Het eerste oogstfeest: L"g Ba'omer

Feesten en offers Tekst, Ineke van Lieshout

L''g Ba'omer is een Joods lentefeest. De feestdag valt dit jaar op 22 mei (18 Ijar volgens de Joodse kalender). Het gebeuren maakt deel uit van de periode waarin elk van de negenenveertig dagen tussen Pesach (Pasen) en Sjawoe'ot (Pinksteren) wordt geteld: de Omertelling.

Inhoudsmaat

Omer heeft meerdere betekenissen. Letterlijk is het een handjevol graan. Het wordt vertaald met gomer, garve en schoof. Omer is tevens een inhoudsmaat voor droge stoffen van bijna 2 liter. "Een gomer nu is het tiende van een efa" (Exod. 16:36). Het manna in de woestijn werd met een omer afgemeten. Mozes sprak: "… een gomer per hoofd naar het aantal van uw personen" (Exod. 16:16b).

Een omer gerst gemalen tot meel weegt ongeveer drieëneenhalf pond. De omer diende ook voor het brengen van de eersteling van de oogst. Mozes kreeg de opdracht: "Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u in het land komt dat Ik u geven zal, en u de oogst ervan binnenhaalt, dan moet u de eerste schoof (omer) van uw oogst naar de priester brengen" (Lev. 23:10). De eerste oogst in Kanaän is die van gerst. Dit gebod om een bundel gerst naar de Tempel te brengen markeert daarom het begin van het oogstseizoen.

Dertig is in het Hebreeuws de letter lamed, en drie de letter gimmel; daarom is l"g in het Hebreeuws de aanduiding voor drieëndertig. Dit wordt uitgesproken als lag. Ba betekent 'van' en zo krijgen we lag ba omer: drieëndertig van de omer. Binnen de traditie van het Jodendom wordt wel aangenomen, dat ook het eerste manna viel op 18 Ijar, de drieëndertigste dag van de Omertelling.

Tussen Pasen en Pinksteren

Alvorens er brood van te bakken, ging de boer met een omer gerst naar de priester voor het offer. Het afsnijden van de gerst was al een plechtigheid op zich. "En hij (de priester) moet de schoof(omer) voor het aangezicht van de HEERE bewegen, opdat Hij een welgevallen in u vindt. Op de dag na de sabbat moet de priester de schoof (omer) bewegen" (Lev. 23:11).

De gersteoogst valt samen met Pesach (Pasen). Zodoende brachten agrariërs vanaf de tweede Pesachdag, dat is op zondag, een bundel vers gesneden gerst naar de Tempel, om het op het altaar te offeren. Vanaf die dag, de 16e Nisan, moest er geteld worden: "U moet dan vanaf de dag na de sabbat gaan tellen, vanaf de dag dat u de schoof(omer) van het beweegoffer gebracht hebt. Zeven volle weken zullen het zijn" (Lev. 23:15). De zeven weken, oftewel de 49 dagen, behoorden door elke Israëliet geteld te worden: "van dat de sikkel voor het eerst in het staande koren geslagen wordt, zult gij (letterlijk: voor uzelf) zeven weken beginnen te tellen. Dan zult gij het feest der weken vieren ter ere van de Here, uw God" (Deut. 16:9 en 10a). Het tellen leidt uiteindelijk tot een hoogtepunt, het feest der weken (Hebr. Sjawoe'ot), de vijftigste dag na Pasen. Op die dag is namelijk de tarwe rijp en kan ook deze oogst beginnen.
De Omertijd is volgens de Joodse geleerde Maimonides om te onthouden dat Pesach (de verlossing uit Egypte) en Sjawoe'ot (het ontvangen van de Wet op de Sinai) bij elkaar horen. De periode functioneert daardoor als een louteringsproces, een voorbereiding op het ontvangen van Gods Woord. En natuurlijk is het tellen er ook om God te danken voor de groei van de gerst, de allereerste oogst.

De ceremonie

De periode van het tellen van de Omerdagen noemen Joden de Omertijd. Vanaf de tweede sederavond tellen religieuze Joden (meestal na het avondgebed) met behulp van een Omerbord elke Omerdag. Sommigen zijn in deze periode zelfs gewoon hun brieven te dateren volgens de Omertelling.

Ook in de synagoge wordt elke avond de Omer geteld, met uitzondering van de vrijdagavond. Voor het tellen begint, reciteert men Leviticus 23:15 en 16. Vervolgens gaat aan de telling een lofzegging vooraf, waarin God wordt gedankt dat Hij het gebod van de Omertelling gaf. "Gezegend bent U, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, Die ons heeft geheiligd met Zijn geboden en Die ons bevolen heeft aangaande de telling van de Omer." Als er geteld is, volgt een zegenspreuk: "De Barmhartige, moge Hij de dienst in het Heiligdom naar haar plaats doen terugkeren. Moge het Uw wil zijn, Eeuwige, onze God en God van onze vaderen, dat het huis van de Tempel spoedig en in onze dagen herbouwd zal worden, en schenk ons aandeel in Uw Thora. Daar zullen wij U dienen in vreze, als in de dagen van weleer en als in voorbije jaren". Ook volgt een psalmlezing, Psalm 67, die na het opschrift van vers 1, in het Hebreeuws precies negenenveertig woorden bevat. "De aarde gaf haar gewas, God, onze God, zegent ons" (vs. 7).

Rouwperiode

De telling is op zich een blijde gebeurtenis. Echter, in de geschiedenis van het Joodse volk vonden juist in deze tussentijd enkele rampen plaats, die de beleving van Omertijd onzalig droevig maakten. Tijdens de kruistochten (vanaf 1096) werden tussen Pasen en Pinksteren, vooral langs de Rijn, Joodse gemeenten uitgemoord en juist na Pasen vonden vaak pogroms plaats. Ook denkt men met veel weemoed terug aan de vernietiging van de Tempel, waardoor nu geen eersteling van de oogst als beweegoffer aan God kan worden aangeboden. Daarom zijn er binnen de Joods-orthodoxe kring gedurende de Omer geen bruiloften. Wel zijn verlovingsfeesten toegestaan, maar zonder dans en muziek. Het knippen van het haar en scheren blijft achterwege. Ook worden er geen nieuwe kleren voor de eerste keer gedragen.
Het zijn dagen waarin Joden terugdenken aan de vele bezoekingen uit die periode.

Rabbi Akiba

Waarom dan toch een feestdag in deze periode? Dit is te danken aan een opvallende gebeurtenis in de tweede eeuw na Christus Rabbi Akiba had zeer veel leerlingen. In de Omertijd verloor hij (volgens de Talmoed) 24.000 leerlingen door een epidemie. Dit gebeurde tijdens de eerste Joodse opstand onder Bar Kochba (132 na Chr.). De plaag zou op de studenten gekomen zijn, omdat zij elkaar niet met respect behandelden. De ziekte kwam plotseling tot stilstand op de drieëndertigste dag van de omertelling. Wat een opluchting!

Eersteling

L"g ba'omer heeft een Bijbelse basis van een landbouwfeest, dat vooral in de eerste Tempelperiode tot zijn recht kwam. Eenmaal in de diaspora gelden andere natuurwetten. Niet overal is de gerst op tweede Pesachdag rijp om te oogsten. Doch het Omertellen is gebleven, omgeven met allerlei tradities die in het Oude Testament geen basis vinden. Het ging om de 'eerstelingsgarve'. Die moest naar de priester worden gebracht. Is Israël daar zelf niet het beeld van? Jeremia schreef: "Israël was heilig voor de HEERE, de eersteling van Zijn opbrengst" (2:3). Zij moet naar de Hogepriester worden gebracht, die Zelf de eersteling is geworden. "Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn" (1 Kor. 15:20, zie ook vs. 23). Zoals de gerstekorrel eerst in de aarde moet sterven om vrucht te dragen, is Christus gestorven en door de Vader opgewekt om Zijn volk tot de Vader te brengen.

Literatuur
- De vele gezichten van Sjawoe'ot, Leo Mock, NIW, 21 mei 1999
- Joods leven thuis en in de synagoge, Edward van Voolen, Ten Have, Baarn, 1996
- De wereld van het Joodse geloof, Leo Hirsch, Bosch & Keuning NV, Baarn, 1964
- De Joodse weg, drs. J. den Hartog, Boekencentrum, Zoetermeer, 1993
- Jom, Jom, D. Hausdorff, NIK, Amsterdam 1989
- Elementen van het Jodendom, Brian Lancaster, Strengholt, Oud-Bussen, 1996
- The encyclopedia of Jewish life and thought, dr. Chaim Pearl, Carta Jerusalem, 1996
- Jewish days, Francine Klagsbrun, Farrar Straus Giroux, New York, 1998
- Wat na de Tora kwam, drs. R.C. Musaph-Andriesse, Ten Have, Baarn, 1992
- Joodse riten en symbolen, Rabbijn S.Ph. de Vries Mzn, de Arbeiderspers, Amsterdam, 1996
- Tenachon, Over de Joodse Feesten, Sjavoe'ot, een lopend vuur, deel 3, B. Folkertsmastichting voor Talmudica, Hilversum, 1998

Sluiten