Hoop en verlossing: Jeremia en het nieuwe verbond

Profetisch Woord | Oud Testament Tekst, David van Capelleveen

Als tegenhanger van de doorgaans onheilspellende inhoud van Jeremia, bevat het zogenoemde Troostboek (Jer. 30-33) grote heilsbeloften voor het volk Israël. De HEERE neemt Zelf het initiatief en kondigt een totale ommekeer aan. Zijn beloften reiken echter veel verder dan Israëls zware situatie in de ballingschap: Er komt een geheel nieuw verbond.

Afbreken en opbouwen

“Zie, Ik stel u op deze dag aan over de volken en over de koninkrijken, om weg te rukken en af te breken, om te vernielen en omver te halen, maar ook om te bouwen en te planten” (Jer. 1:10). Het zijn de bekende woorden waarmee Jeremia (ca. 640 – 586 v. Chr.) op zeer jonge leeftijd wordt aangesteld als profeet (vgl. Jer. 1:6). Hoewel het oordeel over Israël en de omringende volkeren het dominante thema is van zijn profetieën, mag Jeremia ook spreken over herstel en verlossing. We vinden dit voornamelijk in het Troostboek (Jer. 31-33). In deze Beet Hamidrasj zullen we ingaan op Jeremia 30 en 31. De hoofdstukken van het Troostboek zijn niet gedateerd, maar alles lijkt erop dat de ballingschap al in gang is gezet. Israël heeft het verbond gebroken en is afgevoerd naar Babylonië (vgl. Jer. 29). Op het nationale en spirituele dieptepunt van haar geschiedenis blijft God echter trouw: “Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn, zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats. Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven” (Jer. 29:10-11). Het Troostboek kondigt een tijd aan waarin de HEERE op een nieuwe manier zal optreden voor Zijn volk. Het aangekondigde herstel reflecteert de heiligheid van God. Hij houdt Zijn beloften.

De opbouw van Jeremia 30 en 31

In de laatste decennia is er door Bijbeluitleggers steeds meer aandacht gegeven aan de literaire opbouw van verschillende Bijbelboeken. Zo is er terecht gewezen op de ringstructuren van Jeremia 30 en 31 (Ook wel chiasme of palistrofe genoemd, zie kaders 1 en 2). Dit is geen esoterische manier om een nieuwe of diepere betekenis in de tekst te ontdekken, men kijkt juist naar een veelgebruikte oude literaire techniek om de tekst weer te geven. Dit gaat nog weleens verloren in moderne vertalingen. In dit geval laat de ringstructuur de prachtige samenhang van deze verzen zien. Er zijn twee hoofddelen: Het eerste gedeelte (Jer. 30:5-31:22) is in poëtische taal geschreven. Hierin worden Israëls erbarmelijke omstandigheden in het heden steeds tegenover toezeggingen van zegening en vreugde in de toekomst gesteld. In het tweede gedeelte (31:23-40) herhaalt de HEERE Zijn belofte om Israël en het land te herbouwen. Bovendien belooft Hij dat er een nieuw verbond zal worden gesloten met Zijn volk.

Mannelijk en vrouwelijk, oordeel en hoop (Jer. 30:1-31:22)

Na de introductieverzen waarin Jeremia wordt opgedragen de woorden van God op te schrijven, volgt het hoofdthema van het Troostboek: “Want zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik een omkeer zal brengen in de gevangenschap van Mijn volk, Israël en Juda, zegt de HEERE, en Ik hen zal terugbrengen naar het land dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het in bezit nemen” (Jer. 30:3). In de daaropvolgende passages  wordt Israël afwisselend in mannelijke en vrouwelijke termen aangesproken. Er wordt hiermee een totaliteit uitgedrukt: de HEERE zal geheel Israël verlossen. Hij zal afrekenen met de volken, maar Jakob (m.) zal uit zijn tijd van benauwdheid worden verlost (30:5-11). Zion (vr.) is zwaar getroffen, maar haar wonden zullen genezen (30:12-17). Het nageslacht van Jakob (m.) zal in eer worden hersteld (30:18-19) en de maagd Israël (vr.) zal God weer prijzen met de reidans en de tamboerijn (31:2-6) zoals tijdens de uittocht (vgl. Exod. 15:20). De HEERE zal Zich opnieuw ontfermen over het overblijfsel (m.) en hen uit alle hoeken van de aarde terugbrengen naar het land (31:7-14). Rachel (vr.) weent in Rama, maar haar tranen zullen worden gedroogd (31:15-17). Efraïm (m.) heeft nu verdriet, maar zal opnieuw een zoon van de HEERE worden (31:18-20) en de maagd Israël (vr.) wordt opgeroepen om terug te keren naar haar steden (31:21-22). De roeping waarmee Jeremia is aangesteld weerklinkt: afbreken en opbouwen – oordeel, maar telkens ook de hoop en het herstel. Bovendien, de volken die de vernietiging over Israël hebben gebracht, zullen zelf worden vernietigd, en de goddelozen zullen worden veroordeeld. Dit is niet het lot van Israël, de centrumverzen die over oordeel spreken (30:23-24) worden geflankeerd door de bekende verbondsformule: de HEERE is de God van Israël en Israël is Zijn volk. (Jer. 30:22; 31:1; vgl. Gen. 17:7-8; Ex. 6:7; Lev. 26:12; Jer. 7:23; 11:4; 24:7).

Het Nieuwe Verbond (Jer. 31:23-40)

In Jeremia 31:23-40 zien we een tweede ringstructuur. In het centrum kondigt de HEERE een nieuw verbond aan met het huis van Juda en Israël (31:31). Het zal anders zijn dan het eerdere verbond, dat ze hebben gebroken (31:32). Deze keer zal de HEERE de wet in hun harten schrijven. De verbondsformule wordt hier herhaald (31:33). Iedereen zal de God van Israël persoonlijk kennen en Hij zal al hun zonden en onrechtvaardigheden vergeven (31:34). De verzen rondom het nieuwe verbond beloven nieuw zaad. De HEERE zal niet meer afbreken, maar opbouwen en planten. Er zal nageslacht wonen in het land (31:27-28) en Hij zal de toekomstige generaties behouden (31:35-37). Israël zal terugkeren naar het land dat de HEERE heeft beloofd aan haar voorvaderen. De steden zullen worden bewoond en de heilige stad Jeruzalem zal worden herbouwd (31:23-26, 38-40). Bovendien zullen de mensen nu verantwoordelijk worden gehouden voor hun eigen daden en niet voor de zonden van hun voorvaderen (31:29-30). God zal Zijn volk nooit meer verwerpen: “Zo zegt de HEERE, Die de zon tot een licht geeft overdag en de vaste orde van maan en sterren tot een licht in de nacht, Die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen, HEERE van de legermachten is Zijn Naam. Als deze verordeningen ooit zouden wijken van voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE, dan zou ook het nageslacht van Israël ophouden een volk voor Mijn aangezicht te zijn, alle dagen!” (Jer. 31:35-36).

Het Nieuwe Verbond in de Messias

Uiteindelijk zien we in bovenstaande passages de belangrijke en steeds terugkerende hoofdthema’s van het Oude Testament: Israël als het verbondsvolk van de HEERE, en Hij, de God van Israël. Het land als Israëls beloofde erfenis en Jeruzalem als de heilige stad van God. Er is echter meer. Bij Gods heilsbeloftes behoort ook een specifieke Persoon. Zowel binnen als buiten het Troostboek spreekt Jeremia over een tijd wanneer de HEERE een Nazaat uit het geslacht van David zal doen opstaan. Een Koning, Die verstandig en rechtvaardig zal heersen over het volk (Jer. 23:5; 30:9, 21; 33:15; vgl. ook Ezech. 23:17; 34:23-24; 37:25). De nieuwe David, Die wordt aangekondigd, is de Messias; de Gezalfde van God. Het is Jezus van Nazareth – uit de Koninklijke Davidische lijn – Die uiteindelijk centraal komt te staan in het nieuwe verbond. Jeremia’s boodschap, een oproep tot omkering naar een leven in overeenstemming met Gods wil wordt door Hem volledig geleefd en geleerd. Op aarde leefde Hij een zondeloos leven en op de vooravond van Zijn sterven voorzag Hij in een nieuw verbond met Zijn discipelen. Zoals gebruikelijk bij verbondssluitingen deed Hij dit door een maaltijd te houden (vgl. Gen. 26.30; 31.54; Exod. 24:11). Door de dood en opstanding van de Messias wordt het nieuwe verbond bewerkstelligd. Het Pesachfeest, om de uittocht uit Egypte te herdenken, wordt de gelegenheid voor een nieuwe uittocht: God geeft de mens een nieuw hart, een nieuwe gezindheid, een nieuw leven met Hem door de Heilige Geest, en uiteindelijk het eeuwige leven. De belofte van het nieuwe verbond is de belofte dat er  geen zonde meer tussen God en de mens kan komen te staan, omdat God Zelf de zonde gedragen heeft aan het kruis. Zo vindt de uiteindelijke verzoening tussen God en mens plaats. Zoals Paulus het verwoordt in de Romeinenbrief: “God echter bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn. Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij behouden worden door Zijn leven, omdat wij verzoend zijn” (Rom. 5:8-10). De rechtvaardige Messiaanse Telg van David komt in de eerste plaats niet om als menselijke koning te regeren, maar om te heersen in het hart van de mens en het terug te brengen bij de Vader. Zo vervult hij Gods belofte. Ook de Hebreeënbrief, waar de verzen uit Jeremia 31 uitdrukkelijk genoemd worden (Hebr. 8:9-12) spreekt hier over: “hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen! En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe verbond, opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verzoening van de overtredingen die er onder het eerste verbond waren, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen” (Hebr. 9:14-15). Hij, Die nu aan de rechterhand van God zit (Hebr. 8:1), is de Middelaar geworden van een nieuw verbond. Ooit zal deze Middelaar Zijn belofte vervullen om terug te keren op aarde. Dan zal Hij Zijn koninkrijk voorgoed vestigen. Daarin ligt uiteindelijk onze hoop en verlossing.

Het Nieuwe Verbond in het Jodendom

Er wordt nog weleens gedacht onder christenen dat er vandaag de dag maar één soort Jodendom bestaat, dat zo ongeveer gelijk is gebleven aan het Tweede Tempel Judaïsme uit de tijd van de Heere Jezus.1  Ook treffen we soms het idee aan dat het Jodendom en het christendom inhoudelijk zo ongeveer identiek zijn, alleen missen de Joden Jezus als Messias. Voor elke mogelijke vorm van dialoog tussen Joden en christenen is dergelijk gedachtegoed eerder schadelijk te noemen dan dat ze waar is. In de realiteit zijn de verhoudingen tussen het Christendom  en het Jodendom namelijk vele malen complexer. Zo wordt er in het Jodendom bijvoorbeeld zeer verschillend gedacht over het nieuwe verbond. Het is daarom relevant om wat verschillen aan te duiden.2  Na de terugkeer uit het Babylonische rijk onder het decreet van koning Cyrus (539 v. Chr.) breekt er een nieuw tijd aan. Israël leeft weer in haar eigen land. Onder leiders zoals Ezra, Nehemia, Zerubbabel en Jozua is er een hernieuwde toewijding aan de HEERE en kan men weer volgens de Thora gaan leven met de herbouwde tempel. De term ‘nieuw verbond’ (B’rit Chadasja ) komt behalve in Jeremia 31 in het Oude Testament niet voor. Ook in de apocriefe en pseudepigrafische geschriften (Joods religieuze geschriften van 200 voor tot 200 na Chr.) vinden we maar sporadisch een verwijzing naar de passage uit Jeremia (Baruch 2:35; Jubileeën 1:22-24). Een uitzondering zijn de Essenen uit Qumran, die het nieuwe verbond toepasten op hun eigen afgescheiden gemeenschap (zie ‘het Damascus document’ en de Qumran Gemeenschapsregel). De Sifra , een Midrash op Leviticus, is waarschijnlijk de oudste tekstverwijzing naar Jeremia die we hebben uit de eerste eeuwen na Christus (ca. 3de eeuw). De verbondsvoorwaarden die de HEERE stelt in Leviticus 26 worden in dit werk naast Jeremia 31:31 gezet om te laten zien dat er ooit een tijd zal komen dat Israël zich volledig aan de wet van Mozes zal houden. In een andere Midrash (Shir ha-Shirim Rabbah  8.14) stelt de schrijver dat je de Thora kan vergeten in de huidige wereld (‘olam ha-ze ), maar in de toekomende wereld (‘olam ha-ba ) zal de Wet werkelijk in het hart geschreven worden en zullen de mensen het niet langer kunnen vergeten. Wat ook opvalt, is het ontbreken van Joodse polemiek over de christelijke interpretaties van Jeremia 31 in de periode van de Late oudheid.3  Dit gebeurt wel in de Middeleeuwen. Hoewel de uitleg van de Messiaanse teksten uit Jesaja vaak voorrang heeft in de discussies, komt Jeremia 31 ook aan bod. In zowel schriftelijke als publieke Joods-christelijke disputaties wordt de christologische interpretatie van Jeremia’s nieuwe verbond bestreden ((bijv. bij Nachmanides, Izaäk ben Abraham Troki en Azriël Petia ben Moshe Alatino). Het gezag van de Wet van Mozes staat hierbij altijd op het spel. Een nieuw verbond kan namelijk niet betekenen dat de Thora in een ander daglicht komt te staan, noch dat zij afgeschaft wordt door de Messias. Volgens de discussiërende Joden claimden de christenen dat de Thora was ingetrokken en dit was voor hen ondenkbaar. Er wordt soms ook verwezen naar de woorden van Jezus Zelf om het verschil aan te duiden tussen de wet en een verbond (vgl. Matt. 5:17). Volgende de Joodse interpretatie wordt het huidige verbond wel vernieuwd en eigen gemaakt als de Messias komt, maar dit betekent niet meer dan een vergrote toewijding aan de bestaande wet van Mozes. Dat de wet in het hart geschreven wordt, betekent dan ook alleen een intensievere Thorastudie. De wet zal nooit afgeschaft worden in het Messiaanse tijdperk en voor niet-joden zijn de verzen uit Jeremia onbelangrijk. Het enige nieuwe van het verbond is de notie dat deze nooit meer overtreden zal worden; de Thora van Mozes is eeuwig. Dit is nog steeds de meest gehoorde interpretatie in het traditionele Jodendom van vandaag de dag. Daarom wordt het nieuwe verbond op een hele andere manier begrepen dan in het christendom. Literatuur Bruggeman, Walter, A Commentary on Jeremiah: Exile and Homecoming, Wm. B. Eerdmans, Grand Rapids, 1998. Fischer, Georg, Jeremia 26-52, Herder Verlag, Freiburg im Breisgau, 2005 Lalleman – de Winkel, H., Jeremia, Groen, Hilversum, 2004 Lundblom, Jack R., Jeremiah 21-36, Doubleday, New York, 2004 Lundblom, Jack R., Jeremiah: A Study in Ancient Hebrew Rhetoric, 2de ed., Eisenbrauns, Winona Lake, 1997 Sarason, Richard S., “The Interpretation of Jeremiah 31:31-34 in Judasim,” in When Jews and Christians Meet, Jakob Josef Petuchowski (red.), University of New York Press, Albany, 1988 Thompson, J. A., The book of Jeremiah, Wm. B. Eerdmans, Grand Rapids, 1980

Voetnoten 1. Voor een beknopt, maar grondig historisch overzicht van de Joodse interpretatie van het nieuwe verbond, zie Richard S. Sarason., “The Interpretation of Jeremiah 31:31-34 in Judasim”, in When Jews and Christians Meet, Jakob Josef Petuchowski (red.), University of New York Press, Albany, 1988. 2. Deze periode wordt zo genoemd omdat de tweede tempel destijds nog in Jeruzalem stond en het absolute centrum was van de Joodse cultuur en religie. Na haar vernietiging in 70 na Chr. zouden zowel het Jodendom en het jonge christendom ingrijpende veranderingen ondergaan. 3. Voor een beknopt overzicht van Jeremia 31 en de vroegchristelijke interpretatie, zie Jack R. Lundblom, Jeremiah 21-36, Doubleday, New York, 2004, pp. 472-482.

Sluiten