Het verbond te Berseba en zijn betekenis voor de eindtijd

Oud Testament | Typologie en beelden Tekst, Hugo Bouter

De bron bij Berseba neemt zowel in het leven van Abraham als in dat van Izak een belangrijke plaats in. Berseba betekent: ‘put van de eed’. Berseba spreekt van Gods trouw aan Zijn beloften, Zijn eden.

(1) Abraham in Berseba

“En Abraham berispte Abimélech vanwege een waterput, die Abimélechs knechten met geweld genomen hadden. En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik deze put gegraven heb. Daarom noemde men die plaats Ber-Séba, omdat die beiden daar gezworen hadden” (Gen. 21:25, 30, 31).

In het slotdeel van Genesis 21 zien wij hoe twee mensen een verbond te Berseba sluiten bij de ‘put van de eed’. Het gaat hier om een verdrag tussen de herdersvorst Abraham en Abimélech, de koning der Filistijnen (vgl. Gen. 26:1). Dit verhaal borduurt door op de geschiedenis van Genesis 20, waarin een eerder conflict tussen beide mannen wordt beschreven, een conflict waarvan Sara de inzet was. Dit eindigde in een soort herstelbetaling van de kant van Abimélech. Die zinspeelde hierop door te spreken over de ‘vriendschap’, dat is de trouw, de loyaliteit die hij aan Abraham had betoond (Gen. 21:23). De verhouding tussen beide vorsten werd vervolgens formeel vastgelegd in een verbond. Abimélech had zijn trouw bewezen en Abraham moest dit nu ook doen. Dat gebeurde onder eedaflegging bij de waterput die Abraham claimde als zijn eigendom (Gen. 21:23, 31).

Later vonden soortgelijke handelingen plaats tussen Izak en Abimélech en zijn legeroverste Pichol. De put van de eed werd toen weer opgegraven (Gen. 26:32-33). Abimélech betekent: ‘mijn vader is koning’, en Pichol wil zeggen: ‘mond van allen’ (dus zoiets als ‘woordvoerder’). Mogelijk gaat het bij deze namen om bepaalde titels die van vader op zoon werden overgedragen.

Het verbond met deze heidense vorsten wijst profetisch heen naar de eindtijd, waarin het herstelde Israël zal heersen over de Filistijnen (vgl. Jes. 11:14; Obadja 19). Dan zal er een werkelijk bestendige vrede worden gesloten tussen Israël en zijn vijanden. Het prachtige getuigenis aan het adres van Abraham: ‘God is met u in alles wat u doet’ (Gen. 21:22), zal dan ten volle bewaarheid worden.

Na de verbondssluiting plantte Abraham te Berseba een tamarisk, een statige boom die veel op een ceder lijkt. En hij riep daar de naam van de HEERE, de eeuwige God, aan (Gen. 21:33). Dit is opnieuw een verwijzing naar het Vrederijk, waarin God als El-Olaam, de eeuwige God, zal worden aanbeden. Aan de heerschappij van de Vredevorst zal geen einde komen. Zo knielde Abraham neer bij de put van de eed en bracht hij de Eeuwige de dank die Hem alleen toekomt.

Berseba als wachtpost

In Genesis 22 is opnieuw sprake van Berseba, ditmaal als de woonplaats van Abraham en Izak (Gen. 22:19). Evenals zij de weg naar de berg Moria samen hadden afgelegd, gingen zij ook samen weer terug naar Berseba, naar de put van de eed. Dat is wel heel opmerkelijk, omdat wij juist in dit hoofdstuk God horen zweren bij Zichzelf, dat Hij Abraham rijkelijk zou zegenen en dat met (of: in) zijn nageslacht alle volken der aarde zouden worden gezegend (Gen. 22:16-18). Met deze heerlijke belofte kon de aartsvader terugkeren naar Berseba en daar zal hij zeker nog vaak aan deze Goddelijke toezegging hebben teruggedacht. Deze belofte van zegen voor het hele aardrijk reikt tot het komende Vrederijk. Abraham heeft uitgezien naar de dag van Christus, de dag van Zijn verschijning, en hij heeft zich daarover verheugd (Joh. 8:56). In Christus (het beloofde Zaad van Abraham) zijn al Gods beloften zeker en vast en gaan ze op Zijn tijd in vervulling, want in Christus is het: Ja; en door Hem ook het: Amen (2 Kor. 1:19, 20).

(2) Izak in Berseba

De eed die God had gedaan aan Abraham en diens nageslacht gold uiteraard ook voor Izak, de zoon der belofte. De brief aan de Hebreeën bevestigt dit door in het meervoud over de ‘erfgenamen der belofte’ te spreken (Hebr. 6:17). De eed is het einde van alle tegenspraak en door deze eedzwering wilde God des te nadrukkelijker aan alle erfgenamen van de belofte (inclusief de Nieuwtestamentische gelovigen) het onveranderlijke van Zijn raad doen blijken (Hebr. 6:13 vv.).

Izak woonde later opnieuw in Berseba. Daar verscheen de HEERE aan hem en bevestigde Hij de rechtsgeldigheid van de belofte die Hij aan Abraham had gedaan. Deze Goddelijke openbaring maakte van Izak eveneens een aanbidder. Hij bouwde daar een altaar en riep de Naam des HEEREN aan (Gen. 26:23-25). Izak is een type van Christus als de opgestane en verheerlijkte Mens in de hemel, de Geliefde, de Zoon van de belofte, de Erfgenaam. Hij is in waarheid de Gezegende des HEEREN (vgl. Gen. 26:29). Als christenen zijn wij door het geloof met Hem verenigd en delen wij in de zegeningen die Hem zijn toegezegd. Het hemelse vaderland is ons deel en wij mogen ervan genieten, ook al zijn wij nu nog pelgrims op aarde. Evenals Izak bezitten wij om zo te zeggen een ‘tent’, een ‘put’ en een ‘altaar’ (Gen. 26:25). De tent spreekt van het vreemdelingschap van de christen op aarde, de waterput van de bronnen van Woord en Geest, en het altaar van de plaats van aanbidding in geest en waarheid (vgl. Joh. 4:24).

Een belofte voor de eindtijd

Berseba heeft echter ook in dit hoofdstuk een spits naar de eindtijd toe. Christus is als Voorloper nu voor ons de hemel binnengegaan, en Hij is naar de ordening van Melchizédek Hogepriester geworden in eeuwigheid. Deze ‘aanstelling’ heeft niet zonder een plechtige eed plaatsgehad. “De HEERE heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizédek (Ps. 110:4; Hebr. 7:20-21). Maar dit eeuwige priesterschap zal Hij ook bij Zijn terugkeer op aarde tot zegen van Zijn volk Israël uitoefenen. En dat zal zijn, zoals reeds eerder in de geschiedenis van Abraham op profetische wijze was aangeduid, na het verslaan van de koningen van het Oosten (Gen. 14:18-20). Dan zullen de volken samen met Israël worden gezegend. Er zal voor altijd vrede zijn. Zelfs de vroegere vijanden zullen komen en een verbond met Israël sluiten, zoals Abimélech dat deed met Izak (Gen. 26:26-31). Wat een tijd van ongekende zegen en voorspoed zal dat zijn!

Sluiten