veel oudtestamentische gebeurtenissen die hun schaduwen ver vooruit werpen en ons helpen om de tijd waarin wij leven beter te begrijpen, zoals de torenbouw van Babel, de roeping van Abraham, Jakobs worsteling, het leven van Jozef, de uittocht uit Egypte, de verovering van Jericho, de ballingschap en de terugkeer, de levens van David en Daniël, enz. De bekende kreet ‘de geschiedenis herhaalt zich’ is zeker van toepassing op de geschiedenis van Israël.
Ook de Heere Jezus doet vele profetische uitspraken. Hij spreekt dikwijls in profetische beelden en in gelijkenissen over de toekomst van Israël en de volkeren. Zie bijvoorbeeld Zijn eindtijdrede in Matteüs 24. Veel nieuwtestamentische brieven bevatten profetische gedeelten: de verleiding van dwaalleraren, over de dag des Heeren, over de opstanding, de Heere tegemoet gaan in de lucht, enz. En tenslotte hebben we nog het boek Openbaring. Dit bijbelboek is niet, wat wel eens beweerd wordt, alleen maar beeldspraak ter bemoediging van de gelovigen. Het boek Openbaring is een boek van profetie, zoals Johannes zelf ook zegt in Openb. 1:1,3 en 22:6-10, 18 -19.
Kortom: Een belangrijk deel van de Bijbel bestaat uit profetieën of heeft profetische dimensies. We kunnen dan ook stellen dat het Woord niet alleen profetie bevat, maar dat het Woord profetisch is. Misschien is dat ook wat Petrus bedoelt met “het profetische woord” in 2 Petrus 1:19. Het hele Woord ademt van begin tot eind profetie uit.

Niet afschrikken

Een veelgehoorde kreet is ook: “Je moet ongelovigen niet afschikken met al die doemscenario′s. Het Evangelie is immers een blijde boodschap…” Het gevaar van dit soort verstoppertje spelen, is dat we er helemaal niet meer over praten, zoals de praktijk is in veel kerken en kringen. Men beperkt zich tot een laagdrempelige, positive-only (alleen maar positief) boodschap, waarin geen ruimte meer is voor de profetieën en woorden als: oordeel, hel, verdrukking, enz. Is het blijde van de blijde boodschap niet juist dat we gered zijn van het oordeel? Zonder de achtergrond van het oordeel over hen die Gods genade aanbod bewust afwijzen, is het Evangelie een vrijblijvende zaak.
De bijbelse profeten en evangelisten namen deze thema’s wel mee in hun prediking. Mozes hield de Israëlieten niet alleen de zegen, maar ook de vloek voor (Deut. 28). Ook de psalmisten spreken voortdurend over redding uit het oordeel (bv. Ps. 76:6-9).
En was Paulus bang om te waarschuwen voor de komende oordelen? Volstrekt niet. In Romeinen 2:1-11 bijvoorbeeld spreekt hij onomwonden over het verloren gaan van Joden en heidenen, als zij zich niet bekeren. Ook Petrus windt er geen doekjes om en waarschuwt zijn lezers voor de dag des Heeren:
“Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden” (2 Petr. 3:9,10).
En de Heere Jezus Zelf spreekt, bijvoorbeeld tot de Farizeeën, voortdurend over het oordeel dat hen wacht als zij zich niet bekeren. En als Hij het werk van de Heilige Geest aankondigt, zegt Hij: “En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel” (Joh. 16:8)
Dat is het ware werk van de Heilige Geest in onze tijd: Overtuigen van zonde, overtuigen van redding voor wie luistert en overtuigen van oordeel voor wie niet wil luisteren. Nee, er is geen enkele bijbelse grond voor de positive only boodschap.

Lees ook deel 2: Het profetische woord, de toeststeen voor dwaalleer

Voetnoten:
1) Rick Warren – Doelgericht leven – pag. 293
2) Ik noem er enkele: Ps. 2, 9, 20, 21, 22:28-32, 24, 45, 47, 48, 54, 59, 68, 72, 76, 82, 83, 89, 93, 94, 96, 97, 98, 99, 102, 110, 122, 124, 129, 132, 145, 146, 147, 148 en 149.

Sluiten