Kaarsen en Kandelaars

Jodendom Tekst, Alfred Esch

Wie ooit voor de Knesset in Jeruzalem stond, herinnert zich ongetwijfeld die enorme bronzen kandelaar, met op de zeven armen de geschiedenis van het Joodse volk in reliëfs weer-gegeven: de Menora, hèt symbool van Israël bij uitstek.

Gouden kandelaar

Volgens de instructies die God aan Mozes gaf (Exod. 25:31-37) maakte Besaleël (Exod. 37:17-24) een massief gouden zevenarmige kandelaar. Deze menora (Hebr. ‘kandelaar’) werd geplaatst in het ‘Heilige’ van de Tabernakel en stond later in de Tempel. Ook daar liet hij voortdurend zijn licht schijnen. Na de verwoesting van de tweede Tempel komen we overal de menora tegen als symbool voor Israël. Tot op de huidige dag is de zevenarmige kandelaar het officiële embleem van de staat Israël. Archeologische vondsten laten zien dat dit symbool, zelfs al eeuwen vóór Christus, in gebruik was.

Neer Tamied

Zoals de menora in de Tabernakel voortdurend zijn licht gaf, brandt in elke synagoge een Neer Tamied (Hebr. ‘eeuwig licht’). Hoewel er geen voorschriften zijn voor wat betreft de vorm of het materiaal of zelfs de soort verlichting, hangt dit ‘eeuwige licht’ vrijwel altijd voorin de synagoge, meest vóór de Heilige Arke. Als er (soms) een tweede Neer in een synagoge gevonden wordt, dan wordt die vooral beschouwd als een ‘gedachtenislicht’, ter herinnering aan de overledenen. In de week van rouw, na het overlijden van een geliefde, wordt ook thuis een kaars aangestoken. Met de ‘jahrzeit’ (Jiddisch: ‘jaarlijkse herdenking’) wordt bij het branden van een kaars gedacht aan de woorden van Spreuken 20:27: “De ziel des mensen is een lamp des HEEREN”.

Sabbatskaarsen

Ook met kaarslicht wordt wekelijks de sabbat verwelkomd. De vrouw des huizes steekt, op de vastgestelde tijd, op vrijdagavond (minimaal) twee kaarsen aan. Daarop houdt zij de handen voor haar gezicht, spreekt in stilte de bijbehorende zegen uit om vervolgens, hardop, ieder een ‘goede sabbat’ te wensen. Aan ’t einde van de sabbat komt er weer kaars aan te pas. Een speciale kaars, gevlochten uit meerdere dunne kaarsen, wordt ontstoken bij de korte Havdala-ceremonie (Hebr.’scheiding’). Met het ontsteken van de havdala-kaars wordt symbolisch aangegeven dat de sabbat ten einde is en de nieuwe werkweek is begonnen. Daarbij wordt ook gedacht aan de woorden van de Schepper, op de eerste dag:”Er zij licht!” Men dooft deze kaars tenslotte in een overvloeiende beker wijn: symbool voor de overvloed, die men elkaar toewenst in de komende week.

Chanoeka

Deze negenarmige kandelaar zien we bij het ‘feest der lichten’, het Chanoeka feest. Hoewel, strikt genomen geen bijbels feest, wordt Chanoeka door Joden overal ter wereld gevierd. Men denkt dan terug aan de overwinning van Judas de Maccabeeër (165 v.Chr.) op de Seleuciden en de Grieks-Syrische overheersing. Drie jaar na de ontwijding van de Tempel door Antiochus IV (Epiphanes) kon de Tempel weer ingewijd worden. Er was echter maar net genoeg heilige olie om de menora één dag te laten branden. Door een wonder bleef de kandelaar echter acht dagen branden, de tijd nodig om weer nieuwe olie, volgens voorschrift, te bereiden. Daarom wordt acht dagen lang elke dag een kaars meer aangestoken. Voor het aansteken van de kaarsen wordt gebruik gemaakt van de negende kaars, de ‘sjammasj’ (Hebr.’dienaar’). Na het ontsteken van de chanoekia worden drie zegenbeden uitgesproken en zingt men het loflied ‘Rots der Eeuwen’ (Hebr. ‘Maoz Tzoer’).

In al deze kaarsen en kandelaars mogen wij een heenwijzing zien naar Hem die sprak: “Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.” (Joh.8:12) 

Sluiten