Jozef en zijn broeders

Bijbelse personen | Oud Testament | Typologie en beelden Tekst, Arno Gaebelein

Genesis beschrijft de geschiedenis van Abraham; de vader van het Joodse volk en de aartsvader van alle ware gelovigen. Zijn zaad is als het zand aan de oever van de zee (een verwijzing naar zijn vleselijke nakomelingschap), terwijl zijn geestelijke kinderen zo talrijk zijn als de sterren des hemels. Toch zijn de meeste hoofdstukken van Genesis niet aan Abraham, maar aan Jozef gewijd.

Kennelijk heeft de geschiedenis van Jozef een belangrijker betekenis dan die van Abraham. De geschiedenis van Jozef beschrijft namelijk de eerste en tweede komst van Davids Zoon, de Messias van Israël. Evenals vele andere grote mannen van Israël was Jozefs leven niet alleen belangrijk voor zijn eigen tijdgenoten, maar gaf God ook schaduwbeelden van de Messias in relatie tot de verlossing van Zijn volk Israël. Zo bevatten de levensgeschiedenissen van Jakob, Jozef, Mozes, Daniël, David en vele anderen, prachtige profetische vergezichten. Door Schrift met Schrift te vergelijken hopen we met Gods hulp een korte verklaring te geven van de bekende geschiedenis van Jozef.
Hoewel de rabbijnen beweren dat zonder uitleg van geleerde mannen, de Heilige Schrift niet is te begrijpen, geloven wij dat de Heilige Geest de ware Leermeester is. De belofte luidt immers:
“Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, zal Hij u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen” (Joh. 16:13).

Gehaat zonder oorzaak

Laten we eerst kijken naar het karakter van Jozef en naar de oorzaak waarom zijn broeders hem haten. Als zeventienjarige jongen bevindt Jozef zich bij zijn broeders en hoedt de kudde (Gen. 37). Aan de boze handelingen van de zonen van Bilha en Zilpa neemt hij geen deel, veeleer “bracht hij hun kwaad gerucht aan hun vader over” (vers 2).

De dromen waarin de Heere hem zijn toekomstige heerschappij over zijn broeders en het huis van zijn vader openbaart, onthullen tevens zijn persoonlijke verhouding tot God. Maar al deze dingen, waaronder Jakobs bijzondere liefde voor Jozef en de ‘veelvervige rok’ die Jozef als eerbetoon van zijn vader ontvangt, zetten kwaad bloed bij zijn broeders. Het was een haat zonder oorzaak, herkenbaar in de profetische woorden van Psalm 69 omtrent het lijden van de Messias: “Zij haten mij zonder oorzaak”.
In de geschiedenis van Kaïn en Abel wordt deze broederhaat ons voor het eerst in de Schrift in schaduwbeeld voorgesteld. Kaïn haatte zijn broeder zonder oorzaak, want ‘de werken van Kaïn waren boos, maar die van zijn broeder rechtvaardig’ (1 Joh. 3:12). De rechtvaardige Abel wordt door zijn eigen broeder gedood en de moordenaar wordt een rusteloze, sombere zwerver, aan wie God een teken stelde, opdat niemand die hem vond hem zou doden (Gen. 4:15). Abel is het beeld van de Messias, terwijl Kaïn het beeld van de broeders van de Messias weergeeft.

Ook in Mozes’ afscheidsrede vinden wij de geschiedenis van Israël en het lijden van Christus tot in een verre toekomst voorzegd. We lezen in Deuteronomium 32:15 de veelzeggende woorden: “En hij (Israël) liet God varen, Die hem gemaakt heeft en versmaadde de Rotssteen zijns heils”. Deze ‘Rotssteen zijn heils’ is de Messias, Wiens verwerping Jesaja (53) in details beschrijft.

Jozefs gehoorzaamheid

Gehoorzaam aan de opdracht van zijn vader, zocht Jozef zijn broers op. Eigenlijk gaf Jakob hem hiermee over in de handen van zijn vijandige broers. Toen zij hem reeds van verre zagen “sloegen zij tegen hem een listige raad om hem te doden” (Gen. 37:18). We zien hoe de haat van de broers hen tot een vreselijke daad drijft.
Evenals eens Jakob zijn zoon Jozef tot zijn broeders zond en hem daardoor feitelijk in hun handen overgaf, zo zond God Zijn Zoon, de Messias, in een boze wereld tot een boos geslacht, om ‘te zoeken en zalig te maken wat verloren is’.

Jozef als type van Gods geliefde Zoon

Jozef was, als ‘zoon des ouderdoms’ Jakobs meest geliefde zoon (Gen. 37:3).
De Messias is de Geliefde des Vaders. De Bijbel noemt Hem niet alleen ‘Zemach Davids’ (de Spruit Davids; Jes. 11:1), maar ook ‘Zemach Jehova’ (de Spruit des HEEREN; Jes. 4:2; Zach. 3:8). Hij is dus meer dan een Zoon van David, zoals ook blijkt uit Psalm 110:1, waar David Hem ‘Mijn Heer’ noemt (zie ook Matt. 22:24-45). Hij is de Geliefde in Wie God Zijn welbehagen heeft (Matt. 17:5).

Jozef als type van Christus’ koningschap

De ‘veelvervige rok’ die Jozef van zijn vader ontvangt, getuigt van zijn verhoogde positie. Zo getuigen de profeten van Jezus’ toekomstige positie als Koning en Heerser over Zijn broeders en de volken der aarde. Daniël profeteert: “En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden” (Dan. 7:14).

De ‘veelvervige’ rok

Jakob gaf aan Jozef een ‘veelvervige’ rok, die uit kostbare stukken van zeldzaam linnen en zijde was samengesteld. Het is een beeld van Christus’ toekomstige heerlijkheid, maar ook van de verscheidenheid aan gaven die tijdens Zijn dienst op aarde openbaar werd.
Hij had macht om duivels uit te drijven, zieken te genezen, de kolkende zee te gebieden, blinden het gezicht weer te geven, gevangenen vrijheid te schenken, bedroefden troost te brengen en zelfs doden op te wekken.

De dromen

De dromen van Jozef waren geen ‘dagdromen’ maar profetische openbaringen. Ook de Heere Jezus was Zich bewust van Zijn toekomstige heerlijkheid, maar toen Hij sprak over Zijn opstanding, hemelvaart en wederkomst op de wolken des hemels, werden ook Zijn woorden niet geloofd en wilden zij Hem zelfs doden.
De broers wilden Jozefs dromen frustreren, door hem van het leven te beroven:
“Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hem in een van deze kuilen werpen; en wij zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat van zijn dromen worden zal” (Gen. 37:20).

Het lot over zijn gewaad

Zij trokken Jozef zijn gewaad uit. Op gelijke wijze lezen wij in Psalm 22:19 over de Heere Jezus: “Zij delen Mijn klederen onder zich, en werpen het lot over Mijn gewaad”. Hoe opmerkelijk is ook de mededeling dat de broeders gingen zitten om brood te eten, terwijl hun broeder Jozef in de vreselijke kuil lag. Als treffend tegenbeeld verhaalt het Nieuwe Testament (Joh. 18:28) dat de Joden niet in het rechthuis, het Praetorium, waarheen zij hun broeder Jezus zonden, wilden gaan, “opdat zij zich niet verontreinigden, maar het Pascha eten mochten”. Zij aten dus het ongezuurde brood en hielden het Pascha, terwijl hun broeder door heidenen een gewelddadige dood tegemoet ging.

De slavenprijs

Maar dan zegt Juda: “Wat gewin zal het zijn, dat wij onze broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen? Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees; en zijn broeders hoorden hem” (Gen. 37:26, 27). Zo werd Jozef aan de Ismaëlieten verkocht voor twintig zilverlingen, de prijs voor een jongeling van Jozefs leeftijd. Judas heeft zijn Broeder Jezus voor dertig zilveren sikkels verkocht. Maar Jezus was dan ook meer dan dertig jaar oud. Vandaar dat we lezen in Zacharia 11:12 “En ik had tot hen gezegd: indien het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen”. Judas deed later precies zoals de profeet in het volgende vers schreef: “En ik nam die dertig zilverlingen en wierp ze in het huis des HEEREN, voor de pottenbakker”.

Het verdriet van de Vader

De broeders namen de rok van Jozef, doopten die in het bloed van een geitenbok en zonden deze tot hun vader Jakob met de woorden: “Deze hebben wij gevonden, beken toch of deze rok van uw zoon is of niet” (Gen. 37:32). Natuurlijk herkende Jakob de rok van zijn zoon en met diepe smart jammerde hij: “Voorzeker is Jozef verscheurd, een boos dier heeft hem opgegeten, voorzeker Jozef is verscheurd. Toen scheurde Jakob zijn kleren en bedreef rouw om zijn zoon, vele dagen. En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf neerdalen. Alzo beweende zijn vader hem” (vers 33-35).
Vaak staan we stil bij het lijden dat de Heere Jezus voor ons onderging, maar tonen deze woorden ook niet het grote verdriet dat de Vader onderging, toen Hij het lijden en sterven van Zijn Zoon aanschouwde?

Van lijden tot heerlijkheid

En dan wordt Jozef in Egypte verkocht aan Potifar; een hoveling van de Farao en de overste der trawanten. Hoe is dat te rijmen met Jozefs voorzegde macht en heerlijkheid? Staat er ook niet van de Messias geschreven dat Zijn Koninklijke heerschappij en macht zich zullen uitstrekken tot alle uiteinden der aarde en dat door Hem alle volken gezegend zullen worden? Jazeker, de Messias zal Koning zijn op de troon van Zijn vader David, zoals Jozef later heerser zou worden over Egypte, maar niet nadat hij eerst door zijn broeders was verworpen en overgeleverd in de handen van de heidenen. Zo moest de Messias eerst tot de diepste vernedering en lijden afdalen, om vervolgens Zijn heerlijkheid in te gaan (Luk. 24:26). Als bewijs hiervoor dient o.a. Psalm 22. David spreekt in deze Psalm niet van zijn eigen lijden, maar dat van Christus. De Psalm begint met de uitroep die wellicht ook op Jozefs lippen is geweest toen hij in de kuil werd geworpen en daarna in slavernij werd verkocht: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Hoe vreselijk is vervolgens de uitroep van spot en provocatie: “Hij heeft het op de HEERE gewenteld, dat Hij hem nu helpe, dat Hij Hem redde, daar Hij lust aan Hem heeft” (vers 9). Vervolgens lezen we over de angstwekkende intimidatie: “Vele stieren hebben mij omringd, buffels van Basan hebben mij omsingeld; zij sperren hun muil tegen mij open, een verscheurende, brullende leeuw” (vers 13, 14).NBG “Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven” (vers 17).

Het hier beschreven lijden is natuurlijk veel groter dan dat van Jozef en David. De Heere wilde in hun lijden een schaduwbeeld geven van het grote lijden van Israëls Messias. Waarom de Messias dit lijden moest ondergaan, wordt ons verklaard in Jesaja 53: “Om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden”.

Joodse exegese

Joodse exegeten passen deze profetie toe op het lijden van Israël, die immers ook ‘de knecht des HEEREN’ wordt genoemd (Jes. 41:8). Dat Jesaja (53) echter getuigt van het plaatsvervangend lijden en sterven van Christus voor Israël en niet van het plaatsvervangend lijden van Israël voor de volken, blijkt vooral uit vers 8: “om de overtreding van Mijn volk (enkelvoud) is de plaag op Hem geweest”.
En zo verwijzen ook de andere teksten, zeker in het licht van het Nieuwe Testament, expliciet naar Israëls Messias: “Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen (en niet ‘de volken’), een man van smarten en verzocht in krankheid; en een ieder was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht. Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Maar Hij is om onze overtredingen verwond; om onze ongerechtigheid is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden”.

Wij zien dus, dat hetgeen met Jozef gebeurde een afspiegeling is van het lijden van de Messias, als het onschuldige Lam van God. Hij moest verkocht, van Zijn kleren beroofd, in handen van heidenen overgeleverd en in de kuil geworpen worden.

Liet God de dood van Jozef door zijn broeders niet toe, de Heere Jezus stierf wel degelijk. Doch op de derde dag wekte God Hem uit de doden op, gaf Hem een verheerlijkt lichaam en heeft “Hem ook uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is; Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie van hen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader” (Fil. 2:9-11).

Ingevoegd hoofdstuk

Wie de geschiedenis van Jozef verder volgt, zal het opvallen dat er een hoofdstuk als het ware tussen is gevoegd, dat niet over Jozef handelt, maar over de man die Jozef verkocht; Juda. Het 38e hoofdstuk van Genesis handelt over de scheiding tussen Juda en zijn broers en over zijn verootmoediging. Juda trok weg van zijn broeders en maakte een verbond met een man van Adullam, Hira geheten. Juda werd een handelaar en trouwde met de dochter van een Kanaäniet, Sua geheten, wat betekent ‘rijkdommen’. Hij kreeg twee zonen, de eerste heette Er en betekent ‘vriendschap’, de tweede noemde hij Onan, ‘ongerechtigheid’. Deze beide zonen werden wegens hun verdorvenheid door de Heere gedood. De derde zoon van Juda heette Sela. Het is een treurige geschiedenis die in Genesis 38 beschreven is. Juda verlaat zijn broers, zijn land, verkrijgt rijkdom door het huwelijk, God doodt twee van zijn zonen, maar de derde zoon vindt genade in Gods ogen. En let nu eens op de typologie.

Wij weten thans niet waar de tien stammen van Israël zich bevinden. Wij kennen nu voornamelijk de stam Juda, wiens geschiedenis zeer veel lijkt op die van de stamvader Juda. Evenals Juda uit zijn land ging nadat hij zijn broeder Jozef in slavernij verkocht had, alzo ging het met het huis Juda, beter gezegd het Joodse volk nadat het zijn Broeder had verkocht.

Vervolgens hebben we, evenals in veel andere plaatsen in de Heilige Schrift, de getallen twee en drie. Twee zonen van Juda gaan verloren, maar met de derde wordt de hoop weer levendig. Zo schrijft de profeet in Hosea 6:2: “Hij zal ons na twee dagen levend maken, de derde dag zal Hij ons doen verrijzen en wij zullen voor Zijn aangezicht leven”. Het is opvallend dat de scheiding tussen Juda en zijn broeders, zijn verschrikkelijke val en Gods straffen, zo spoedig na Jozefs verkoping volgen. Wat zegt ons dat? God wil hiermee aantonen dat na de verwerping van de ware Messias bij Zijn eerste komst, het huis van Juda in verval kwam en blijft, totdat zij zullen roepen: “Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam des HEEREN! Wij zegenen u uit het huis des HEEREN” (Ps. 118:26). Denk in dit verband ook aan de woorden van de Heere Jezus toen Hij voor Jeruzalem stond: “Zie uw huis wordt u woest gelaten; want Ik zeg u: gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij die komt in de naam des Heren” (Matt. 23:39). Ja, Hij zal wederkomen op de wolken des hemels om aan de verstrooiing en de vernedering van het huis van Juda een einde te maken. God zal Zijn volk nog genadig zijn.

Het zijn slechts enkele details uit het leven van Jozef, die - zij het in oneindig grotere dimensies - teruggevonden kunnen worden in het leven van de Heere Jezus: verworpen door Zijn broeders, uit hun midden verstoten, verkocht en overgeleverd in de handen der heidenen, van Zijn kleren beroofd, in de angstwekkende kuil geworpen en dood gewaand.

Jozef in Egypte

Jozef wordt naar Egypte gebracht en aan Potifar, een hoveling van Farao verkocht. Al spoedig blijkt dat de Heere met Jozef is: “En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE het huis van de Egyptenaar zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld” (Gen. 39:5).

Toch breekt er opnieuw een tijd van onschuldig lijden aan. De vrouw van Potifar beschuldigt hem ten onrechte van een kwade zaak en Jozef wordt in de gevangenis geworpen. Evenals Jozef het lot van zijn medegevangen deelt, zo lezen we in Jesaja 53 ten aanzien van de Messias dat Hij ‘met de overtreders is geteld geweest’ (vers 12). Maar ook hier verwerft Jozef het vertrouwen van de overste van de gevangenis en legt hij dromen van twee medegevangenen uit. De droom van de schenker betekent dat hij in ere zou worden hersteld, die van de bakker duidt op een vreselijke dood.

Zo sprak ook de Heere Jezus in Zijn lijdensuren aan het kruis tot een van Zijn medeveroordeelden een ‘woord des levens’: “Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn” (Luk. 23:43). De andere ging daarentegen zonder hoop de dood tegemoet.

Opstanding

Op zekere dag komt een bode van Farao om Jozef uit de gevangenis te roepen. Jozef scheert zich, wisselt zijn kleren en komt bij Farao. Wat een wonderlijke omkeer: Jozef verlost uit de gevangenis, staande voor Farao en even later gekleed met het koninklijk gewaad, de gouden keten van Farao om zijn hals en de koninklijke zegelring aan zijn hand.

Op nog veel wonderlijkere wijze leidde de weg van de Heere Jezus door de diepste vernedering naar de hoogste heerlijkheid. De gevangenis, waarin Hij drie dagen lag, het graf buiten Jeruzalem, werd geopend, de steen weggerold, engelen daalden uit de hemel neer en Jezus de Messias stond op uit de doden, verscheen aan Zijn discipelen en werd opgenomen in heerlijkheid. God Zelf riep Zijn geliefde Zoon om te zitten aan Zijn rechterhand, zoals in Psalm 110 voorzegd: “De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten”.
Voor de Joden was en is Hij een ‘steen des aanstoots’ en voor de Grieken een dwaasheid. De Griekse en Romeinse afgodendienaars hebben Jezus afgewezen en veracht. Maar evenals de afgod Dagon in stukken brak voor de Ark des Verbonds, zo zijn de afgoden van het oude Griekenland en Rome gevallen en is Israëls Messias door Zijn opstanding uit de dood de machtige Hoeksteen geworden.

Heerser over Egypte

Egypte zou zeven jaren van overvloed wachten en daarna zeven jaren van schaarste. De uitleg treft Farao zo zeer dat hij zegt: “Nu God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig en wijs, als gij. Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen door deze troon zal ik groter zijn dan gij” (Gen. 41:39, 40).

Toen de voorspelde hongersnood aanbrak, kon Jozef de voorraadschuren openen en het graan beschikbaar stellen. Vanuit alle landen kwam men naar Egypte tot Jozef, om koren te kopen; “want de honger was sterk in alle landen” (Gen. 41: 56-57). De eens zo arme Jozef, die tien jaar geleden door zijn broeders in slavernij werd verkocht en zonder oorzaak werd gehaat, bekleedt nu zo’n hoge betrekking dat alle heidenen zich voor hem neerbuigen om uit zijn hand ‘brood des levens’ te ontvangen.

De vernedering en verwerping van de Heere Jezus waren van onnoemelijk grotere omvang dan die van Jozef en daarom is Zijn verhoging ook oneindig veel groter. God zette Hem aan Zijn rechterhand. Ook Hij is een ‘Openbaarmaker der geheimen’. Hij alleen is waardig de zegels van het Boek te openen (Opb. 5:9), maar Hij is ook de ‘Redder der wereld’. Jozef voorzag Egypte en alle omliggende landen van brood. De Heere Jezus verklaarde meermalen: “Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel, en Ik ben dat levend brood dat uit de hemel is neergedaald: die tot Mij komt, zal niet hongeren - en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten” en: “Wie van dit brood eet, zal leven tot in eeuwigheid” (Joh. 6). Zoals iedereen in Egypte tot Jozef moest komen om uit zijn hand koren te ontvangen, zo moet ieder die naar eeuwig leven en vrede met God verlangt, tot de Heere Jezus Christus komen.

Omslag van denken

Er moet ook een enorme omslag van denken bij de Egyptenaren hebben plaatsgevonden. De oude Egyptenaren aanbaden dieren en de Nijlstroom, maar nu erkenden zij dat de Geest van een hoger Wezen in een mens was gekomen. “Zo zeide Farao tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als deze, in wie Gods Geest is?” (Gen. 41:38). Reden om Jozef hulde te brengen en hun knieën voor hem te buigen.

Hoe wonderlijk te bedenken dat de Man, Die bijna 2000 jaar geleden werd gegeseld, een doornenkroon kreeg opgezet, een purperen kleed om Zijn mishandelde lichaam moest dragen en vervolgens - beroofd van kleren - de smadelijke dood aan het kruis onderging, na Zijn opstanding en hemelvaart door koningen en vorsten is gehuldigd en aanbeden. Miljoenen heidenen hebben door Hem hun afgoden verwisseld voor de levende God, de God van Abraham, Izak en Jakob. Want was in Jozef de Geest van de levende God, in Jezus kwam God Zelf in het vlees; ‘Immanuël’, God met ons.

Uit het geheugen gewist

Als wordt vernomen dat er in Egypte koren is, vraagt Jakob aan zijn zonen: “Waarom ziet gij op elkander?” (Gen. 42:1). Kennelijk bracht de vermelding ‘Egypte’ hen dingen in herinnering, die zij uit hun geheugen hadden willen wissen. Egypte maakte hen nerveus. Daar zouden zij de kooplieden, ja zelfs Jozef in droeve slavernij kunnen ontmoeten.
In Egypte aangekomen, worden de tien broers voor Jozef gebracht, die hen wel herkent, maar zichzelf nog niet bekendmaakt. Terwijl zij voor hem neerbuigen moet Jozef zich zijn dromen van de buigende schoven, zon, maan en sterren herinnerd hebben.
Jozef beschuldigt hen ervan verspieders te zijn en laat hen zelfs drie dagen opsluiten. Maar op de derde dag (!) opent hij hun gevangenis en zegt: “Doet dit, zo zult gij leven; ik vrees God. Zo gij vroom zijt, zo zij een van uw broeders gebonden in het huis van uw bewaring; en gaat gij heen, brengt het koren voor de honger van uw huizen. En brengt uw jongste broeder tot mij, zo zullen uw woorden waar gemaakt worden; en gij zult niet sterven” (42:18-20).
En dan volgt een opmerkelijke reactie: “Zij nu deden aldus en zeiden tot elkander: Voorwaar, nu boeten wij voor wat wij onze broeder aangedaan hebben: wij zagen zijn zielsbenauwdheid, toen hij ons om erbarming smeekte, maar wij hoorden niet; daarom is deze benauwdheid over ons gekomen. Toen antwoordde Ruben hun: Heb ik u niet gezegd: bezondigt u niet aan de knaap! Maar gij hebt niet geluisterd. Nu wordt zijn bloed van ons geëist. Zij wisten echter niet, dat Jozef hen verstond, want zij gebruikten een tolk” (Gen. 42:21-23) NBG.

Terwijl dus Jozef alles verstaat en zich zelfs even moet afzonderen omdat zijn emoties hem te veel worden, handelt hij vervolgens heel wonderlijk met zijn broers.
“Toen wendde hij zich om, van hen af, en weende; daarna keerde hij weer tot hen, en sprak tot hen, en nam Simeon van hen, en bond hem voor hun ogen. En Jozef gebood, dat men hun zakken met koren vullen zou, en dat men hun geld zou doen weergeven, een ieder in zijn zak, en dat men hun teerkost gaf tot de weg; en men deed hun alzo. En zij laadden hun koren op hun ezels, en trokken van daar” (Gen. 42:24-26).
Evenals Jozef zou ook de Heere wonderlijk handelen met Zijn volk: “Daarom, ziet, Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaar; want de wijsheid van zijn wijzen zal vergaan, en het verstand van zijn verstandigen zal zich verbergen” (Jes. 29:14).

Na twee dagen

Sinds Jezus van Nazareth is verworpen, verkocht en overgeleverd in de handen van heidenen, is de geschiedenis van Zijn broeders steeds vol onrust en moeite geweest. Maar er is hoop. Zoals de broeders van Jozef twee dagen in gevangenschap werden gehouden, zo profeteert Hosea 6:2: “Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven”.
Wat daarbij vooral opvalt, is de toestand van hun hart. Zij bekenden openlijk: “Nu wordt zijn bloed van ons geëist” (Gen. 42:22) NBG. We herkennen hierin de beladen woorden in Mattheüs 27:25 van het volk: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen”. Natuurlijk is geen Israëliet die nu leeft verantwoordelijk voor Jezus’ verwerping en dood. Anders is het gesteld met degene die met Zijn verwerping en dood instemt in plaats van Hem als Verlosser te aanvaarden.

De tweede gebeurtenis

Toen het koren dat Jakobs zonen in Egypte gekocht hadden op was, moesten zij voor de tweede keer naar Egypte. Tijdens deze reis zouden zij hun broeder Jozef herkennen. Is het u wel eens opgevallen hoe belangrijk ‘de tweede’ gebeurtenis is in de geschiedenis van Israël? De eerste schijnt steeds een mislukking te zijn, maar de tweede is beslissend, gezegend en naar Gods raadbesluit. De eerste zoon van Abraham, Ismaël, was niet de zoon der belofte, maar de tweede, Izaäk wel. Deze had twee zonen. De eerste, Esau, was de erfgenaam niet, maar de tweede, ‘de mindere’, Jakob wel. Jakob diende zeven jaren om de eerste, Lea, maar zijn verlangen was de tweede, Rachel. Toen Mozes de eerste keer tot zijn volk kwam, verwierpen zij hem, maar de tweede keer namen zij hem aan en werd hij hun bevrijder. De eerste tafelen der wet die Mozes van de berg bracht, werden ter aarde geworpen, maar de tweede werden in de ark des verbonds bewaard. Het eerste geslacht dat uit Egypte trok, stierf in de woestijn, maar het tweede trok het beloofde land in. Mozes, de eerste die het volk door de woestijn leidde, kon hen niet in het land brengen, maar Jozua, de tweede wel. De eerste door God verkoren koning zou het huis des Heeren niet bouwen, maar zijn zoon, Salomo wel. In deze, slechts enkele van de vele voorbeelden, zien wij hoe wonderlijk Gods Woord overeenkomt.

Nijpende toestand

De zonen van Jakob reisden voor de tweede keer naar Egypte en weer stonden zij met een kloppend hart voor de grote heerser van Egypte. Hun toestand was nu nog nijpender. De hongersnood was erger dan voorheen, maar dat niet alleen. De broeders komen terug vanwege Benjamin, in wiens reiszak de gouden beker was gevonden en die nu naar hun eigen woorden moet sterven. Zij scheuren hun kleren en wenen. Opnieuw komt er een belijdenis, deze keer van Juda: “Wat zullen wij tot mijn heer zeggen; wat zullen wij spreken en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden; zie wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is” (Gen. 44:16). Maar Jozef zegt: “Het zij verre van mij zulks te doen! De man, in wiens handen de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; doch trekt ulieden op in vrede tot uw vader” (vs. 17). Dan beschrijft Juda het verdriet van zijn oude vader Jakob, wiens grauwe haren van ellende in het graf zouden nederdalen als Benjamin niet terugkomt. Juda, die Jozef voor twintig zilveren sikkels kon verkopen, biedt zich nu als slaaf aan in de plaats van Benjamin, om zijn vader dat verdriet te besparen. Jaren geleden kon Juda koelbloedig zijn broeder Jozef in slavernij verkopen, maar nu is hij bereid om zelf in slavernij te gaan, om zijn andere broeder daaruit te verlossen.

De profetieën leren ons dat er nog een grote verdrukking over de zonen van Jakob zal komen. Zijn er nu al geen aanwijzingen voorhanden dat deze donkere tijden in aantocht zijn? Lijkt het niet of heel Europa in een antisemitische stroming verwikkeld is? De kreet: “Weg met de Joden”, hoort men bijna overal. Aan welke gruwelijke mishandelingen zijn de Joden nu reeds blootgesteld? En het zal nog erger worden; volgens Gods Woord zal de tijd komen, dat Israël een vreselijke en verschrikkelijke vervolging zal moeten ondergaan. Juda, dat wil zeggen de stam Juda, zal het meest te lijden hebben, en de streek waar de grootste verdrukking plaatsvindt, zal het land Israël en de stad Jeruzalem zijn. Wij zien dat in deze dagen de stam van Juda zich weer als volk begint te organiseren en zijn ogen richt op het land der vaderen, als laatste toevluchtsoord, als laatste hoop. Nadat een gedeeltelijk herstel verwezenlijkt zal worden en Jeruzalem opnieuw weer Joods zal zijn, zal de grote verdrukking beginnen (bedenk dat de auteur dit schrijft in 1904! red.). Doch geen vijand, geen Haman, geen Farao, geen sultan kan Gods uitverkoren overblijfsel overweldigen. Zij zullen uit grote verdrukkingen, uit de handen der heidenen gered worden. Dit wordt ook duidelijk in het vervolg van Jozefs geschiedenis.

Ik ben Jozef

Jozef kan zichzelf niet langer bedwingen en roept: “Doet alle man van mij uitgaan!” De Egyptenaren verlaten het vertrek en dan staat Jozef daar oog in oog met zijn eigen broeders. Nu hoeft hij zijn emoties niet langer te bedwingen. Het geluid van zijn geween dringt zelfs door de gesloten deuren heen en wordt door de Egyptenaren gehoord. En dan klinkt het machtswoord, dat als een triomferende lichtstraal het duister doorbreekt en alle geheimen eensklaps onthult: “Ik ben Jozef, uw broeder!” Als hun bij dit woord de moed in de schoenen zakt, nodigt hij hen vriendelijk uit naderbij te komen en zegt nogmaals: “Ik ben Jozef, uw broeder die gij naar Egypte verkocht hebt. Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens” (Gen. 45:5). Na deze liefderijke en troostrijke woorden valt Jozef zijn broeder Benjamin om de hals en kust daarna al zijn broeders. Eindelijk wagen de tien hun ogen op te heffen en met hem te spreken. Als later, na Jakobs dood, hen opnieuw vrees voor Jozef overvalt, zegt Jozef: “Vreest niet; want ben ik in de plaats van God? Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; dochGod heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden. Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart” (50:19-21). Wat een liefdevol karakter had Jozef toch. Hij vergold geen kwaad met kwaad, maar vergaf zijn broeders hartelijk. Jozef wist dat zijn lijden en alle moeiten in slavernij niet tevergeefs waren. God had het allemaal tot heil van zijn broeders en de volken gebruikt. Christenen die zeggen dat Joden gehaat moeten worden omdat zij Jezus van Nazareth gekruisigd hebben, bevinden zich in een zeer grote dwaling. Zeker, Jezus van Nazareth leed en stierf, maar wij weten dat Christus voor de zonde der wereld moest sterven en dat door Zijn dood de heidenen de zaligheid hebben ontvangen, maar diezelfde zaligheid is ook voor Israël!

Elk oog zal Hem zien

De ware Jozef komt weder! Hij Zelf heeft voorzegd, ‘dat elk oog Hem zal zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven’ (Opb. 1:7). Toen de Heere Jezus voor de tweede keer (!) aan Zijn discipelen verscheen en Thomas zijn vinger op de tekenen van Zijn wonden kon leggen, viel hij aan Zijn voeten en riep: “Mijn Heere en mijn God”. Zo zal Israël bij Jezus’ wederkomst Zijn wonden zien, zich aan de voeten van hun verworpen Broeder neerbuigen en uitroepen: “Mijn Heere en mijn God”. En wat zal de Heere doen? Zal Hij minder doen dan Jozef? Nee, meer, veel meer. Bad Hij al niet aan het kruis: “Vader vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen”? Bij Zijn wederkomst zal Hij hun zonden vergeven en niet meer gedenken. Hij, de grote Verlosser, zal uit Sion komen en de goddeloosheden van Jakob afwenden (Rom. 11:26). Hij zal doen wat door de profeet Ezechiël is voorzegd: “Ik zal rein water op u sproeien, Ik zal u een nieuw hart en een nieuwe Geest in het binnenste van u geven en dit zal aan het gehele volk geschieden”. Hij zal hen met de Heilige Geest vervullen en al hun ellende, vervolging en verstrooiing zal ten einde zijn. Hij zal hen niet, zoals Jozef deed, naar een vruchtbaar gebied in het land Gosen brengen, maar naar ‘het beloofde land’ dat zich zal uitstrekken van de rivier van Egypte tot de Eufraat (Gen. 15:18). Vanuit Jeruzalem zullen stromen van levend water zich over het land verspreiden, zodat de woestijn en het dorre land zich zullen verheugen (Ez. 47), en de steppe zal juichen en bloeien als een roos (Jes. 35). De wolf zal met het lam verkeren en de luipaard bij de geitenbok nederliggen, en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen, en een klein jongske zal ze drijven; en de koe en de berin zullen tezamen weiden, hare jongen zullen nederliggen en de leeuw zal stro eten gelijk de os, en een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder, en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken naar het nest van een giftige slang (Jes. 11:6-8). De Heere Jezus zal Koning zijn over de gehele aarde en in de stad Jeruzalem zal de troon van David staan (Zach. 14:9; Jer. 3:17).

Sluiten