Izak en Ishmaël

Bijbelse personen | Oud Testament Tekst, Ruben Hadders

Aan de strijd tussen Joden, Christenen en Arabieren lijkt maar geen einde te komen. Veel mensen, waaronder zelfs journalisten, historici en wetenschappers, begrijpen eigenlijk niets van die strijd. Gaat het om godsdienst? Om grondgebied? Om wat in het verleden is gebeurd? In dit en het volgende katern willen we uitgebreid stilstaan bij de achtergronden van het Midden-Oostenconflict.

Historici proberen te ontdekken wat de oorzaak is geweest van de strijd tussen Joden en Arabieren. Een strijd die niet is begonnen met de stichting van de staat Israël in 1948. Dat maakte de eeuwenoude strijd alleen maar heviger. Maar waarmee begon die strijd dan wel? Het lijkt hoofdzakelijk een godsdienstig conflict te zijn, tot die conclusie komen in elk geval alle geleerden op dit gebied. Toch kan het niet slechts een strijd tussen drie godsdiensten zijn, er is meer aan de hand. Er zijn immers wel vaker godsdienstoorlogen geweest, maar die waren relatief van korte duur. Bovendien speelt deze strijd zich hoofdzakelijk af tussen de drie monotheïstische godsdiensten1. Waarom zijn de polytheïstische, pantheïstische of zelfs atheïstische culturen niet betrokken bij deze strijd?

Om een antwoord te vinden op deze vragen zullen we de geschiedenis achter de geschiedenis moeten bestuderen: de metahistorie. We gaan er daarbij vanuit dat de onzienlijke, geestelijke wereld invloed kan hebben op de loop van de geschiedenis. Journalisten, historici en wetenschappers willen liever niets met deze vorm van historisch onderzoek te maken hebben omdat zij dan rekening moeten houden met het bestaan van God. Zij moeten dan rekening houden met iets wat zij eigenlijk niet vatten kunnen. Zij kunnen alleen uit de voeten met dat wat voor ogen is, met wat zij kunnen zien en beschrijven. Daarom begrijpen zij vaak ook niet wat de werkelijke oorzaak is van bijvoorbeeld het Midden-Oostenconflict.

Misschien heeft u nooit van de term metahistorie gehoord, toch zijn wij als gelovigen er al mee vertrouwd. Wij geloven immers dat er een zondvloed is geweest, dat de Rode Zee zich spleet voor Mozes en zijn volk en dat er tien plagen over Egypte zijn gekomen. Allemaal gebeurtenissen die wij historisch betrouwbaar achten, maar die veroorzaakt zijn door een bovennatuurlijke macht: God. Daarom ook dat zoveel wetenschappers juist deze wonderlijke gebeurtenissen proberen te ontkrachten. Zonder succes overigens.

De strijd tussen Joden, Christenen en Arabieren heeft eveneens een bovennatuurlijke oorzaak en is begonnen bij Ismaël en Izaäk. Ik wil u daarom meenemen naar het boek Genesis. Een belangrijk boek dat wij als gelovigen nauwkeurig dienen te bestuderen omdat hier de oorzaak van alle dingen in beschreven wordt.

De roeping van Abram

”Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.” Met die opdracht riep God Abram, de zoon van Terach, tot Zijn dienst (Gen. 12:1). Wij weten wat er volgt, maar de jonge Abram wist dat natuurlijk nog niet. Hij stond aan het begin van een groot avontuur, dat de wereldgeschiedenis voorgoed zou veranderen.

Waarom Abram door God werd geroepen, weten wij niet. Eigenlijk weten we heel weinig over het leven van Abram van voor zijn roeping. Hij groeide op in een cultuur waar meerdere goden werden vereerd, ook door zijn eigen vader (Joz. 24:2). In de ‘Genesis Rabbah’, een belangrijk Joods commentaar, vinden we het volgende verhaal:

“De vader van Abram, Terach, was van beroep afgodenmaker. Eens moest hij ergens heen en liet Abram achter om in zijn plaats afgoden te verkopen. Er kwam een man die een afgod wilde kopen. “Hoe oud bent u?”, vroeg Abram hem. “Vijftig jaar”, was het antwoord. “Wee zo een mens”, riep hij uit, “u bent vijftig jaar oud en wilt iets aanbidden dat nog geen dag oud is!” Hierop schaamde de man zich en hij ging weg. Daarop kwam er een vrouw met een bord meel en verzocht hem dit aan de goden te offeren. Toen nam Abram een stok, sloeg de afgoden in stukken en plaatste de stok in de hand van de grootste. Toen zijn vader terugkeerde, wilde hij van hem weten wat hij wel met die afgoden gedaan had. “Ik kan het voor u niet verborgen houden”, antwoordde Abram. “Een vrouw bracht hier een bord fijn meel en vroeg mij het aan de goden te offeren. Eén riep: “Ik eet het eerst” en een ander riep: “Nee, ik eerst!” Toen stond de grootste op, nam een stok en sloeg de andere in stukken.” “Waarom spot je met mij”, schreeuwde zijn vader tegen hem. “Alsof die beelden iets kunnen begrijpen!” “Zouden uw oren niet moeten horen wat uw mond nu zegt?”, antwoordde Abram. Hierop greep Terach hem vast en leverde hem uit aan Nimrod, de koning.”

Uit: De God van Abraham, Isaak én Ishmaël, door Jaap Bönker en Maarten Nota

Of deze geschiedenis werkelijk heeft plaatsgevonden, weten we niet. Maar op een dag verscheen God aan Abram, met slechts één opdracht: ga! En hij ging. Misschien was het Gods belofte die Abram aanspoorde om zo trouw te gehoorzamen: “En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden” (Gen. 12:2, 3).
Abram was al vijfenzeventig jaar toen hij aan deze grote onderneming begon. Alles en iedereen moest mee: zijn vrouw Sarai, zijn neef Lot, al zijn bezittingen en zijn slaven. Na een lange en zware tocht door de woestijn, kwam hij aan in Sichem, in het land Kanaän, waar God opnieuw aan hem verscheen met een belofte: “Aan uw zaad zal Ik dit land geven” (vs. 7). Abram reisde verder en sloeg zijn tentenkamp op in de omgeving van Beth-El, maar lang kon hij daar niet blijven. Er brak een grote hongersnood uit in Kanaän en Abram besloot tijdelijk in Egypte te gaan wonen.

De bijzondere (metahistorische!) gebeurtenissen die volgden (Gen. 12:10-20) slaan wij voor nu even over. Maar Abram kwam terug in Kanaän als een bijzonder rijk man. Hij had nu meer vee en slaven, dan toen hij vertrok naar Egypte. En ook Lot, zijn neef, was rijk gezegend. Beiden bezaten zoveel vee dat er te weinig land was om bij elkaar te blijven wonen. Zij besloten elk hun eigen weg te gaan. Lot trok verder richting het oosten en vestigde zich in de Jordaanvallei. Abraham bleef in Kanaän en hoort opnieuw de stem van God: “Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, ook uw zaad geteld zal worden” (Gen. 13:15-17).

Het nageslacht dat uitbleef

De jaren verstreken. Jaren waarin Abram regelmatig oorlog moest voeren, onder andere om zijn neef Lot te bevrijden uit de handen van koning Kedor-Laómer. en waarin hij een bijzondere ontmoeting had met Melchisedek, de koning van Salem (Gen. 14). Maar de belofte van een nageslacht bleef onvervuld. Het zag er naar uit dat Eliëzer, zijn trouwe dienstknecht uit Damascus, zijn bezittingen zou erven. Maar God sprak opnieuw tot Abram: “Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. En zoals God het nageslacht van Abram eerder vergeleek met het stof op aarde, zo wees Hij hem nu op de sterren: “indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn! (Gen. 15:4, 5).
Drie jaar geleden kwam ik onder de indruk van hoe groot deze belofte is. Ik was toen in Israël en sliep een nacht in de Negev-woestijn, in de openlucht. Met het woestijnzand onder mijn slaapzak en de sterrenhemel boven mij. Nog nooit heb ik zó veel sterren gezien als daar. Toen besefte ik dat Abram misschien wel de grootste belofte heeft gekregen, die ooit aan een mens is gedaan. God bevestigde Zijn belofte bovendien met een eed: “Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Eufraat” (Gen. 15:18).

Abram woonde inmiddels al tien jaar in Kanaän, maar was nog altijd zonder kinderen. Sarai begon te twijfelen of het nageslacht dat God haar man had beloofd, wel bij haar verwekt zou worden. Ze was onvruchtbaar. Maar misschien dat haar slavin een kind voor Abram zou kunnen baren? Het leek Abram een redelijk voorstel. Het is weliswaar niet meer dan logisch dat je nageslacht verwekt bij je eigen vrouw, maar wie zegt dat de Heere niet op een andere manier Zijn belofte zal vervullen? In de cultuur waarin hij opgegroeid was gebeurde het wel vaker dat er kinderen werden verwekt bij een slavin. Zeker als de toekomst van het nageslacht op het spel stond. Kinderloosheid werd in de Semitische wereld gezien als een vloek. En bovendien: God had toen nog niet gezegd dat Sarai zijn kind zou baren

Het voorstel van Sarai leek Abram redelijk, al zal hij enorm hebben getwijfeld. Was dit werkelijk de manier waarop Gods belofte vervuld zou worden? Het ligt niet erg voor de hand, maar aan de andere kant: Sarai was oud en onvruchtbaar. En ook Abram had het grootste deel van zijn leven er al op zitten. Hij besloot, als in een wanhoopsdaad, het advies van zijn vrouw op te volgen en had gemeenschap met Hagar, de dienstmaagd van Sarai.

Prinses Hagar

Hagar, dat in het Hebreeuws ‘vreemdeling’ betekent, was volgens de Joodse overlevering een prinses. Zij was de dochter van Farao, die haar aan Abram had gegeven. Toen Abram naar Egypte trok, was hij bang dat de Egyptenaren zijn vrouw zouden ‘stelen’, vanwege haar uitzonderlijke schoonheid. ”Zij zullen mij doden, en u in het leven behouden”, zei hij tegen Sarai. ”Zeg toch: Gij zijt mijn zuster opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.” En inderdaad, de Egyptenaren zagen hoe mooi Sarai was. Zó mooi dat ze werd aangeprezen bij de Farao, die haar uiteindelijk tot zijn vrouw wilde nemen. Maar de Heere trof Farao en zijn familie met zware plagen. Uiteindelijk riep hij Abram tot zich: ”Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw vrouw is?” (Gen. 12:12-20).

Hoe wist de Farao dat deze plagen te maken hadden met Sarai? Het apocriefe boek ‘Jasher’ (in het Nederlands beter bekend als het ‘Boek des Oprechten’) vertelt ons meer:

“Toen Sarai werd meegenomen naar het huis van Farao, bad zij tot God: “U vertelde Abram om zijn land en zijn familie te verlaten en naar Kanaän te gaan. En u beloofde voor hem te zorgen, zolang hij aan u gehoorzaam zou zijn. Nu, wij hebben gedaan wat U van ons vroeg. We hebben ons land en onze families verlaten en zijn gegaan naar een vreemd land met een volk dat wij niet eerder kende. Om de hongersnood te ontvluchten zijn we naar Egypte gegaan en nu gebeurt mij dit! Daarom God, bevrijd ons uit de handen van de vijand en wees met mij, wees mij genadig!” God hoorde Sarai en Hij stuurde een engel om haar te bevrijden uit de macht van Farao. (…) Toen Farao bij Sarai kwam en zijn hand uitstrekte om haar aan te raken, sloeg de engel hem. En dit deed hij de hele nacht en de Farao was verschrikt van angst. De engel sloeg ook de dienstknechten van de Farao en zijn familie, zodat er een klaagzang uitging van het paleis. En toen de Farao zag wat er gebeurd was, wist hij zeker dat dit te maken had met Sarai. “Wie is die man met wie je naar Egypte kwam?” vroeg hij haar. “Dat is mijn man”, antwoordde Sarai. “Maar ik vertelde u dat het mijn broer was, omdat ik bang was dat u hem zou doden vanwege uw verdorvenheid”. De Farao bleef uit de buurt van Sarai en God sloeg hem niet langer. Toen wist hij zeker dat hij was geslagen vanwege Sarai”.

Uit het apocriefe ‘Boek des Oprechten’ (Jasher). Vertaald en bewerkt door Ruben Hadders.

Farao was zwaar gestraft door de Heere. Wat zal hij gedacht hebben? Hij was immers onbekend met de God van Abraham, maar kreeg nu op niet mis te verstane wijze te maken met de enige levende God. Heeft deze gebeurtenis zijn leven veranderd? Of in elk geval zijn gedachten over God? We weten het niet. In elk geval vreesde hij nu deze God zodanig, dat hij - volgens het boek Jasher - Abram vele geschenken gaf om Hem tevreden te stellen: vee, slaven, dienstmaagden, goud, zilver en zelfs zijn eigen dochter: “Het is beter voor je, mijn dochter, een dienstmaagd te zijn in het huis van Abram, dan een maîtresse in mijn huis. Want we hebben gezien hoeveel kwaad over ons is gekomen vanwege Abrams vrouw” (Jasher 15:32).

Hagar wordt zwanger

Het duurde niet lang voordat Hagar zwanger werd van Abraham. Zij zal dit hebben gezien als een mogelijkheid tot rehabilitatie. Nog maar een paar jaar geleden was zij een prinses in het hof van Farao, nu was ze niets meer dan een dienstmaagd. Een vreemdeling in het huis van Abraham en zo zal zij zich ook hebben gevoeld. Maar nu zij wel zwanger was, terwijl Abrams eigen vrouw geen kinderen kon krijgen, dacht zij wellicht in aanzien te kunnen stijgen bij Abram. Zij verliest haar respect voor Sarai, die zich vervolgens beklaagt bij Abram. “Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen”, zo reageert hij. Sarai maakt Hagar het leven vervolgens zó zwaar, dat ze de woestijn in vlucht.

Hagar was niet van plan terug te keren. Waarschijnlijk wilde ze terug naar Egypte, naar het rijke leven van weleer. Maar God had een ander plan. Terwijl Hagar verdrietig bij een waterput denkt aan alle ellende die haar is overkomen, verschijnt de Engel des Heeren aan haar: “Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht van mijn vrouw Sarai!” Dan draagt de Engel Hagar op terug te gaan met de mededeling: “Verneder u onder haar handen”. Wat zal er toen door Hagar heen zijn gegaan? Je gaat toch niet terug naar de vrouw die jou zo ontzettend vernederd heeft?

Bovendien was dit natuurlijk een hele vreemde ontmoeting. In het land van haar vader geloofde men in meerdere goden en nu stond zij plotseling oog in oog met de Engel van een voor haar onbekende God. Toch gehoorzaamt Hagar de Engel en keert zij terug naar Abraham. De Engel heeft haar dan ook een grote, bemoedigende belofte gedaan: “Ik zal uw zaad zeer vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden”. Wat een geweldige boodschap! God hoort! Zelfs naar iemand die eigenlijk een vreemde was in het godvrezende huis van Abraham. Die opgegroeid was in een andere cultuur en met andere goden. Evenals Abram krijgt Hagar de belofte van een groot nageslacht. Geen kwaad woord of verwijt van de Engel des Heeren naar Hagar, maar juist een geweldige belofte!

Over Ismaël zegt de Engel: “Hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broeders”. Wat een opmerkelijke profetie! Een woudezel (wilde ezel) is niet in bedwang te houden, is agressief. En het opheffen van de hand tegen een ander volk betekende in oude militaire termen niets minder dan oorlog! Dat klinkt nu niet bepaald positief. Toch is dit één van de eerste dingen die wij in de Bijbel lezen over Ismaël. En voor Hagar was het een hoopvolle boodschap. De onbekende God die zij hier ontmoette in de woestijn, noemde zij vervolgens de ‘God des Aanziens’: “Want zij zeide: “heb ik ook hier gezien naar Hem, Die mij aanziet?” Vol goede moed keert Hagar terug naar Abram en baart Ismaël. Abram was toen 86 jaar.

Abrams naamsverandering

Ismaël was inmiddels al 10 jaar oud, toen God opnieuw aan Abram verscheen. Hij geeft hem een nieuwe naam: Abraham. En dat is een belangrijk verschil, want een naam zegt iets over de persoon, zeker in de Bijbel. De naamsverandering van Abram wijst in diepste zin dus op een persoonsverandering.
De (Hebreeuwse) letter 'h' werd toegevoegd aan zijn naam. Nu zijn letters in het Hebreeuws tevens getallen. Zo staat de letter ‘h’ gelijk aan het getal 5. Dit is één van de mooiste getallen omdat het in de Bijbel ‘genade’ symboliseert. Abram begon, ondanks zijn leeftijd van bijna een eeuw, aan een nieuw leven waarin genade centraal zou staan. Hij kreeg een sleutelpositie in het grote plan van God voor deze wereld, doordat God een verbond met hem sloot (Gen. 17:7).

Het verbond

“Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken”, sprak God tot Abraham “en Ik zal u tot volken stellen en koningen zullen uit u voortkomen. En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. En Ik zal u, en uw zaad na u, het land van uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn” (Gen. 17:6, 7).

Het zijn machtige woorden die de Heere hier spreekt. Niet alleen bevestigt Hij de beloften die Hij eerder aan Abraham deed, Hij belooft ook ‘een God te zijn’ voor hem en zijn nageslacht. God wordt een persoonlijke God, die zich exclusief aan Abraham en zijn zaad verbindt. De oude Abraham kon het bijna niet geloven. “Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren?”, dacht hij bij zichzelf. “Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!”, riep hij uit tot God (Gen. 17:17, 18).

Maar God had een ander plan: “Voorwaar, Sara, uw vrouw, zal een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond voor zijn zaad na hem. En aangaande Ismaël heb ik u verhoord: zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen. Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op deze gezette tijd in het andere jaar baren zal” (Gen. 17:19).

Ismaël werd dus niet gerekend tot het zaad waar de Heere over sprak en kreeg geen deel aan het verbond. In de eerste profetie over Ismaël (Gen. 16:10-12) werd ons dit al duidelijk gemaakt. Immers, toen werd gezegd dat hij zou wonen “voor het aangezicht van al zijn broederen”. Volgens Dr. M. Reisel, die een vertaling van Genesis maakte, kan dit ook vertaald worden met: “ten oosten van zijn broederen”. Want in tegenstelling tot Izak en zijn nageslacht, zal Ismaël niet in Kanaän wonen, maar wel in de directe omgeving daarvan.

Besnijdenis

Als teken van het verbond moeten alle mannen in het huis van Abraham besneden worden (Gen. 17:10-14). Dit was een belangrijk gebod met een diepe betekenis. De ‘voorhuid’ staat namelijk symbool voor de onreine, zondige natuur van de mens. Deze moest worden weggenomen om deel te kunnen hebben aan het verbond van God. En hoewel de besnijdenis hiervan een symbolische voorstelling is, was het niet gehoorzamen van dit gebod een teken van groot ongeloof: “Wiens voorhuids vlees niet besneden zal worden, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond verbroken” (Gen. 17:14).

De besnijdenis was een voorafschaduwing van het grote werk dat God later op Golgotha zou doen. Daar werd Zijn eniggeboren Zoon, die zonder zonde was, omwille van ons tot zonde gemaakt (2 Kor. 5:21). “In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus” (Kol. 2:11, NBG).

De besnijdenis was een teken van geloof. Besnijdenis en geloof zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar het was bovenal een schaduwbeeld van de dingen die nog komen moesten.

Izak geboren

Een jaar later, na de verwoesting van Sodom en Gomorra, wordt dan Izak geboren. Genesis 21 begint met de vermelding: “En de Heere bezocht Sara …”, waarna in vers 2 volgt: “En Sara werd bevrucht …”. Vanwege haar hoge leeftijd kon Sara nooit zwanger worden zonder goddelijke tussenkomst. God Zelf stond aan de basis van Izaks geboorte, wiens naam ‘hij lacht’ betekent. Dat hij gewild was, staat als een paal boven water!

Al snel komt het huis van Abraham op zijn kop te staan: “Sara zag de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spottende. En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon van de dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak niet erven” (Gen. 21:9, 10). Dit raakte Abraham heel diep en ‘was zeer kwaad in zijn ogen, vanwege zijn zoon!’ (vs. 11). Waarom zou hij zijn eigen zoon wegsturen? Voor Ismaël zal het overigens ook niet makkelijk zijn geweest. Hij was al een jaar of 17 en zag dat zijn positie in gevaar kwam. Izak was immers het kind van Sara, de belangrijkste vrouw in het huis van Abraham. En de relatie tussen Hagar, zijn biologische moeder, en Sara was waarschijnlijk al niet geweldig.

Maar dan stelt God Abraham gerust: “Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over de jongen, en over de dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Doch Ik zal ook de zoon van deze dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is” (Gen. 21:12).

Kern van het conflict

Hier komen wij bij de kern van het conflict tussen Joden en Arabieren. “Onder drie dingen beeft de aarde, ja, onder vier, die zij niet dragen kan”, zegt Spreuken 30:21, NBG). “Onder een slaaf, als hij koning wordt (…) en een dienstmaagd, als zij haar meesteres verdringt”. En dat was precies het geval in het huis van Abraham. Ismaël was de eerstgeboren zoon van Abraham en de belangrijkste erfgenaam. Maar hij was verwekt in ongeloof en geboren uit een dienstmaagd!

Ismaël maakte geen onderdeel uit van Gods plan. Dat is natuurlijk een moeilijke uitspraak, want tegelijkertijd moeten we zeggen dat niets buiten de wil van God om gaat. Maar de weg tot Christus, de lijn der belofte, zou via Izak lopen. Paulus gaat hier in zijn brief aan de Galaten uitgebreid op in: “Die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte” (Gal. 4:23, NBG). Ismaël is volgens hem geboren ‘uit het vlees’, Izak daarentegen is ‘uit de Geest’. Beide zaken gaan niet samen en dus moest Ismaël weg.

De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij gaf Hagar en Ismaël brood en water en stuurde hen weg, de woestijn in. Wat moet er wel niet door hem heen zijn gegaan? Misschien zou hij zijn zoon nooit meer terugzien! En Hagar en Ismaël, wat zullen zij ook een verdriet hebben gehad. Hagar had al zoveel meegemaakt. Ze was – waarschijnlijk tegen wil en dank – weggenomen uit het heerlijke leven in Egypte, om de dienstmaagd van Sara te worden. Vervolgens moest ze een zoon baren voor Abraham, waardoor ze alleen maar in de problemen was gekomen. Haar leven was heel anders gelopen dan ze zich waarschijnlijk had voorgesteld. Ze had wel de God van Abraham leren kennen in al die jaren, maar ik denk dat ze nu niets meer van Hem begreep. Misschien geloofde ze niet meer in de belofte die God eerder aan haar deed. Er leek immers geen toekomst meer te zijn.

Na enige tijd door de woestijn te hebben gedwaald, was het water op. Ismaël lag op sterven en Hagar liet haar zoon achter onder één van de struiken. Zelf ging ze een eind verderop zitten, want ze kon het niet aanzien hoe Ismaël stierf. Ze schreeuwde het uit van verdriet. Maar dan spreekt God tot haar. “Hij hoorde de stem van de jongen”, staat er in Genesis 21:17. Ik vraag mij af wat dat betekent. Was die stem een noodkreet of heeft Ismaël tot God gebeden? In elk geval heeft God gehoord. “En de Engel Gods riep Hagar toe uit de hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet, want God heeft naar de stem van de jongen gehoord, ter plaatse, waar hij is. Sta op, hef de jongen op, en houd hem vast met uw hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen”. Ismaël is niet dood, hij leeft! God laat hem niet in de steek. Integendeel, “God was met de jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn en werd een boogschutter” (vs. 20).

Wat een liefdevolle woorden! Ismaël groeit op in de woestijn tot een groot krijger. Hij krijgt uiteindelijk twaalf zonen, zoals God had voorzegd (Gen. 17:20; 25:12-16). “En zij woonden van Havíla tot Sur, dat tegenover Egypte is, waar gij gaat naar Assur; hij heeft zich neergezet voor het aangezicht van al zijn broeders” (vs. 18). In onze tijd is dat van Jemen en Saoedi-Arabië tot aan Egypte, samen met Irak en Iran. Een groot gedeelte van de (huidige) Arabische wereld dus, de zogenaamde Halve Maan.

Mohammed

Ismaël werd de stamvader van een ontelbaar volk, zoals de Heere al had gezegd. Maar wel een volk dat maar moeilijk kon samenleven met andere volken. Ismaël was een “woudezel van een mens”, vrijheidslievend en een groot strijder. Dat kenmerkt niet alleen zijn persoon, maar het hele volk van Ismaël: de Arabieren. Ismaël was opgegroeid met de God van zijn vader Abraham, maar omdat hij geen contact meer had met het huis van zijn vader, ontstond bij de Ismaëlieten een eigen cultuur. Een cultuur waarin God overigens een belangrijke plaats had, maar die in de loop der eeuwen steeds meer beïnvloed werd door andere culturen.

Omstreeks het jaar 570 werd Mohammed geboren, een afstammeling van Ismaël. Arabië was toen een groot handelsland en van de oorspronkelijke cultuur en godsdienst was weinig bewaard gebleven. Naast de Joodse en christelijke kolonies in het land waren er nog vele andere religieuze invloeden. Toch was er altijd de herinnering aan die ene God, de God van Abraham. “Mohammed heeft waarschijnlijk nooit kennis genomen van het ware bijbelse christendom”, schrijft Wilmos Oosterhoff in zijn boek ‘Vrouwen van Abraham’:

“Het christendom was in die tijd verscheurd in allerlei sekten die elkaar te vuur en te zwaard bestreden (…) Daarnaast was er nog veel vermenging met heidense godsdiensten. Dit alles moet Mohammed, die oprecht naar de Godsopenbaring op zoek was, erg in verwarring hebben gebracht. De Bijbel was inmiddels vertaald in het Latijn, het Syrisch, het Armeens, het Koptisch en het Germaans, maar nog steeds niet in het Arabisch. Geen wonder dat Mohammed het antwoord ging zoeken in de eigen Arabische traditie. Hij had grote dichterlijke en retorische talenten, eigenschappen die een Arabier veel status verschaften. Als dichter en redenaar en als chauvinistische Arabier kon Mohammed het niet verkroppen dat de Arabieren geen heilige boeken hadden zoals de Joden en de christenen. Dit was de geestesgesteldheid die Mohammed rijp maakte voor het profeetschap”

Bron: Vrouwen van Abraham, uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 1994 (Pag. 61).

In de laatste dagen van de maand Ramadan in het jaar 612 kreeg Mohammed een ‘openbaring’. In zijn slaap zag hij een mysterieus wezen dat hem opdroeg een boekrol te lezen. Als hij ontwaakt, beseft hij dat een boek in zijn hart is neergedaald. In eerste instantie dacht hij gek te zijn geworden, maar zijn vrouw Chadiedja kon dat niet geloven: Mohammed was oprecht en waarheidlievend, hij was gul en barmhartig. Hij kon onmogelijk door demonen bezeten zijn. Ook zijn oude en blinde neef Waraka bemoedigt Mohammed: de geheimzinnige boodschapper zou de engel Gabriël zijn, die hem citaten doorgaf uit een boek uit de hemel. In eerste instantie waren er maar weinig die in hem geloofden. Volgens de Koran zagen velen hem als een bezetene: “Zullen wij soms aflaten van onze goden voor een bezeten dichter?” (Soerra 37:6). Maar in twintig jaar tijd was heel het Arabische schiereiland tot zijn leer, de Islam, bekeerd.

Mohammed hoopte vooral Joden en christenen voor zijn leer te winnen. Zijn openbaringen waren volgens hem alleen maar een bevestiging van de Tora en het Evangelie. Hij erkende alle profeten uit de Bijbel en nog velen uit de Arabische geschiedenis. Zelf was hij de laatste. Na hem zou er tot aan de dag des oordeels geen profeet meer opstaan.

“Het is een grote teleurstelling voor Mohammed geworden dat de Joden hem vrijwel unaniem afwezen en dat ook de christenen weinig van zijn leer moesten hebben. Maar kunnen we het hun kwalijk nemen? Ook al beweerde hij dat hij de Tora en het Evangelie bevestigde, Mohammed had kennelijk weinig kennis van de Bijbel en viel al gauw door de mand. Hij ziet Haman als een tijdgenoot van de Farao uit Mozes’ tijd (Soerra 28:38) en beiden brengt hij in verband met de torenbouw van Babel. Hij noemt Jakob een zoon van Abraham en een broer van Isaäk …”

Bron: Vrouwen van Abraham, uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 1994 (Pag. 63).

Mohammed dacht dat hij geïnspireerd werd, in werkelijkheid hoorde hij een stem in zijn eigen hart. Hij liet zich inspireren door de Arabische traditie, door apocriefe geschriften, door de leer van Zoroaster en het Egyptische dodenboek. En het is niet onwaarschijnlijk dat er demonische krachten in het spel waren. We weten immers dat satan zich kan voordoen als een engel des lichts.

Strijd tegen Izak

Over het leven van Mohammed en de verdere ontwikkelingen van de Islam zullen wij nu niet verder uitweiden. Degene die daar meer over wil weten, verwijs ik graag naar het boek van Wilmos Oosterhoff. Wel is het belangrijk om te onderzoeken waarom er een voortdurende strijd is tussen het nageslacht van Ismaël en het nageslacht van Izak. In het vorige katern schreef ik al dat dit niet alleen politieke of godsdienstige redenen heeft.

Allereerst heeft dat te maken met het erfrecht. Ismaël was Abrahams eerstgeboren zoon, toch werd niet hij, maar zijn jongere broer Izak erfgenaam van de belofte omdat hij uit geloof verwekt was. De Bijbel noemt Izak zelfs de ‘eniggeboren’ zoon van Abraham (Hebr. 11:17)! Het zal Ismaël jaloers hebben gemaakt en het gevaar bestond blijkbaar dat hij de erfenis zou claimen. We zien hoe deze houding ook zijn nageslacht heeft beïnvloed: nog altijd claimen Arabieren de enige weg tot God te hebben. Dit komt treffend tot uiting in de geschiedenis over het offer van Abraham. Hoewel we weten dat Izak, als de eniggeborene en de zoon der belofte, geofferd moest worden, leert de Koran juist dat Abraham Ismaël wilde offeren (Soera 37:99-113). Als herinnering hieraan vieren moslims jaarlijks het ‘offerfeest’.

Deze geschiedenis vormt het fundament van de Islam, dat ‘onderwerping aan de wil van Allah’ betekent. Volgens de Islam onderwierp Abraham zich aan de wil van Allah door Ismaël te offeren. Om deze reden strijden de Arabieren vol godsdienstige ijver voor het bezit van Jeruzalem, omdat hier – op de berg Moria – Abraham zijn zoon wilde offeren. Zij willen zelfs heel Kanaän, omdat dit immers aan Abraham en zijn nageslacht was beloofd. De aartsvader zal hier ongetwijfeld vaak met zijn zoon Ismaël over gesproken hebben, waardoor hij werkelijk dacht het land te erven.

“Diep in hun hart moeten de Ismaëlieten zich altijd als Gods verbondsvolk beschouwd hebben. De Joodse geschiedschrijver Flavius Josefus vermeldt in zijn boek Joodse Oudheden, geschreven vér voor de komst van de Islam, dat de Arabieren de gewoonte hebben om hun jongens op dertienjarige leeftijd te besnijden. Dit in navolging van Ismaël, die dertien jaar oud was toen zijn vader het bevel kreeg om al wat mannelijk is te besnijden. De Arabieren hebben dus al die eeuwen hardnekkig vastgehouden aan dit verbondsteken. Bij de verkondiging van zijn leer knoopte Mohammed dus aan bij oeroude Arabische sentimenten.

Een andere reden voor de strijd met Izak (en de rest van de wereld), is het karakter van Ismaël. Hij is een “woudezel van een mens”, vrijheidslievend en een groot strijder. Eigenschappen die wij overduidelijk herkennen bij de Arabieren. De laatste, en misschien wel belangrijkste reden, is de strijd in de geestelijke gewesten. Via de lijn van Izak wil God de wereld met Zich verzoenen, maar satan werkt dat plan tegen via de lijn van Ismaël. Dat de Islam een steeds grotere rol speelt op dit aardse strijdtoneel hoeft ons dan ook niet te verbazen. Satan weet dat de tijd kort is.

Literatuur:
Vrouwen van Abraham, door Wilmos Oosterhoff. Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer 1994
De God van Abraham, Isaak én Ishmaël, door Jaap Bönker en Maarten Nota. Initialmedia, Rotterdam 2007

Voetnoten:
1. Dit zijn de godsdiensten waarin men gelooft in één God: Jodendom, Christendom en Islam.

Sluiten