Israël, Gods volk

Oud Testament Tekst, Hans van de Lagemaat

Dat Israël in de Bijbel Gods volk wordt genoemd, zal voor de lezer niets nieuws zijn. Keer op keer spreekt de Heere Zelf over ‘Mijn volk’. Er is geen ander volk op aarde dat zich die status kan aanmatigen. Er zijn tenminste drie oorzaken aan te wijzen, waarom God Israël ‘Mijn volk’ kan en wil noemen. Hij is hun Schepper, hun Verlosser en de Verbondsluiter.
Elk van deze drie zullen we nu onderzoeken.

God is de Schepper van Israël

Israël is Gods volk op grond van schepping. Dat kunnen we uit o.a. de volgende Schriftplaatsen concluderen:
“Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! En uw Formeerder, o Israël! Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij Zijt Mijn” (Jes. 43:1).
“Ik ben de HEERE, uw Heilige; de Schepper van Israël, uw Koning” (Jes. 43:15).

In deze verzen staat in het Hebreeuws hetzelfde woord voor scheppen (bara) als in Genesis 1:1: “In het begin schiep God de hemel en de aarde”. De schepping van Israël wordt zo vergelijkbaar met de schepping van hemel en aarde. Beide zijn een scheppingsdaad van dezelfde God. De verbinding tussen Israël en de schepping lezen we overigens ook elders, zoals bijvoorbeeld in het vierde gebod. De sabbat was het teken tussen God en Israël (Ex. 31:16, 17). De reden die de HEERE voor dit teken aanvoert, is “omdat de HEERE, in zes dagen de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag gerust en Zich verkwikt heeft” (vgl. Ex. 20:11). Ook in de Psalmen wordt gesproken over Israël als Gods maaksel.
“Weet dat de HEERE God is; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide” (Ps. 100:3).
“Dat Israël zich verblijde in Degene, Die Hem gemaakt heeft; dat de kinderen van Sion zich verheugen over hun Koning” (Ps. 149:2).
Om die schepping wat nader toe te lichten, moeten we terug naar het begin en dus naar de roeping van Abraham.

Een nieuw begin

In Genesis zien we hoe God telkens iets nieuws begint. Eerst de schepping van de hemel en de aarde, gevolgd door de schepping van de eerste mens, Adam.
Als de aarde vol is van zonde en geweldenarij (Gen. 6:11, 13) besluit God alles van de aardbodem te verdelgen. Maar Hij maakt meteen een nieuw begin in Noach.
De volkeren die uit de zonen van Noach ontstaan, verbruien het wederom. Een algehele opstand, waarschijnlijk onder Nimrod, was het begin van Babel. Dan zet God de volkeren opzij en schept uit Abram een nieuw volk.
Hij doet uit de ‘verstorven’ Abraham (Hebr. 11:12) en de onvruchtbare Sara, van wie de moederschoot op haar hoge leeftijd ook nog verstorven was (Rom. 4:19), een groot volk voortkomen. God roept als het ware Zijn volk uit de dood tot het leven met de belofte: “Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!” Onmogelijk. Ja, wel als een mens dit had gesproken. Maar het was God Zelf Die deze woorden sprak. Hij maakt een nieuw begin door uit Abraham en Sara een nieuw volk te scheppen.

Schepping en opwekking

De overeenkomst tussen schepping en opwekking uit de doden, lezen we ook in het prachtige, maar tegelijkertijd haast ondoorgrondelijke Schriftgedeelte van Kolossenzen 1. Tweemaal wordt Christus daar genoemd ‘de Eerstgeborene’. De eerste keer als “de Eerstgeborene aller creaturen”. In het Grieks staat hier: “de Eerstgeborene van de gehele schepping” (Kol. 1:15).
De tweede keer heet Hij ‘de Eerstgeborene uit de doden’ (vers 18). Deze benaming wijst op Hem als het Begin van een nieuwe schepping! Hetzelfde principe zien we bij Israël, dat voortkomt uit de ‘dode’ Abraham en Sara, en wiens aanneming door Paulus wordt aangekondigd als “het leven uit de doden” (Rom. 11:15).

Eén vader en één God

De schepping van Israël uit Abraham vinden we ook in Maleachi 2:10. De profeet, die het volk aanklaagt wegens de zonden, vraagt: “hebben wij niet allen één Vader. Heeft niet één God ons geschapen?” Nu kan ‘vader’ hier wijzen op God. Sommige vertalingen gebruiken daarom hier een hoofdletter om deze verklaring erin te leggen. Maar de grondtekst kent geen onderscheid tussen hoofdletters en kleine letters. Het is dan ook waarschijnlijker dat Maleachi met “één vader” doelt op Abraham. En dan leidt deze tekst de schepping van Israël inderdaad terug op Abraham. Is er overigens één volk op de hele aarde dat zijn oorsprong op één mens kan herleiden? Dat alleen al maakt Israël uniek in deze wereld.

Gods volk op grond van verlossing

Israël is ‘Mijn volk’ op grond van verlossing. Dat zagen we in feite al in de twee teksten uit Jesaja 43 die we als eerste aanhaalden.
In dit verband is het ook heel opmerkelijk dat in de Thora, dus in de eerste vijf boeken van Mozes1, Exodus het enige boek is waarin God Israël als ‘ammi’, Mijn volk, erkent.
We lezen in Exodus 3:9-10: “En nu, zie, het geschrei der kinderen Israëls is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmede de Egyptenaren hen verdrukken. Zo kom nu, en Ik zal u tot Faraö zenden, opdat gij Mijn volk (de kinderen Israëls) uit Egypte voert”.
Dit is de eerste plaats waarin we de uitdrukking ammi, Mijn volk, uit Gods mond tegenkomen. En let u op dat ammi daarbij direct als ‘de kinderen Israëls’ (het gehele nageslacht van Jakob) wordt gedefinieerd. God laat er dus geen enkele onduidelijkheid over bestaan wie Mijn volk is.
Deze eerste keer staat ‘Mijn volk’ dus in direct verband met de verlossing van Israël uit Egypte. Dat blijkt ook keer op keer uit de mededeling die Mozes en Aäron de Faraö moesten aanzeggen: “Laat Mijn volk trekken”.

Het grote thema van Exodus, waarin God dus als enige van de vijf boeken van de Thora, Israël ‘ammi’ noemt, is ‘verlossing’. Die verlossing vinden we zo mooi verwoord in Exodus 19:4: “Gij hebt gezien wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb”. Het volk zuchtte onder de slavernij van Egypte, totdat het tot de God van hun vaderen begon te kermen en te schreeuwen. En toen bewerkte God hun verlossing. Dat deed Hij niet alleen om hen van hun ellende te bevrijden! Nee, meer nog zoals de tekst zo mooi zegt: “en U tot Mij gebracht heb”. Het verloste volk wordt in gemeenschap met God gebracht. De Heere wilde zelfs temidden van hen wonen. Vergelijk in dit verband het begin en het einde van Exodus. In het begin zien we Israël onderdrukt en vernederd door de Egyptenaren, schijnbaar verlaten door hun God. Aan het eind van het boek lezen we een uitgebreide beschrijving van de tabernakel, Gods woonplaats in de woestijn, in het midden van Israël! Dat is verlossing. Uitgeleid uit de slavernij van de wereld en de zonde om heilig voor God te leven. Te leven in Zijn nabijheid, in Zijn dienst.
Wat een grote verlossing had God voor ‘ammi’, Zijn volk, bewerkstelligd!

Gods volk op grond van een verbond

Allereerst was er de schepping van Israël. Daarna de verlossing. En na die verlossing volgde een verbondssluiting, op grond waarvan God opnieuw Israël Mijn volk noemt. Een unieke positie, want God is immers met geen ander volk ooit in een verbond getreden. Voor de verbondssluiting aan de Sinaï lezen we wel van andere verbonden die God sloot. Bijvoorbeeld met individuen als Noach en Abraham. Maar onderaan de berg Sinaï sloot God een verbond met een heel volk. En dat was uniek! Heel belangrijke verzen in dit verband zijn Exodus 19:5,6: “Nu dan, indien gij naarstig Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn. En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israëls spreken zult”.
Dit verbond was niet zoals het verbond met Abraham, dat onvoorwaardelijk was en enkel rustte op de belofte van Gods kant. Het verbond van God met Israël, als volk, had de voorwaarde dat het volk van zijn kant zich aan Gods wetten en geboden hield. Gehoorzaamheid was de voorwaarde tot zegen. En alleen onder die voorwaarde zou het volk Gods eigendom, dus Mijn volk, ammi, zijn (verg. Ex. 19:5).

Een huwelijksverbond

We kunnen dit verbond tussen God en Israël beschouwen als een huwelijksverbond. Israël wordt in de Schrift menigmaal als ‘een vrouw’ aangeduid, zoals ‘de vrouw van de HEERE’.
Vooral de profeet Jeremia is heel duidelijk over dit verbond. We lezen in Jeremia 31:31-33: “Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken. Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage toen Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE”.
Het volk blijkt niet bepaald een trouwe vrouw te zijn. Ze had het verbond verbroken door haar handelingen. Jeremia schrijft daar bijvoorbeeld in het derde hoofdstuk over: “Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou dat land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met veel minnaars gehoereerd, keer nochtans weder tot mij, spreekt de HEERE” (Jer. 3:1).
“Waarlijk gelijk een vrouw trouweloos scheidt van haar vriend, alzo hebt gij trouweloos tegen Mij gehandeld, gij huis Israëls! Spreekt de HEERE” (Jer. 3:20).

Niet Mijn volk

En daarom, omdat Israël, het verbond verbrak, andere goden verkoos, is het volk uiteindelijk overgegaan in de staat van Lo-ammi, ‘niet-Mijn-volk’. Voor alle duidelijkheid: hoewel God in de eerste drie hoofdstukken van Hosea Israël verwerpt als Mijn volk en zegt Zich niet over haar te zullen ontfermen, betekent dit niet dat Hij haar niet meer bemint! Zijn bestendige liefde kunnen we o.a. afleiden uit Hosea 3:1: “En de HEERE zei tot mij: Ga weer henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden...”.
Israël zal dan ook niet Lo-ammi blijven. Er komt een kentering. Een moment waarin God het volk, nadat het tot bekering is gekomen, weer zal aannemen als Mijn volk.
Opmerkelijk is dat we die drie woorden Schepping, Verlossing en Verbond ook met het oog op deze heerlijke toekomst van Israël terug vinden.

Een nieuwe schepping

Israël zal daartoe een wedergeboorte moeten ondergaan, zoals verwoord in Jesaja 65:17 en 18: “Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Maar weest gij vrolijk, en verheugt u tot in eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want zie, Ik schep Jeruzalem (tot) een verheuging, en haar volk (tot) een vrolijkheid”.

We hebben aan de hand van Romeinen 4 en Kolossensen 1 al de overeenkomst laten zien tussen schepping en het Leven uit de doden. Als Israël een nieuwe schepping wordt dan heet dat: “Leven uit de doden”. Toen God Israël verworpen had (Jer. 6:30), was het te vergelijken met een dood volk, net als ieder mens die buiten de gemeenschap met God leeft. Het is een leven dat nog ligt onder de macht van de dood. Denk aan de allegorie van de wijnstok en de ranken: “Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen. Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijk de rank, en is verdord; en men vergadert ze, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand” (Joh. 15:5, 6).
Maar Paulus schrijft in Romeinen 11:15: “wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?” Ziet u het? Ook hier kunnen we de herschepping van Israël beschouwen als “Leven uit de doden”!

Verlossing

In Jesaja 54:8 belooft de Heere: “In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE uw Verlosser”. Dit is nog toekomst, maar omdat de Heere het zegt zal het zeker gebeuren. En Wie die Verlosser is, wordt duidelijk uit Mattheüs 1:21, waar de engel tot Jozef zegt: “En zij (Maria) zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam noemen Jezus (de Heere is redding); want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden”.

Een verbond

Deze nieuwe schepping en verlossing ligt verankerd in het nieuwe verbond waarover we lezen in Jeremia 31:33: “Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn” (Jer 31:33).
Ook dit nieuwe verbond is een huwelijksverbond en ziet uit naar de bruiloft van het Lam, waarover we lezen: “Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelf bereid” (Opb. 19:7).

Nogmaals Eerstgeborene uit de doden

In het boek Openbaring vinden we naast het huwelijk van het Lam ook weer de begrippen ‘verlossing’ en ‘schepping’ terug. De plagen die in Openbaring de aarde (of het land) teisteren en door God gezonden worden, laten zich vergelijken met de plagen van Egypte. De tiende plaag in Egypte betekende de dood van alle eerstgeborenen in het land, met uitzondering van degenen die schuilden achter het bloed van een lam. Juist in dit Boek zien we Christus Jezus nogmaals als “de Eerstgeborene uit de doden” (Opb. 1:5 NBG) in relatie tot de verlossing, namelijk door Zijn bloed.

Begin en Einde

We zagen hoe God in Genesis steeds een nieuw begin maakte. Het is dan ook opvallend dat in Openbaring de Heere Jezus ‘het Begin’ wordt genoemd, namelijk ‘het Begin der schepping Gods’ (Opb. 3:14). Maar God zij geloofd en geprezen. Christus wordt niet alleen genoemd ‘het Begin’, maar ook ‘het Einde’ (Opb. 1:8; 21:6; 22:13). Hij is de Schepper, Verlosser en de Voleinder. En hoewel de hele schepping nu nog “tezamen zucht, en in barensnood is” (Rom. 8:22) en de mens wanhopig van de schepping probeert te redden wat er te redden valt, is diezelfde schepping wijzer dan de mens. “Ze verwacht met opgestoken hoofd de openbaring der kinderen Gods.” Ook de schepping “zal dan vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods” (vs. 19, 21).

Hij is Het Begin, maar tevens Het Einde. Alles ligt vast in Hem. Daarom mag Openbaring met recht het Boek van het Einde genoemd worden. Alle lijnen van de Oudtestamentische profetieën wijzen naar dit Einde.
En dan nooit meer Lo-ammi. Nooit meer de zonde. Nooit meer de dood. Want alles ligt vast in Hem, Die dood is geweest, maar nu leeft tot in alle eeuwigheid. Het Begin en het Einde.

Voetnoten:
1. Ook wel Pentateuch genoemd

Sluiten