Jeruzalem in de eindtijd

Profetisch Woord Tekst, Ton Stier

Wie zich vanuit de Bijbel een beeld van de eindtijd wil vormen, komt al snel uit bij Jeruzalem. Deze toekomstige ‘stad van de Grote Koning’ (Ps. 48:3) zal namelijk eerst nog het episch centrum worden van de meest dramatische fase in de wereldgeschiedenis: De tijd dat de ‘koning der verschrikkingen’ zich in de tempel zal zetten om zichzelf als God voor te doen.

Inleidende gebeurtenissen

Niet zelden hoor je christenen over ‘de eindtijd’ spreken, als over een periode die al is aangebroken. Er wordt dan verwezen naar door de Heere Jezus in Mattheüs 24 genoemde ontwikkelingen als: oorlogen, hongersnoden, ziekten, aardbevingen, enzovoorts. Echter, aansluitend op deze opsomming zegt de Heere: “maar het is nog niet het einde”. We kunnen hieruit afleiden dat het slechts om inleidende gebeurtenissen gaat. En voor zover we daar nu al de (voor)vervulling van zien, zijn deze dingen dus niet de essentie van de eindtijd, maar de inleiding tot de eindtijd. Dat deze en vele demonische ontwikkelingen niet ongemerkt aan onze samenleving, onze gemeente, ons gezin en ons persoonlijk leven voorbij trekken, is evident. Waakzaamheid, Schriftonderzoek, gebed en een geheiligd leven zijn in onze tijd meer dan ooit geboden!

Tijd van het einde

Eindtijd of ‘tijd van het einde’ (HSV) is de vertaling van het Hebreeuwse et qets, dat we uitsluitend in het boek Daniël tegenkomen (Dan. 8:17; 11:35, 40; 12:4, 9) en een specifieke periode van de wereldgeschiedenis aanduidt. We lezen in Daniël 11:35: “Van de verstandigen zullen er struikelen, om hen te louteren, te reinigen en zuiver wit te maken, tot de tijd van het einde, want het wacht nog tot de vastgestelde tijd”. De tijd van het einde is dus een door God vastgestelde tijd en wordt niet bepaald door aardse machthebbers, die op hun beurt weer onder invloed staan van ‘de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten’ (Dan. 10:13,20; Ef. 6:12). Informatie over deze ‘tijd van het einde’ moest worden verzegeld: “Maar u, Daniël, houd deze woorden geheim en verzegel dit boek tot de tijd van het einde” (Dan. 12:4, zie ook vs. 9). Deze verzegeling is dus: “tot de tijd van het einde”. Opmerkelijk dat het Boek Openbaring - een belangrijke sleutel tot het begrijpen van het Boek Daniël en visa versa - nu juist niet verzegeld wordt, omdat ‘de tijd nabij is gekomen’ (Opb. 22:10).

Voleinding van de wereld en de tijd van het einde

Dat de discipelen in deze materie goed waren ingevoerd, blijkt uit hun vraag in Mattheüs 24:3: “Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken van Uw komst en van de voleinding van de wereld?” Deze, door de Heere Zelf onderwezen, leerlingen leggen dus een verband tussen Christus’ (weder)komst en de voleinding van de wereld. Het Griekse woord voor ‘voleinding’ is sunteleia  en is opgebouwd uit twee woorden: ‘sun’: ‘samen’ en ‘teleo’ van het woord ‘telos’, dat vertaald wordt met ‘einde’. Je zou sunteleia  dus kunnen vertalen met ‘een samenkomend einde’. Denk aan een tramremise, waarbij alle trambanen op één punt samenkomen. Het is de slotfase, ‘het samenkomend einde’, waarin alle ontwikkelingen van de wereldgeschiedenis hun eindpunt vinden. Het woord voor ‘wereld’ in de uitdrukking ‘voleinding van de wereld’, is de vertaling van het Griekse woord ‘aioon’, dat ‘eeuw’ of ‘tijdperk’ betekent (vgl. Ef. 2:2). Bij de ‘voleinding van de wereld’ gaat het dus niet om het vergaan van de fysieke wereld, maar om de afsluiting van deze aioon (eeuw/ tijdperk), alsmede het begin van wat de Bijbel ‘de komende aioon (eeuw)’ noemt (Matt. 12:32). Dat tijdsgewricht, waarin Christus’ wederkomst het scharnierpunt zal zijn, noemt de Bijbel ‘de tijd van het einde’.

Zaad van de vrouw versus het zaad van de slang

In deze tijd van het einde zal de in Genesis 3:15 voorzegde vijandschap tussen het Zaad van de vrouw en het zaad van de slang tot een immense confrontatie komen. Het zaad van de slang, dat zich in talloze fysieke vijanden van Israël heeft voorgedaan - denk aan Kaïn, Nimrod, Farao, Amelek, Haman, Herodes, maar ook in religieuze gedaante als ‘adderengebroed’ (Matt. 3:7; 12:34; 23:33), zal straks in de persoon van ‘de mens der wetteloosheid’; ‘de koning der verschrikkingen’ (Job 18:14) het wereldtoneel betreden. Paulus schrijft daarover: “Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen  is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is, de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet” (2 Thes. 2:3,4). Dat er aan de komst van de mens van de wetteloosheid ‘een afval’ vooraf moet gaan, kan overigens alleen betekenen dat deze afval wordt voorafgegaan door een geestelijke opwekking onder het Joodse volk. De eerste voortekenen daarvan ervaren we niet alleen in de enorme ontwikkeling van de Bijbelverspreiding, maar denk ook aan het toekomstig optreden van de 144.000 verzegelden uit de twaalf stammen Israëls (Opb. 7:4).

Gruwel van verwoesting

Volgen we verder de eindtijdrede van de Heere Jezus, dan blijkt de gruwel van de verzoeking het  angstwekkend dieptepunt te zijn: “Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats – laat hij die het leest, daarop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen … Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal”. Het woord ‘gruwel’ (Hebr: sjikoets ), is de aanduiding voor een afgodsbeeld (Dan. 9:27; 11:31; 12:11) in de tempel te Jeruzalem, waarvan we de sinistere details vinden in Openbaring 13:14,15: een beeld dat spreekt en over een geest beschikt.

Direct na de verdrukking

Zowel Daniël (Dan. 12:1) alsook de Heere Jezus omschrijven deze periode als een grote verdrukking die zijn weerga in de geschiedenis niet kent, maar ook nooit meer zal worden herhaald. We lezen namelijk: “En meteen na de verdrukking van die dagen  zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden. En dan zal aan de hemel het teken van de Zoon des mensen verschijnen; en dan zullen al de stammen van de aarde rouw bedrijven en zij zullen de Zoon des mensen zien, als Hij op de wolken van de hemel komt met grote kracht en heerlijkheid” (Matt. 24:29, 30). Dan zal Jeruzalem niet langer door de heidenen worden vertrapt, zullen de tijden van de heidenen zijn vervuld (Luk. 21:24), zal ‘de komende eeuw’ zijn aangebroken en zal Jeruzalem ‘de stad van de Grote Koning’ zijn. “Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het Woord van de HEERE uit Jeruzalem” (Jes. 2:3b).

Sluiten