JOM KIPPOER en de zonde van ontwetendheid

Jodendom | Feesten en offers Tekst, Sergey Dariy

De term ‘Grote Verzoendag’ staat in het Hebreeuws altijd in het meervoud (Jom Kippoeriem)1 en betekent letterlijk ‘Dag van verzoeningen’.

Het is een van de belangrijkste dagen van het Joods religieuze leven en stond centraal in de Tempeldienst van het oude Israël. Tot op de dag van vandaag beschouwen de verschillende stromingen binnen het Judaïsme het als een van de belangrijkste inzettingen van de Thora die onderhouden moeten worden. De instelling van dit gebod kunnen we lezen in Leviticus 16:1-34; 23:26-32 en Numeri 29:7-11. De diepere interpretatie ervan vinden we in de Hebreeënbrief, waar we kunnen lezen hoe de Dag van Verzoeningen een voorafschaduwing was van het heil dat in en door onze Hogepriester, de Heere Jezus, werkelijkheid werd.

Zonde van onwetendheid (Heb. 9:7)

“Dit alles was dus zo ingericht. In het eerste deel van de tabernakel gingen de priesters voortdurend binnen om de diensten te volbrengen. In het tweede deel echter ging alleen de hogepriester eenmaal per jaar binnen, niet zonder bloed, dat hij voor zichzelf offerde en voor de afdwalingen van het volk” (Hebr. 9:6-7). Jom Kippoer was de dag dat het offerbloed de zonden van onwetendheid bedekte. In tegenstelling tot de HSV die het Griekse woord agnoematon met 'afdwalingen' weergeeft, vertaalt de NBG 51 het terecht met 'zonden in onwetendheid bedreven'.2 Jom Kippoer was de enige dag dat de hogepriester het Heilige der Heiligen mocht binnengaan. Vanuit de Bijbel weten we dat, met uitzondering van het toegewijde gelovig overblijfsel, Israël niet trouw is gebleven aan haar God. Jom Kippoer werd echter ingesteld als de dag van verzoeningen voor alle zonden van onwetendheid voor het hele volk. Immers, in de ogen van de Almachtige waren ook de zonden van onwetendheid nog steeds zonden. In Exodus 30:10 lezen we over Jom Kippoer: “Aäron moet dan eenmaal per jaar aan de horens van het altaar verzoening doen met een deel van het bloed van het zondoffer ter verzoening. Eenmaal per jaar moet hij aan de horens verzoening doen, al uw generaties door; het is allerheiligst voor de HEERE”. In de daaropvolgende verzen lezen we hoe God Mozes opdraagt de Israëlieten van twintig jaar en ouder te tellen en voor ieder van hen een offer van een halve sjekel als losprijs voor hun zielen te laten betalen. “Verder sprak de HEERE tot Mozes: Wanneer u het aantal Israëlieten opneemt, volgens hun tellingen, dan moet ieder bij hun telling aan de HEERE een losgeld geven voor zijn leven, opdat er bij hun telling geen plaag over hen komt. Dit moeten allen die bij de getelden gaan behoren, geven: een halve sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom (de sikkel is twintig gera waard), een halve sikkel als een hefoffer voor de HEERE. Al wie bij de getelden gaat behoren, van twintig jaar oud en daarboven, moet het hefoffer voor de HEERE geven. De rijke mag niet meer en de arme niet minder geven dan een halve sikkel, als u het hefoffer voor de HEERE geeft om voor uw leven verzoening te doen. U moet het geld ter verzoening van de Israëlieten nemen en het bestemmen voor de dienst van de tent van ontmoeting. Het moet een herinnering voor de Israëlieten zijn voor het aangezicht van de HEERE, om voor uw leven verzoening te doen” (Exod. 30:11-16). Het is duidelijk dat er een verband is tussen Jom Kippoer en de in de tekst genoemde verzoening voor levens (letterlijk: zielen). Het betrof de derde telling van de Israëlieten sinds Jakobs familie naar Egypte was gegaan en daaruit weer was vertrokken. Maar wat was deze keer de reden om het volk op zo’n ongebruikelijke manier te tellen? Allereerst weten we dat sommige teksten in de Bijbel niet in exact chronologische volgorde staan. Ik geloof dat Exodus 30:11-16 begrepen moet worden in de context van de gebeurtenissen rondom het gouden kalf (Exod. 32). Mogelijk dat dit gebod werd gegeven nadat Israël het gouden kalf had aanbeden. Volgens de Midrasj werd Jom Kippoer ingesteld op de dag dat Mozes voor de tweede keer de stenen tafelen had ontvangen. Ik betwijfel dat, omdat er voor de praktische uitvoering van Jom Kippoer een Tabernakel nodig was en deze pas werd voltooid op de eerste dag van het tweede jaar na de uittocht. Daarbij komt dat de Israëlieten verzoening voor hun zonden was verleend op grond van Mozes' voorbede. Naar mijn mening was de telling van het volk ingesteld om vast te leggen wie na de executies door de Levieten (als gevolg van de zonde met het gouden kalf) in leven waren gebleven. De Levieten moesten namelijk diegenen doden, die het kalf hadden aanbeden ongeacht hun broeder, vriend of naaste (Exod. 32:27). Volgens de Wet moest afgoderij met de dood bestraft worden. Het is waarschijnlijk dat de Israëlieten die niet gedood waren, zelf niet hadden meegedaan met de aanbidding van het kalf, maar wel als verontreinigd door afgoderij werden gezien. Ze werden gerekend tot degenen die de zonde van onwetendheid hadden begaan en daarom toch medeverantwoordelijk waren voor de bedreven afgoderij. Daarom verdienden zij ook de doodstraf. Maar door Gods genade werd voorzien in verzoening voor hun zielen. Een halve sjekel was de gevraagde losprijs voor iedere ziel die geteld werd (Exod. 30:13, 14). In dit verband is het opmerkelijk wat de apostel Petrus aan zijn Joodse broeders schrijft: “… in de wetenschap dat u niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, vrijgekocht bent van uw zinloze levenswandel, die u door de vaderen overgeleverd is …” (1 Petr. 1:18). Het lijkt alsof hij naar dit gedeelte in de Thora verwijst en zijn tijdgenoten vergelijkt met de generatie in de woestijn. Alsof hij hen rekent tot diegenen die het gouden kalf dan wel niet rechtstreeks hadden aanbeden, maar wel de zondige neigingen van hun vaderen hadden geërfd. Zilver noch goud was in staat hen van de dood te verlossen, maar wel het kostbaar bloed van de Messias.

Losgeld en plaag

In Exodus 30:12 lezen we: “Wanneer u het aantal Israëlieten opneemt, volgens hun tellingen, dan moet ieder bij hun telling aan de HEERE een losgeld geven voor zijn leven, opdat er bij hun telling geen plaag over hen komt”. In deze omstandigheden was losgeld het enige middel om aan een plaag (straf) te ontkomen. Het was een hefoffer voor verzoening. Het Hebreeuwse woord voor losprijs ‘kopher’ is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord ‘kaphar’, wat letterlijk ‘bedekken’ betekent. We vinden dit woord voor het eerst in Genesis 6:14: “Maak voor uzelf een ark van goferhout. In vakken ingedeeld moet u deze ark maken en hem van binnen en van buiten met pek bestrijken ”. Wellicht interessant om in dit verband te wijzen op een opmerkelijke gewoonte in de synagoge. Zoals u vermoedelijk weet is er voor een synagogedienst een minjan , oftewel tenminste tien mannen nodig. Om er zeker van te zijn dat het aantal mannen voldoende is, wordt er een telling gedaan. Het betreft dan geen telling van personen of namen, maar van benen. De som wordt dan door tweeën gedeeld waarmee het aantal aanwezigen is vastgesteld. Aanleiding voor deze, voor ons vreemde manier van doen, is het verschrikkelijke oordeel dat David over het volk bracht, toen hij Israël en Juda telde zonder de instelling van de losprijs in acht te nemen. “En deze zaak was slecht in de ogen van God, daarom trof Hij Israël. Toen zei David tegen God: Ik heb zwaar gezondigd, omdat ik deze zaak gedaan heb. Maar nu, neem de ongerechtigheid van Uw dienaar toch weg, want ik heb heel dwaas gehandeld” (1 Kron. 21:7, 8). David had berouw over zijn ongerechtigheid, beleed zijn zonde en sprong net als Mozes op de bres voor zijn volk. Desalniettemin moest er nog steeds losgeld worden betaald om de plaag die over het volk was gekomen tot stilstand te brengen: “Toen zei de engel van de HEERE tegen Gad dat hij tegen David moest zeggen dat David de heuvel op moest gaan om voor de HEERE op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, een altaar op te richten” (vs. 18). De prijs voor de dorsvloer was 600 sikkel goud (vs. 25). “Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers. Toen hij de HEERE aanriep, antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar. Daarna zei de HEERE tegen de engel dat hij zijn zwaard weer in zijn schede moest steken” (vs. 26, 27). Hoewel het volk niet rechtstreeks schuldig was aan Davids overtreding, kwam het wel onder de vloek. En dat illustreert hoe de verzoening van de zonde van onwetendheid werkt en hoe het losgeld weer ten dienste staat van de herstelde relatie en ontmoeting tussen de Heere en Zijn volk: “U moet het geld ter verzoening van de Israëlieten nemen en het bestemmen voor de dienst van de tent van ontmoeting” (Exod. 30:16). 1. iem is een meervoudsvorm. 2. Agnoemata zijn 'onwetenden'

Sluiten