Joodse christenen tijdens de Tweede Wereldoorlog (dl. 2)

Antisemitisme Tekst, Pieter Siebesma

In de vorige studie werd ingegaan op het lot van de Joodse christenen in Europa tijdens de Holocaust. Ten tijde van de Middeleeuwen konden Joden vervolgingen en pogroms ontlopen, wanneer zij zich (al dan niet daartoe gedwongen) lieten dopen en christen werden. Maar onder Hitler was dat niet meer mogelijk.

Minderwaardig ras

Hitler en de Nazi’s beschouwden Joden niet als de aanhangers van een antichristelijke godsdienst, maar zagen hen als de leden van een minderwaardig ras. Het maakte niet uit of zij orthodox Joods, liberaal Joods, atheïst of christen waren. Als iemand drie of vier Joodse grootouders had, kwam hij in aanmerking voor deportatie naar de concentratiekampen en vernietiging in de gaskamers.
Daarom deelden Joodse christenen gelijkelijk het lot van de andere Joden. Dat relatief veel Joodse christenen de oorlog hebben overleefd, was niet dankzij hun christen zijn, maar omdat ze met niet-Joodse partners getrouwd waren.

Gemengde huwelijken

De gemengd gehuwden waren van deportatie uitgezonderd. Vroeger werd wel aangenomen dat de Duitse autoriteiten bang waren, dat dit te veel opschudding bij de niet-Joodse familie of omgeving zou veroorzaken. Maar dat was niet de reden. De Nazi’s waren geobsedeerd door de gemengd gehuwden en vooral door hun kinderen. Deze wierpen een smet op het ‘Arische’ Duitse volk, doordat zij ‘gemengd bloed’ hadden. De Nazi’s waren het onderling niet met elkaar eens, wat met de zogenaamde half-Joden en kwart-Joden moest gebeuren. Moesten zij gedeporteerd worden naar de vernietigingskampen of niet? Men kwam er niet uit en daarom besloot men de beslissing over deze groep uit te stellen tot na de oorlog. Dus vanwege de kinderen werd de deportatie van de gemengd gehuwden uitgesteld, ook wanneer zij geen kinderen hadden.

Een niet-Joods christendom

Individuele christenen hebben zich tijdens de Tweede Wereldoorlog ingespannen om Joden te helpen bij het onderduiken of op andere wijze bijgestaan. Helaas ging dat niet op voor alle christenen. De houding van veel kerkleden niet alleen ten opzichte van de Joden in het algemeen, maar ook ten opzichte van de Joodse leden van hun eigen kerk is schokkend te noemen. Dat was met name in Duitsland het geval.

Is het christelijk geloof verenigbaar met het nationaal socialisme? In het algemeen waren de kerken in Nederland daarin duidelijk en beschouwden ze dit inderdaad als onverenigbaar. Ook Hitler en vele hoge nazileiders met hem zagen het christelijk geloof als één van de grootste tegenstanders van het Nazisme.
Maar binnen de kerken in Duitsland was een grote groep mensen (de zogenaamde Deutsche Christen, letterlijk ‘Duitse christenen’) die de opkomst van het Nazisme toejuichten en hierin nieuwe kansen zagen voor de kerk. Zo kon de kerk weer een belangrijke plaats innemen binnen de Duitse samenleving en haar bijdrage leveren aan de opbouw van een nieuw Duitsland onder Hitler. Zij steunden hem daarom van harte en waren fanatieke aanhangers van de Nazi-ideologie. Deze groep had zo’n 600.000 leden (vooral binnen de Lutherse Kerk). Dat was op het totaal van het aantal christenen in Duitsland niet zo groot. Maar zij oefenden een grote invloed uit op de Duitse kerk als geheel, omdat ze vaak hoge kerkelijke posten bekleedden, bestuursfuncties hadden, werkzaam waren op kerkelijke bureaus (bijvoorbeeld op het terrein van de financiën) en aan theologische hogescholen les gaven. Soms nog eerder dan de burgerlijke autoriteiten, introduceerden zij als eersten anti-joodse maatregelen in de kerken.

De ‘Duitse christenen’ wilden het christendom zuiveren van alle Joodse invloeden. Oudtestamentische verhalen mochten niet langer in de kerkdienst gelezen worden of bij het godsdienstonderwijs besproken worden. Het gezangboek mocht niet meer aan het Hebreeuws ontleende woorden bevatten, zoals halleluja en hosanna. Zelfs het Nieuwe Testament moest als een anti-Joods boek gelezen worden. Jezus was geen Jood, maar een Ariër uit Galilea die een evangelie tegen de Joden predikte. In 1936 werd onder gezag van de Lutherse bisschop van Bremen de eerste anti-Joodse Bijbel gepubliceerd, een nieuwe vertaling van het Evangelie van Johannes. Daarin werd de nadruk gelegd op de anti-Joodse houding van Jezus en werd iedere verwijzing naar de zondigheid van de mens en naar de verzoening door het bloed van Christus afgezwakt of wegvertaald. Andere anti-Joodse vertalingen van het Nieuwe Testament volgden.

Joodse christenen apart

Vlak nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, schreef een man een brief aan de Lutherse rijksbisschop. Zijn zoon studeerde theologie in Halle, maar deze student was gedwongen om met zijn studie te stoppen. Men had namelijk ontdekt dat hij Joodse grootouders had die zich indertijd tot het christelijk geloof hadden bekeerd. De vader vroeg in die brief of de bisschop niet een uitzondering voor zijn zoon wilde maken zodat deze zijn studie kon afmaken en predikant kon worden. ‘Beslist onmogelijk’, luidde het antwoord. De vader, die zich nu bewust werd van wat er speelde, schreef in een brief terug dat nu voor hem de kerk had opgehouden te bestaan. Boven de deur van de kerk behoorde te staan: ‘Kom tot Mij’, maar dat was vervangen door de uitspraak: ‘Laat alle hoop varen, die hier binnen gaat’ (citaat van de Italiaanse dichter Dante, volgens hem het opschrift op de toegangspoort naar de hel). Dit voorval is illustratief voor de positie van de Joodse christenen in Duitsland.

De ‘Duitse christenen’ waren van mening dat Joden geen lid behoorden te zijn van de kerk. Zij waren om die reden ook tegen het dopen van Joden, omdat naar hun mening de doop aan niet-Ariërs geen enkel effect had. Ook wanneer Joden gedoopt waren, bleven zij Joden. In een Duitse kerk behoorde alleen plaats te zijn voor Arische Duitsers en niet voor Joden (en evenmin voor negers of Chinezen). Toen in Silezië een aantal Joodse mensen had gevraagd om zich te laten dopen, wisten kerkenraadsleden die lid waren van de ‘Duitse christenen’ dit met succes te verhinderen. En dat terwijl op dat moment de Duitse regering nog geen maatregelen tegen het dopen van Joden had genomen en het dus nog officieel was toegestaan.
Deze 'Duitse christenen' probeerden ook bij de kerken er door te drukken, dat Joden of degenen met Joodse voorouders niet langer lid konden zijn van de kerk. Hoewel niet op alle plaatsen in Duitsland dat ook daadwerkelijk is gebeurd, had het wel gevolgen voor hen die binnen de kerk werkten. Als eerste werden de predikanten van Joodse komaf en zelfs predikanten die getrouwd waren met vrouwen van Joodse komaf ontslagen of op non-actief gesteld. Het aantal predikanten van Joodse afkomst was overigens niet groot, het ging slechts om enkele tientallen.
Evenzo werden organisten en andere kerkelijke werkers ontslagen, christelijke verenigingen, zoals vrouwenbonden en Bijbelstudieverenigingen werden gezuiverd. Het hebben van één Joodse grootouder kon al voldoende reden zijn om ontslagen te worden. Het kwam zelfs voor dat kinderen die op een kleuterschool zaten die onder het gezag van de Lutherse Kerk viel, werden weggestuurd, omdat ze van Joodse komaf waren.
Slechts enkelen protesteerden hiertegen. Eén van hen betoogde dat als je Joden weerde, je dan wel het gehele Nieuwe Testament kon afschrijven, omdat Jezus, Paulus en de apostelen ook Joods waren. Uit deze tijd stamt ook de wrange grap dat Nazi’s een kerk binnenvallen en eisen dat iedere Jood het kerkgebouw moet verlaten. Niemand reageert. Ze eisen het opnieuw en uiteindelijk maakt Christus zich los van het kruisbeeld dat in de kerk hangt en verlaat de kerk.

Aparte gemeenten van Joodse christenen

Voor de Tweede Wereldoorlog is er in West-Europa nooit sprake geweest van aparte gemeenten van Joodse christenen, zoals dat vandaag de dag het geval is bij Messiasbelijdende Joden. Er zijn wel enkele pogingen gedaan tot gemeentestichting, maar dat is niet gelukt. Zo heeft men geprobeerd om in 1898 in Londen een ‘Hebrew Christian Congregation’ te starten, maar dit initiatief liep op niets uit. In Oost-Europa, in steden met grote Joodse gemeenschappen zoals Warschau, Boekarest en Kiev, heeft men eveneens Joods-christelijke gemeenten gesticht, maar na verloop van tijd werden ook deze weer opgeheven. Daarentegen slaagde men er in de Verenigde Staten wel in om Joods-christelijke gemeenten te stichten. Er waren ‘First Hebrew Christian Churches’ in ondermeer Chicago, New York en Los Angeles (gesticht door Arthur U. Michelson in 1929), en ook in Buenos Aires in Argentinië.

In Duitsland werden al in 1933 in de kerkelijke pers artikelen gepubliceerd, waarin werd opgeroepen tot het stichten van aparte Lutherse gemeenten voor Joods christenen. Immers Joden mochten niet meer lid zijn van een ‘Duitse’ kerk.
Omdat de Lutherse Landeskirche van Hannover in 1942 geen kerkbelasting meer wilde heffen van niet-arische christenen, besloot men om in Sleeswijk-Holstein de 124 Joodse Lutheranen in een aparte gemeente te plaatsen. Een Joodse predikant, ds. Auerbach, die in een eerder stadium was ontslagen, werd belast met de pastorale zorg voor deze groep. Toch is het in Duitsland zelf nooit tot officiële gemeentevorming gekomen. De reden is dat veel Joodse predikanten en gemeenteleden, geconfronteerd met de anti-Joodse maatregelen, al in een vroeg stadium Duitsland verlieten en naar Engeland of de Verenigde Staten emigreerden.

Een predikant die de oorlog niet overleefde, was Ernst Flatow. In 1913, toen hij 26 jaar oud was, kwam hij tot bekering. Hij ging theologie studeren en werkte daarna als pastor in een ziekenhuis in Keulen. Hij trouwde, maar zijn vrouw liet zich na enkele jaren (tegen zijn zin) van hem scheiden. Hij was de eerste predikant die in 1933 werd ontslagen en leefde daarna in armlastige omstandigheden. Hij leerde toen een vrouw kennen, met wie hij zich verloofde. Irene Breslauer was evenals hij Joods-christelijk en zij was werkzaam in de Luthers Kerk als jeugdwerker bij de Vereniging van Bijbelkringen voor meisjes in Württemberg (Vereinigung der Mädchenbibelkreise Württembergs), totdat ze vanwege haar Joods-zijn werd ontslagen. In 1939 werden Ernst Flatow en zijn verloofde beiden in de gelegenheid gesteld naar Engeland te emigreren, maar Flatow wilde zijn vaderland niet verlaten en dook onder. In 1942 werd hij opgepakt en samen met een aantal Joodse christenen uit Berlijn naar het getto van Warschau gedeporteerd. Daar werd hij als dwangarbeider ingezet bij het bouwen van de muur rond het getto en is hij uiteindelijk van honger en uitputting overleden.

Kerken in de kampen

De eerste gemeentevorming van Joodse christenen in West-Europa vond in de concentratiekampen plaats. In Theresienstadt, waar veel Joodse christenen naar toe werden gedeporteerd, werden Lutherse en Rooms katholieke kerkdiensten gehouden. Men heeft wel berekend dat vijf tot tien procent van de geïnterneerden in dit kamp gedoopte Joden waren. Theresienstadt was anders dan de andere concentratiekampen. Het was opgezet als een modelkamp, om aan de buitenwereld te laten zien dat Joden het niet zo slecht hadden. Daarom waren de levensomstandigheden er in vergelijking met andere concentratiekampen beter. Vooral geprivilegieerden, mensen die zich op maatschappelijk gebied verdienstelijk hadden gemaakt en bejaarden, voornamelijk uit Duitsland en Oostenrijk, werden hier ondergebracht. Maar dit was slechts tijdelijk. Van de in totaal 140.000 Joden die hier verbleven, werden bijna 80.000 naar de andere concentratiekampen gedeporteerd en vele duizenden anderen kwamen om door ziekten, honger en uitputting. Slechts een klein deel overleefde de oorlog.

Ook in het getto van Warschau waren twee kerken: een Rooms-katholieke kerk, geleid door een priester van Joodse komaf en een kleine Lutherse gemeente, die vooral uit Duitse Joden uit Berlijn bestond en waarvan Ernst Flatow predikant was. Voor zover we weten, zijn alle leden van deze gemeenten omgekomen.

In Nederland is op minstens drie plaatsen sprake geweest van zogenaamde noodgemeenten. In kamp Westerbork werden van 1942 tot 1944 kerkdiensten gehouden onder leiding van een Nederlands Hervormde kandidaat in de theologie, Max Enker. Deze was door de Hervormde synode benoemd als geestelijk verzorger en mocht dopen, avondmaal bedienen en huwelijken inzegenen.
Later kwam daar ook S.P. Tabaksblatt bij. Hij was met zijn gezin naar het concentratiekamp Vught gedeporteerd. Daar had de synode hem als geestelijk verzorger aangesteld van de Joodse christenen in dit kamp. Hij heeft echter maar een maand in Vught gezeten. Er waren ook hier enkele Joodse christenen, maar voor zover bekend zijn er nooit diensten gehouden.

In Westerbork was geen Rooms-katholieke kerk. De Rooms-katholieke Joden waren immers al eerder naar Auschwitz gedeporteerd. De protestanten kwamen samen in de zogenaamde gedooptenbarak en de diensten werden bezocht door ongeveer tweehonderd mensen. De Duitsers hadden ook een Duitse predikant aangesteld, B. Benfey (die gemengd was gehuwd) en die in het bijzonder belast was met de pastorale zorg van de Duitse Joodse christenen.

Westerbork was een doorgangskamp, waar men wachtte totdat men naar de vernietigingskampen werd gedeporteerd. Men leefde met velen op een klein oppervlak. Er waren dan ook veel spanningen en stress. De verstandhouding tussen de kleine groep van gedoopte Joden en andere Joden was slecht. Illustratief is het opschrift dat iemand op het beschot van een van de latrines had geschreven ‘Barak 73 (dat was de barak waar de gedoopte Joden verbleven) wordt na de oorlog in brand gestoken met alles wat er in is. Omyn’ (Amen).
Maar ook binnen de Joods-christelijke groep zelf waren spanningen. Zo konden de vrijzinnige B. Benfey en de orthodoxe Max Enker niet met elkaar overweg. Niet alleen vanwege theologische verschillen, maar ook omdat de Duitse Joden in Westerbork bevoorrecht werden boven de Nederlandse Joden.

Als laatste is Barneveld te noemen. Hier hebben een tijd lang een groep van ongeveer 700 Joden geïnterneerd gezeten in kasteel De Schaffelaar en in landhuis De Biezen, totdat ze naar Theresienstadt werden gedeporteerd. Op initiatief van de toenmalige secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken werd een aantal vooraanstaande Joden, onder wie hoogleraren en musici, daar ondergebracht om hen zo voor deportatie te behoeden. Onder hen waren relatief veel gedoopte Joden, die voornamelijk lid waren van vrijzinnige kerken. Ook hier was een noodgemeente, waar eens per twee weken in ieder huis diensten werden gehouden en een predikant van buiten (vooral van de vrijzinnige richting) werd uitgenodigd om voor te gaan. Zestig tot tachtig personen bezochten deze kerkdiensten.
Dr. W. Ten Boom (een neef van de bekende Corrie Ten Boom) werd ook enkele keren uitgenodigd om te preken. Hij maakte daar graag gebruik van, omdat maar zo weinig orthodoxe predikanten werden gevraagd. Tijdens de laatste dienst op Kasteel de Schaffelaar, enkele dagen voor het vertrek van de Barneveldse groep naar Westerbork, ging Dr. W. Ten Boom ook voor en werd een Joods echtpaar, een tandarts en een advocate, samen met hun dochter uit Amsterdam gedoopt.

De diensten werden gehouden in de kelder van De Schaffelaar. Daar stond zowel een heilige ark met een wetsrol als ook een orgel. Op sabbat kwamen de orthodoxe Joden bij elkaar. Er stond dan een gedoopte Jood als deurwacht bij de ingang. Op zondag kwamen de Joodse christenen bij elkaar en stond er een orthodoxe Jood bij de deur, opdat de diensten niet verstoord zouden worden.

Conclusies

Als we terugkijken naar wat er in het verleden is gebeurd, is het haast niet voor te stellen dat de ‘Duitse Christenen’ zo verblind waren en er opvattingen op nahielden die zo strijdig zijn met wat de Bijbel leert. Door Jezus los te koppelen van zijn Joodse achtergrond, probeerden zij het christelijk geloof acceptabel te maken voor de nazi-ideologie. Dat je daarbij niets overhoudt, werd door de Nazi’s zelf beter begrepen dan door hen.1
Het laat ook zien hoe antisemitische en hoe antichristelijk het nazisme was. Hitler kun je daarom met recht een voorloper noemen van de komende antichrist.
De ‘Duitse Christenen’ wilden iedere Joodse invloed uit de kerk weren en Joden mochten geen deel meer uitmaken van hun gemeenten. Daarmee ontkrachtten zij een van de pijlers van het Nieuwe Testament. De Gemeente van Jezus Christus omvat allen die Hem toebehoren. Daarbij is geen onderscheid tussen Jood en Griek (niet-Jood). Integendeel, Christus heeft juist de barrière die er voor die tijd bestond, weggenomen.

Voetnoot: Voor wie meer wil lezen over deze duistere pagina uit de kerkgeschiedenis, zie: Doris L. Bergen, Kruis met haken; Duitse Christenen in het Derde Rijk, Callenbach, Baarn 1997.

Sluiten