Hoe lezen we de profetie?

Profetisch Woord Tekst, Ton Stier

Wie zich vanuit Bijbels perspectief wil verdiepen in land en volk van Israël, kan eenvoudig niet om het profetische Woord heen. Natuurlijk bevat de Bijbel een schat aan informatie over de geschiedenis van Israël, maar verreweg het merendeel van de Schrift spreekt over Israëls toekomst. Daarbij komt dat in de Bijbelse geschiedschrijving heel veel profetische vergezichten schuilgaan. Denk aan de dagen van Noach, waarover de Heere Jezus zegt: “zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn” (Matt. 24:37); de geschie- denis van Babel, met al zijn eindtijdkenmerken (Gen. 11); de geschiedenis van Jozef, waarin de complete heilsgeschiedenis van Israël is terug te vinden. Of wat te denken van de uittocht uit Egypte, die model staat voor de toekomstige verlossing die God op veel grotere schaal tot stand zal brengen? Zelfs over de wet, zegt de Hebreeënschrijver dat deze “een schaduw heeft der toekomstige goederen” (Hebr. 10:1).
In deze studie willen we ons echter beperken tot de belangrijkste kenmerken van het profetische Woord.

Drie hoofdstromingen

Ten aanzien van de benadering en interpretatie van het profetische Woord kunnen we ruwweg drie hoofdstromingen binnen het christendom onderscheiden.
Ten eerste degenen die de profetieën veronachtzamen. Zij beperken hun belangstelling voor de Schrift tot hun persoonlijk geestelijk leven van hier en nu, zonder in te zien dat “het geloof een vaste grond is der dingen, die men hoopt ...” (Hebr. 11:1). Met andere woorden, Bijbels geloof is altijd gerelateerd aan de toekomst, aan ‘de dingen die men hoopt’. Denk bijvoorbeeld aan de gelovigen te Thessalonica, die zich van de afgoden hadden bekeerd, “om de levende en waarachtige God te dienen; en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten” (1 Tess. 1:10a). Daarbij komt dat “al de Schrift van God is ingegeven en nuttig is tot lering ...” (2 Tim. 3:16). Dus ook het profetische Woord!

De tweede stroming die we onder­ scheiden, is die van de vergeestelijking van profetieën. Men erkent wel de vervulde profetieën over Christus’ eerste komst, maar de profetieën over Zijn wederkomst worden op hele subjectieve wijze geïnter­ preteerd. Er wordt dan plotseling niet meer gelezen wat er staat. Voor Israël of ‘het huis van Jakob’ wordt ‘de kerk’ gelezen, ‘de schapen van Zijn weide’ zijn dan de christenen, Christus wordt beschouwd als de ‘Koning van de kerk’ en de kerk als het heilsorgaan waardoor Gods koninkrijk op aarde gevestigd wordt. De vroege kerk had nog de verwach­ ting van een duizendjarig rijk, maar toen de heidense keizer Constantijn (306­337) tot het christendom overging, kwam daar verandering in. Als gevolg van zijn bekering hield de christenvervolging op en de christe­ lijke kerk breidde zich verder uit. Men beschouwde dat als het bewijs dat de satan was gebonden en de Christusregering was aangebroken. De kerk, zo meende men, had de roeping van Israël overgenomen. Dat volgens Romeinen 11:29 ‘Gods genadegaven aan en roeping van Israël onberouwelijk zijn’, bracht aanhangers van deze gedachte kennelijk niet in verlegenheid.
Ook Luther, die de genade en rechtvaardiging door het geloof mocht herontdekken, heeft op dit terrein geen nieuw licht kunnen werpen. Toen de Joden niet aan zijn oproep tot bekering gehoor gaven, heeft hij zich zelfs liefdeloos van hen gedistantieerd. En dat is nog maar heel zwak uitgedrukt!
Een andere reden waarom men in die tijd zo sterk neigde naar een allegorische uitleg van de profetieën, was het feit dat veel beschrijvingen over de toekomst het voorstellings­ vermogen te boven gingen. Hoe kun je bijvoorbeeld zonder de huidige betalingsystemen de woorden van Openbaring 13:17 voorstellen dat “niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams”?

De derde stroming ­ en daar rekenen we onszelf toe ­ gaat uit van de letterlijke interpretatie van de profetie, tenzij er sprake is van een bepaalde beeldspraak, stijlfiguren of poëtische uitdrukkingen. We gaan daarbij uit van de woorden van Petrus dat “geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat” (2 Pet. 1:20). Met andere woorden, de Bijbel verklaart zichzelf! Alles wat daar buitenom gaat, is ­ hoe goed bedoeld ook ­ ‘een eigen­ machtige uitlegging’. Zo is het belangrijk dat uitdrukkingen hun oorspronkelijke betekenis behouden en niet de ene keer letterlijk en de andere keer geestelijk worden toegepast. Oud en Nieuw Testament vormen namelijk één groot orga­ nisch geheel.
Als voorbeeld noemen we Genesis 46:27 waar gesproken wordt over de ‘zielen van het huis van Jakob in Egypte’. Niemand zal eraan twijfelen dat hiermee de natuurlijke afstam­ melingen van Jakob worden bedoeld. Maar waarom zouden de woorden van de engel in Lukas 1:33 dat ‘Hij (Christus) over het huis Jakobs Koning zal zijn in eeuwigheid’ plotseling op de kerk van toepassing zijn? Een ander voorbeeld is Open­ baring 7:4: “En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls”. Ook hier moeten we ons niets anders voor­ stellen dan gelovigen die letterlijk uit de 12 stammen van Israël zullen voortkomen en in een speciale relatie tot het Lam staan (Opb. 14:1­5). Zo ook bijvoorbeeld uitdrukkingen als ‘te dien dage’ en ‘de dag des Heeren’, waarbij het altijd gaat om een toekomstige periode, waarin de Heere Zijn stilzwijgen doorbreekt om vervolgens als Rechter en Koning op te treden. Als Johannes dus in Openbaring 1:10 zegt dat hij in de geest op ‘de dag des Heeren’ was, mogen we dat niet zomaar met ‘zondag’ verklaren. Nergens wordt de eerste dag der week in de Bijbel met ‘dag des Heeren’ aangeduid. Die uitdrukking reserveert de Schrift heel consequent voor de oordeels­ dag (vgl. Jes. 2:12; 13:6, 9; Joël 1:15; 2:1, 11, 31; Sef. 1:7, 14, Mal. 4:5; 2 Tess. 2:2, 3; enz.).

Ook als het gaat om beeldspraak, zoals in Jesaja 60:16 waar tot Israël wordt gezegd dat ‘zij de melk der heidenen zullen zuigen en de borsten der koningen’ geeft ons dat niet het recht om daar een eigen uitleg aan te geven. De verklaring staat namelijk in vers 10: “Vreemden zullen uw muren bouwen, hun koningen zullen u dienen”. Bij de verklaring van beeldspraak mag dus geen willekeur worden toegepast. De verklaring moet zoveel mogelijk in de context worden gezocht. Niet degene met de meeste fantasie, maar degene die het Woord gelooft en Schrift met Schrift vergelijkt, zal onder de leiding van de Heilige Geest (de Auteur van het Woord) de Bijbel steeds beter verstaan. Het is immers ‘de Geest der waarheid Die in alle waarheid leidt’ (Joh. 16:13). Voor wat betreft beeldspraak, die vooral in het boek Openbaring en de daaraan verwante profetische boeken (Ezechiël, Daniël en Zacharia) te vinden is, zijn de volgende principes van belang (we beperken ons tot enkele voorbeelden uit het boek Openbaring):

1. De rechtstreeks gegeven verklaring

De zeven sterren zijn de zeven engelen van de gemeenten (1:16, 20);
De zeven kandelaren zijn de zeven gemeenten (1:13, 20);
De zeven vurige fakkels zijn de zeven Geesten van God (4:5);
De gouden schalen vol reukwerk zijn de gebeden van de heiligen (5:8; vgl. 8:3).

2. De verklaring vanuit de directe context

De ster die op de aarde valt, blijkt de engel van de afgrond te zijn (9:1, 11); Een tijd, tijden en een halve tijd (12:14), worden verklaard met 42 maanden (11:2; 13:5) en 1260 dagen (11:3; 12:6);
De hoer is de grote stad Babylon (17:1, 5, 18);
De Ruiter op het witte paard (19:11­16, 19) is de Koning der koningen en Heere der heren (vs. 16).

3. Verklaring vanuit andere bijbelboeken

De Boom des Levens (2:7; 22:2; vgl. Gen. 2:9; 3:22, 24);
De ijzeren staf (2:27; vgl. Ps. 2:9); De sleutel van David (3:7; vgl. Jes. 22:22).

Interval

Hoewel in één adem uitgesproken, kunnen profetieën soms een interval van een paar duizend jaar omvatten. Een duidelijk voorbeeld is de geschiedenis in Lukas 4 waar de Heere Jezus in de synagoge van Nazareth een gedeelte leest uit Jesaja 61: “De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; Om de gevangenen te prediken loslating, en de blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren” (Luc. 4:18­19). De Heere stopt halverwege Jesaja 61 vers 2 en zegt: “Heden is deze Schrift in uw oren vervuld”. Hij leest de tekst niet verder uit, maar laat: “en de dag der wraak van onze God” achterwege.
Waarom leest de Heere niet verder? Omdat Zijn eerste komst ‘het aangename jaar des Heeren’ inluidde, waarin het Evangelie van genade en verlossing wordt verkon­ digd. De uitroeping van ‘de dag der wraak’ daarentegen, wacht op Zijn wederkomst. Dan zal Hij niet zitten op het veulen van een ezelin (Luc. 19), maar is Hij de Ruiter op een wit paard, Die ‘oordeelt en krijg voert’ en ‘uit Wiens mond een scherp zwaard komt om de heidenen te slaan’ (Opb. 19:11 en 15).

Een vergelijkbare onderbreking vinden we in Handelingen 15 waar Jacobus vanuit de profetie van Amos (9:11) een verklaring geeft over het feit dat heidenen tot geloof komen. “Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam. En hiermee stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is: Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal die weer oprichten” (vers 14­16).
Jacobus vergeestelijkt dus niet de profetie van Amos, alsof God nu definitief Israël terzijde heeft gesteld en verder gaat met de kerk. Nee, geïnspireerd door de Heilige Geest, ontvouwt hij een tijdsinterval, waarin God uit de heidenen een volk voor Zijn Naam aanneemt, om na deze terug te komen en Zijn beloften aan Israël waar te maken. Er is dus sprake van een tussenfase waarin het heil naar de heidenen gaat, maar waarbij tegelijk de belofte van het toekomstig herstel voor Israël volledig overeind blijft.
Veel profetieën zijn te vergelijken met een berglandschap, waarvan je de bergtoppen achter elkaar ziet liggen en het net lijkt alsof deze tegen elkaar aan liggen. Eenmaal dichterbij gekomen, ontdek je de vaak zeer grote afstand die zij tot elkaar hebben.

Enkele andere voorbeelden van zo’n profetische tussenruimte zijn:

Vervuld:
Jesaja 9:5a: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven ...”.

Onvervuld:
Jesaja 9:5b: “... en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst”.

Vervuld:
Hosea 3:4: “Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim”.

Onvervuld:
Hosea 3:5 “Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken de HEERE, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot de HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen”.

Vervuld:
Micha 5:1 t/m 2a: “En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot de tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard heeft”.

Onvervuld:
Micha 5:2b: “dan zullen de overigen van Zijn broederen zich bekeren met de kinderen Israëls”.

Vervuld:
Zacharia 9:9: “Verheug u zeer, gij dochter Sions! Juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen”.

Onvervuld:
Zacharia 9:10: “En Ik zal de wagens uit Efraïm uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal de heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde”.

Uit deze voorbeelden blijkt duidelijk hoe onlogisch het is om te veronder­ stellen dat het eerste deel van deze profetieën letterlijk is vervuld, maar voor het tweede deel geen letterlijke vervulling te verwachten is. Dan zouden die profeten valse profeten zijn waarvoor Mozes waarschuwde: “Wanneer die profeet in de Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dan is dit een woord, dat de HEERE niet gesproken heeft ...” (Deut. 18:22).

Voor- en eindvervulling

Er zijn ook profetieën die een voor­ en een eindvervulling hebben. Een duidelijk voorbeeld is de brief van Jeremia aan de ballingen in Babel (Jer. 29). Jeremia troost de ballingen met de profetie dat na 70 jaar een einde aan hun gevangen­schap zal komen. Als je echter de brief zorgvuldig leest, ontdek je dat Jeremia verder kijkt dan de verlossing uit Babel. In vers 14 schrijft hij: “En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren”.
Deze profetie heeft dus een voor­ vervulling: de terugkeer van het tweestammenrijk uit Babel en een eindvervulling: de terugkeer van het complete volk uit alle volken en plaatsen der wereld naar het beloofde land. Deze beloofde terugkeer zal plaatsvinden na Christus’ wederkomst.

Hedendaagse vervulling van profetie

Hoezeer we er voor pleiten om de profetieën letterlijk te nemen, moeten we ook ernstig waarschuwen voor het geforceerd toepassen van profetieën op onze tijd. Zo worden vaak allerlei beloften van terugkeer en herstel van Israël op de situatie van vandaag toegepast, zonder daarbij nauwkeurig op de context te letten. Velen zien bijvoorbeeld in de profetie van Jeremia 23:8 de huidige terugkeer van Joden uit de voormalige Sovjet­Unie: “Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land”.
Men let echter niet op de context die duidelijk aangeeft dat deze belofte pas werkelijkheid wordt als de aan David verwekte rechtvaardige Spruit (Christus), als Koning zal regeren. Pas “In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen”. Dan zal ook het volk Hem belijden als “De HEERE: onze gerechtigheid” (vs. 5, 6). Overigens is het heel speculatief om het ‘land van het Noorden’ te zien als de voormalige Sovjet­Unie. Jeremia 46:10 situeert het Noorder­ land aan de rivier de Eufraat. Verder zien we dat de Heere ze niet alleen uit het ‘land van het noorden’, maar ‘uit al de landen’ waarheen Hij ze verdreven heeft, zal terugbrengen.

Bloeien als een roos

Een tekst die vaak wordt toegepast op Israëls moderne irrigatietechnieken, is Jesaja 35:1: “De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheu­gen, en zal bloeien als een roos”. Maar wanneer zal dat gebeuren? Als zij de heerlijkheid des HEEREN zullen zien (vs. 2) en Hij de vroege en de late regen zal doen neerdalen, waar­ door de dorsvloeren vol koren zullen zijn, en de perskuipen zullen overlopen van most en olie (Joël 2:23 en 24).

Jagers en vissers

Een ander voorbeeld is de metafoor van ‘de jagers’ en ‘de vissers’ in Jeremia 16. Deze wordt vaak ver­ klaard met respectievelijk de Nazi’s en de Zionisten die God zou hebben gebruikt om Zijn volk naar het land terug te brengen. De Nazi’s worden gezien als degenen die het volk meedogenloos naar het land hebben opgejaagd en de Zionisten zijn degenen die het volk liefdevol uit de volkerenzee hebben opgevist. Als we echter het hele hoofdstuk lezen, merken we dat bijna alles spreekt over Gods oordeel. Jeremia krijgt de opdracht om geen vrouw te nemen en daardoor geen zonen en dochters omdat hen een vreselijke dood wacht (vs. 4). Er mag zelfs geen rouwklacht en begrafenis zijn, “want Ik heb van dit volk (spreekt de HEERE) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartighe­ den” (vs. 4, 5).
Nadat de HEERE in de verzen 10 t/m 12 hun ongeloof en onge­ hoorzaamheid als reden voor Zijn oordeel noemt, zegt Hij in vers 13: "Daarom zal Ik ulieden uit dit land werpen, in een land, dat gij niet gekend hebt, gij noch uw vaders; en aldaar zult gij andere goden dienen, dag en nacht, omdat Ik u geen genade zal geven". De Heere handelt daarmee in overeenstemming met de woorden van Mozes in Deuterono­ mium 28:64.
Hoewel de Heere in de verzen 14 en 15 de terugkeer van het volk belooft, is dat niet een terugkeer met behulp van ‘jagers en vissers’. Hun optreden houdt namelijk verband met Gods oordeel. "Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van voor Mijn ogen. Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen van hun verfoeiselen en van hun gru­ welen vervuld” (vs. 17, 18). Het woord ‘want’, waarmee vers 17 begint, geeft de reden aan waarom die vissers en jagers zullen worden gezonden, namelijk om het volk het land uit te werpen. Overigens hebben zowel vissers als jagers tot doel om hun prooi te vangen en te doden en dat is niet de wijze waarop de HEERE Zijn volk straks als een liefdevolle Herder ‘de lammeren in Zijn arm zal vergaderen, in Zijn schoot zal dragen en de zogenden zachtkens zal leiden’ (Jes. 40:10).
De context leert ons daarom duidelijk dat de vissers en jagers een metafoor zijn voor volken zoals Assyrië en Babel (die gebruikt maakten van haken, zie Ezech. 19:9) en later Rome die hen uit het land hebben verdreven.

We hopen met gebruik van deze voorbeelden niemand te kwetsen, maar proberen slechts duidelijkheid te scheppen in de verwarring die er rond het profetische woord bestaat.

Sluiten