Ik dacht dat ik de enige Joodse gelovige in de wereld was

Evangelie voor Israël Tekst, Ton Stier

Het bijzondere levensverhaal van Ernest Lloyd (1913-2010). In de bijna 80 jaar dat hij zijn Meester diende, heeft hij velen van zijn volk de weg tot hun Messias mogen wijzen. In 1996 tekende ik uit zijn mond zijn levensverhaal op, waarvan hier een korte weergave.

Mijn beste vriend is Joods

Ik was twee jaar oud toen ik in een streng orthodox Joods weeshuis belandde. Daar gebeurde iets (ik was 11) dat een stempel op mijn verdere leven zou drukken. Op de terugweg van school naar het weeshuis bekogelden kinderen ons met stenen en schreeuwden: “Jullie hebben Jezus gekruisigd!”. Dat gebeurde wel meer. Maar deze keer kwam een oude dame op ons af, die riep: “Niet wegrennen, want ik wil jullie wat vertellen”…. “Mijn beste Vriend is een Jood!” “Maar u bent toch niet Joods? Wie is dan uw grote Joodse vriend?”, reageerden wij wantrouwend. “Jezus”, antwoordde ze. “Jesjoea ...?”, riepen we verontwaardigd, “O, maar daar willen wij helemaal niets mee te maken hebben. Wij zijn Joods en blijven Joods!” De leiding van het weeshuis was duidelijk: “Luister nooit naar iemand die over Jezus spreekt!”

Jaren later, na veel gesprekken met een vriend die christen was, begonnen mij langzamerhand de dingen duidelijk te worden. De weerstanden tegen het Evangelie vielen weg en op 18-jarige leeftijd kwam ik tot geloof in de Messias. Als reactie kreeg ik te horen: “Ach, hij zal er waarschijnlijk wel overheen groeien”. Gelukkig is dat nooit gebeurd. In tegendeel! Ik was Joods en had vergeving en nieuw leven in de Messias gevonden. Ook mijn volk moest het weten. Drie jaren aan de ‘All Nations Bible College’ volgden. Ik dacht dat ik nagenoeg de enige Joodse gelovige in de wereld was. Ik hield van mijn christen broeders en zusters, maar waar waren mijn eigen volksgenoten? Totdat een oudere Joodse broeder mij op een zaterdag meenam naar een samenkomst waar ik maar liefst 90 Joodse gelovigen ontmoette. Het bleek een samenkomst te zijn van de ‘International Hebrew Christian Alliance’. 
Op een dag moest ik voor het bestuur van de zending komen. “We hebben zo’n vijf jaar gebeden of de Heere ons een jonge Joodse gelovige wilde zenden, om kerken op de betekenis van Romeinen 1:16 te wijzen “Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek”.
Ik bad op mijn knieën: “Heere, ik wil dit eigenlijk niet, maar als U het wilt ... hier ben ik” (Ernest was toen 21 jaar, red.). Niet lang daarna werd ik benoemd tot secretaris van de zending. Na de oorlog besloten we als zending te gaan werken in Zuid-Afrika, waar zo’n 110.000 Joden hun toevlucht hadden gezocht, maar ook in Australië, Canada en Nieuw Zeeland. Ik kreeg de leiding, wat betekende dat ik soms maandenlang van huis was.

Tot aan zijn dood had Ernest Lloyd maar één verlangen: zijn volk leiden tot de Messias van Israël!

Sluiten