Het keppeltje

Jodendom Tekst, Alfred Esch

Het keppeltje is misschien wel één van de meest opvallende uiterlijke kenmerken van de Joodse man. Niet voor niets worden keppeltjes in Frankrijk al in één adem genoemd met de islamitische hoofddoekjes! Duidelijk symbolen met religieuze ‘lading'.

In het Hebreeuws spreekt men van een kippáh (meervoud: kippot) en in het Jiddisch heet het vanouds een yarmulke.
Terwijl de orthodox Joodse mannen en jongens de hele dag hun keppeltje op houden, zien we dat de minder strenge, conservatieve Joden alleen bij religieuze aangelegenheden hun hoofd bedekken.

Keppeltjes zijn er in een grote verscheidenheid: van zwart zijde tot wit katoen, al of niet voorzien van borduursels of motieven. Hoewel de effen zwarte kippah vaak gezien wordt op de hoofden van mannen die een striktere religieuze wandel hebben, is dit zeker geen regel.
In veel orthodox Joodse families is het nog steeds gebruikelijk dat de meisjes voor hun verloofde zelf een keppeltje haken.

Het dragen van een keppel is zeker geen bijbelse verordening. De Bijbel gaat eerder uit van het blootshoofds zijn van de mannen. Alleen van de Hoge Priester lezen we, in Exodus 28:4, dat hij een ‘hoed' (SV) of ‘tulband' (NBG) droeg.
Zelfs door de Talmoed wordt het dragen van een keppeltje niet voorgeschreven. Pas in de 16e eeuw lezen we dat hoofdbedekking verplicht was voor Joodse mannen, hoewel het toen waarschijnlijk al eeuwen de ‘gewoonte' was. Een 13e eeuwse rabbijn beklaagde zich erover dat er zelfs jongens waren die zonder hoofdbedekking de Torah bestudeerden... schandalig!

Hoe het ook zij, vandaag de dag zal men in elke synagoge de mannelijke bezoekers vragen het hoofd te bedekken. Niet alleen uit eerbied voor het Huis van God, maar bovenal uit ontzag voor de Almachtige, God, ver boven ons verheven.
Wie ooit het voorrecht had de Klaagmuur te bezoeken, zal zich zeker wel herinneren dat hem verzocht werd zijn hoofd te bedekken... desnoods met een kartonnen keppeltje.

Sluiten