Het (on)zichtbare koninkrijk van God

Nieuw Testament Tekst, Hans van de Lagemaat

Wat bedoelde de Heere Jezus met de woorden “Het Koninkrijk van God komt niet op waarneembare wijze”? Of hebben we hier te maken met een gebrekkige vertaling?

Verschillende vertalingen

“En toen Hem door de Farizeeën gevraagd werd, wanneer het Koninkrijk van God zou komen, antwoordde Hij hun en zei: Het Koninkrijk van God komt niet op waarneembare wijze” (Luk. 17:20).
Als we alleen al naar de verschillen in vertalingen kijken die het laatste deel van dit vers heeft gekregen (het Koninkrijk komt niet op waarneembare wijze) dan merken we de verlegenheid die de vertalers met de betekenis van dit vers hebben gehad.
De NBG’51 vertaalt: “Het Koninkrijk Gods komt niet zó, dat het te berekenen is”. Dit is geen vertaling. Het is meer een parafrase, waarin de vertalers uitleg geven aan wat zij menen dat de tekst moet betekenen.
De Statenvertaling: “Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat”.
De Engelse King James: “The kingdom of God cometh not with observation”. “Het Koninkrijk van God komt niet met waarnemen.”

Twee verklaringen

Verklaarders gaan met de betekenis doorgaans twee verschillende kanten op:

  1. ‘het Koninkrijk zal niet komen met veel uiterlijk vertoon’, zoals de Statenvertaling het waarschijnlijk bedoelt.
  2. de komst van het Koninkrijk zal niet (van te voren) waarneembaar zijn. In combinatie met vers 21: “Het Koninkrijk van God is binnen in u”, menen sommigen dan een bewijs te hebben dat de Heere hier spreekt van een geestelijk Koninkrijk dat Hij in de harten van gelovigen bouwt. Maar die betekenis heeft het Koninkrijk nergens in de Schrift. Het Koninkrijk zal natuurlijk ‘geestelijk’ zijn. Het heet niet voor niets ‘het Koninkrijk van God’, of ‘het Koninkrijk van de hemelen’. Maar dat neemt niet weg dat het wel degelijk een zichtbare werkelijkheid zal zijn.

De twee bovengenoemde verklaringen komen niet erg sterk over. De Heere Zelf houdt ons in Zijn Woord voor om te letten op de (zichtbare) tekenen der tijden, die de komst van de grote Koning aankondigen. Dat heeft zeker met ‘waarnemen’ te maken.
En als we bijvoorbeeld het boek Openbaring lezen, kunnen we bepaald niet concluderen dat de komst van het Koninkrijk geruisloos zal gaan. Zelfs in het vervolg van Lukas 17 lezen we over het ‘uiterlijk gelaat’ waarmee het Koninkrijk zal komen.

Dat de Heere hier dan ook niet spreekt van een ‘geestelijk’ Koninkrijk in de harten van gelovigen, blijkt uit alles wat er volgt. Zijn eigen discipelen waarschuwt Hij om niet in het hier en het nu om zich heen te kijken. Hij richt hun blik op de toekomst. “Want zoals de bliksem flitst van de ene plaats onder de hemel en naar de andere plaats onder de hemel licht, zo zal ook de Zoon des mensen zijn op Zijn dag” (vs. 24). Die dag wordt in vers 30 uitgelegd. Het is de dag waarin de Zoon des Mensen geopenbaard zal worden, oftewel de openbaring van Jezus Christus (Opb. 1:1).

De context

De context van onze tekst is de vraag van de Farizeeën naar aanleiding van de genezing van de tien melaatsen. Op hun gebed stuurt de Heere hen naar de priesters in Jeruzalem om zich daar aan hen te vertonen. Als ze onderweg hun genezing bemerken, zullen allen buitengewoon verheugd zijn geweest. Toch was er maar één die Zijn Weldoener daarvoor erkende en Hem er de eer voor kwam geven. En die Ene was… een Samaritaan.
Genezingen van zieken behoorden bij de tekenen van de komst van het Koninkrijk. Ze hoorden daarom ook bij de prediking van het Koninkrijk. Lees bijvoorbeeld Mattheüs 10:7, 8: “En als u op weg gaat, predik dan: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Genees zieken, reinig melaatsen, wek doden op, drijf demonen uit”.
We horen als het ware de teleurstelling in de stem van de Heere bij de terugkeer van slechts die ene Samaritaan. “Zijn niet de tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen? Zijn er dan geen anderen gevonden die terugkeren om God de eer te geven dan deze vreemdeling?” (Luk. 17:17, 18).
De tekst zegt het niet, maar misschien waren de Farizeeën met hun vijandige blikken ook weer aanwezig. Ze zullen het dan niet na hebben kunnen laten om nog wat zout in de wonden te wrijven. Hun vraag naar de komst van het Koninkrijk moet dan wel met bijtend sarcasme geklonken hebben: ‘Wanneer komt dat nu, dat Koninkrijk? De aanbidding van een Samaritaan, is dat wat we van dit Koninkrijk mogen verwachten…?’

Op waarneembare wijze

De moeilijkheid van de vertaling zit hem natuurlijk in het woordje dat vertaald is met ‘waarneembare wijze’, of ‘uiterlijk gelaat’. In het Grieks komt dit woord (paratèrèsis) alleen hier voor. Het maakt het daardoor moeilijk om deze tekst met een andere te vergelijken.
Maar het werkwoord waarvan het is afgeleid, komen we wel een aantal keren tegen. En dat helpt ons wel verder.
“En ze letten scherp op Hem om te zien of Hij hem op de sabbat genezen zou, opdat zij Hem zouden kunnen beschuldigen” (Mark. 3:2). “De schriftgeleerden en de Farizeeën letten scherp op Hem of Hij op de sabbat genezen zou, om iets te kunnen vinden om Hem te beschuldigen” (Luk. 6:7). “En het gebeurde, toen Hij in het huis van een van de leiders van de Farizeeën gekomen was op een sabbat om brood te eten, dat zij scherp op Hem letten” (Luk. 14:1). “En zij hielden Hem nauwlettend in het oog en stuurden spionnen die zich voordeden alsof zij rechtvaardig waren, met de bedoeling Hem op een woord te vangen en Hem dan over te leveren aan de overheid en aan de macht van de stadhouder” (Luk. 20:20).
De Heere Jezus werd scherp, nauwlettend, in de gaten gehouden, met maar één doel: om Hem te kunnen betrappen en Hem te kunnen beschuldigen, en uiteindelijk het doodvonnis te kunnen voltrekken. ‘Scherp op Hem letten’, is de vertaling van het werkwoord paratereoo, en uit de aangehaalde teksten blijkt dat het doel ervan boze opzet is.
Ook in de andere twee teksten waarin dit woord voorkomt in het Nieuwe Testament heeft het een negatieve bijbetekenis (Hand. 9:24; Gal. 4:10).

De boze blik van de Farizeeën

Als we de betekenis van dit werkwoord doorvertalen naar paratèrèsis dan past dit gedeelte helemaal in de context. Continu lagen de Farizeeën op de loer. Continu waren ze bezig Zijn woorden als op een goudschaaltje te wegen en Zijn werken in een zo kwaad mogelijk daglicht te stellen. Met geveinsde belangstelling en een kwade blik met een boze opzet benaderen ze de Heere. Bijtend vragen ze Hem wanneer nu dat Koninkrijk eindelijk gaat komen. Van zo’n vraag na de terugkeer van slechts die ene Samaritaan, droop het sarcasme van af.
En dan antwoordt Hij: “Het Koninkrijk van God komt niet op waarneembare wijze”. Die ‘waarneembare wijze’ slaat op de blik van de Farizeeën. ‘Door op deze wijze naar Mij te kijken zullen jullie het Koninkrijk helemaal niet zien komen. Hoe kun je de komst van het koninkrijk verwachten en tegelijk de Koning willen doden?’

Het Koninkrijk binnen in u

Daar sluit het volgende vers ook bij aan. “En men zal niet zeggen: Zie hier of zie daar, want, zie, het Koninkrijk van God is binnen in u” (Luk. 17:21). Voor het Koninkrijk moet je niet ‘hier’ of ‘daar’ kijken. Let dan op: het is al binnen in u. Dit laatste betekent niet een of ander ‘geestelijk koninkrijk’ in hun harten. De Heere spreekt hier tegen Farizeeën. Hoewel er ook onder hen gelovigen waren, was de overgrote meerderheid Christus en Zijn koninkrijk vijandig gezind. ‘Het Koninkrijk is binnen in u’ betekent: ‘Het Koninkrijk staat in het midden van u in de Persoon van de Koning’. Dat blijkt ook uit de rest van het hoofdstuk. ‘Het Koninkrijk is daar waar Ik ben. En het Koninkrijk komt wanneer Ik kom.’

Overgezet in het Koninkrijk

Nu mogen we, door het geloof, vooruit lopen op die tijd. “Hij heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde” (Kol. 1:13). Zelfs in deze tekst staat overigens niet dat het Koninkrijk ‘in ons’ is. Nee, wij zijn in Zijn Koninkrijk. En dat betekent: onder Zijn heerschappij. Dat Koninkrijk is niet hier. En we moeten ook niet proberen dat hier en nu op te richten. Dat is precies hetzelfde als te zeggen ‘ziet hier’ of ‘ziet daar’.
Dat Koninkrijk is waar de Koning is. En wij zijn, waar Hij is. Dat blijkt ook uit Paulus’ woorden aan de Efeziërs: “mede gezet in de hemel in Christus Jezus” (Ef. 2:6). Geestelijk? Ja, natuurlijk, maar tevens een machtige werkelijkheid voor hen die het vatten kunnen. En te leven in die werkelijkheid geeft uitzicht. Niet met de boze blik van de Farizeeër, maar met de verlangende blik van hen die Zijn heerlijkheid verwachten.
“Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus” (Fil. 3:20).

Sluiten