Kaleb van duisternis naar licht

Profetisch Woord Tekst, Bastin Romijn

De reis van het volk Israël vanuit Egypte naar Kanaän is een van de bekendste geschiedenissen in Gods Woord. Na de bevrijding uit de macht van Egypte en een langdurig verblijf bij Sinaï trekt het volk richting Kanaän. Aangekomen in de woestijn Paran, bij Kades (Num. 12:16; 13:26), stuurt Jozua twaalf verkenners op pad (Num. 13-14).

Ze verkennen vanuit het zuiden tot aan Hebron en omgeving en nemen bewijzen van de vruchtbaarheid van het land mee. Tien verspieders volstaan niet alleen met een verkenningsverslag, maar vertellen dat het overwinnen van de Kanaänieten een onmogelijke opgave is. Kaleb en Jozua benadrukken dat men op de HEERE moet blijven vertrouwen. Omdat het volk het vertrouwen in de HEERE opzegt, eindigt Zijn geduld met deze volwassen Israëlieten en bepaalt Hij dat iedereen van 20 jaar en ouder het beloofde land nooit meer zal bereiken, maar in de woestijn zal sterven. Om dit alles in vervulling te laten gaan, zal de woestijnreis 38 jaar langer duren. Alleen Jozua en Kaleb worden van dit oordeel uitgesloten1 . Minstens één generatie die 'er van tussenuit wordt geknipt’… Dit is zo’n stevige ingreep van de HEERE, dat het een blijvend thema in de Bijbel wordt (zie o.a.: Ps. 95; 1 Kor. 10; Heb. 3). Blijkbaar kent Gods schijnbaar eindeloze geduld ook een einde.2

Kalebs getuigenis

Op dit moment in Israëls geschiedenis komen we voor het eerst Kaleb tegen. Hij vertegenwoordigt de stam van Juda en wordt een leider genoemd binnen zijn stam (Num. 13:1, 6; 34:19). Kalebs vader wordt een Keneziet genoemd (Num. 32:12; Joz. 14:6, 14). Sommigen denken dat hieruit een verwantschap blijkt met Ezau. De naam Keneziet (Joz. 14:6, 14) zou dan terug te voeren zijn op Kenaz, de kleinzoon van Ezau (Gen. 36:11; 1 Kron. 1:36). Anderen verwijzen naar de Kenezieten waarover in Genesis 15:19 gesproken wordt. Aannemelijk is dat Kaleb of zijn voorouders vanwege hun erkenning van Israëls God binnen het volk Israël waren opgenomen (vgl. Joz. 6:25; Matt. 1:5). Opvallend is in dit verband de betekenis van de naam Jefunne: 'omgedraaid'. Kalebs naam (keleev) betekent ‘hond’ of ‘trouw’, ‘onverschrokken’. Kaleb doet in deze geschiedenis zijn naam eer aan, omdat hij blijft vertrouwen op Gods beloften met betrekking tot het beloofde land (Num. 14:24; 32:12 en Deut. 1:36). Hij was hierin ten opzichte van de HEERE 'zo trouw als een hond'.

Reuzen

Het verslag van Kalebs eerste bekende optreden is ook bijzonder vanwege de reuzen die erin voorkomen. Bij de in de Bijbel genoemde reuzen zijn allereerst de afkomst, hun geestelijke en demonische achtergrond, van belang. In Genesis 6:4 lezen we over reuzen, ofwel ‘nephillim’ (‘gevallenen’). Zij zijn ontstaan door gemeenschap tussen de zonen van God en de dochters van de mensen (Gen. 6:2). Er is voldoende grond om bij ‘zonen van God’ te denken aan gevallen engelen die gemeenschap gehad hebben met mensen. De benaming beni ha’elohim  verwijst naar engelen (Job 1:6; 2:1; 38:7; Ps. 29:1; 89:6; Dan. 3:25). Hierop doelt mogelijk ook Judas (vers 6).3  Dit alles verklaart tevens de zwaarte van Gods ingrijpen bij de zondvloed. Na de zondvloed4  komen er weer reuzen voor op aarde, ook in het beloofde land. Veel inwoners van Kanaän hadden – of door directe afkomst of door vermenging – een afkomst die te herleiden is op de nephillim. We zien hierin een satanische opzet om Gods plan met Zijn volk in Kanaän en de Messias te dwarsbomen; een bewijs van satans blijvende jacht op het beloofde Zaad (Gen. 3:15). Vandaar dat deze volken ook compleet moeten worden uitgeroeid (Deut. 20:16-17). Dit zou niet alleen uitlopen op een fysieke strijd, maar ook op een geestelijke strijd.

Enakieten

Nabij Hebron komen de verkenners Enakieten tegen; nakomelingen van Enak. De naam Enak betekent ‘hals’ of 'lange nek'. De Enakieten waren bijzonder lange reuzen (Num. 13:33; Deut. 2:10). Ook hun steden waren enorm groot (Deut. 9:1-2). Als vader van Enak wordt Arba genoemd. Hij was onder de Enakieten de grootste man (Joz. 14:15).5  In Hebron woonden drie Enakieten van naam (Num. 13:22): Sesai, Ahiman en Talmai. Waarschijnlijk waren zij in die tijd de leiders van de stad en van de Enakieten in het algemeen. Dat de namen van deze drie reuzen genoemd worden, onderstreept hun machtspositie.

Hebron

Het is veelzeggend dat de ontmoeting met de reuzen nabij Hebron plaatsvindt. De oudere naam van Hebron was Kirjath-Arba, ofwel 'stad van Arba' (Joz. 14:15; Richt. 1:10). Hebron kan gezien worden als de thuisbasis van de Enakieten, maar is ook onlosmakelijk verbonden met de aartsvaders van Israël. Ook voor hen was Hebron de thuisbasis (Gen. 13:18; 18:1; 23:2; 23:19; 35:27; 37:14). Bij Hebron was tevens het graf wat Abraham kocht van de lokale bevolking om zijn vrouw Sara in te begraven (Gen. 23); de spelonk van Machpela.6

Wachttijd

Achtendertig jaar later staat het volk Israël opnieuw aan de grenzen van het beloofde land, aan de oostzijde van de Jordaan, in Moab (Deut. 1:1-5). Het is de plaats waar de tweede wetgeving (deutero-nomos) zich afspeelt en waar ook Mozes' taak tot een einde komt. De HEERE heeft Zijn oordeel over de woestijngeneratie ten uitvoer gebracht. De beschrijving daarvan neemt verhoudingsgewijs geen grote plaats in binnen de beschrijving van de totale woestijnreis. Laten we echter niet voorbij gaan aan het feit dat Kaleb al deze tijd heeft moeten wachten op de vervulling van Gods belofte. Het was een periode waarin honderdduizenden Israëlieten het leven lieten, een tijd van ronddolen in de hitte, een tijd waarin het volk meerdere keren in opstand kwam of hoererij pleegde en de toorn van de HEERE ontbrandde.7  Kaleb zegt hierover later ‘dat de HEERE hem in leven heeft gehouden, zoals Hij beloofd heeft’ (Joz. 14:10). Dit geeft aan dat ook Kaleb zich aan Gods belofte heeft moeten vastklemmen.

De verdeling van het land

In Jozua 6 t/m 11 wordt beschreven hoe de Israëlieten onder leiding van Jozua het noordelijke en zuidelijke deel van Kanaän innemen. In hoofdstuk 12 vinden we een overzicht van de overwonnen koningen met hun rijken. Aan het einde van Jozua 11 lezen we dat het land rustte van de strijd. Er moeten nog wel gebieden veroverd worden (Joz. 13:1-7), maar dat mag tot nadere order wachten. Bij Gilgal gaan Jozua en Eleazar (de hogepriester) over tot de verdeling van het land aan de westzijde van de Jordaan. Uit elke stam wordt er een overste aangewezen die het land verder aan zijn stamgenoten toewijst (Num. 34:16 e.v.). Voor de stam van Juda is Kaleb deze man (Num. 34:19).

De vraag van Kaleb

De stam van Juda nadert tot Jozua. Kaleb – inmiddels 85 jaar oud – neemt het woord en herinnert Jozua aan Gods belofte dat hij het land zou krijgen waarop het destijds zijn voet had gezet (Joz. 14:6-15). Is Kaleb bang dat Jozua dit gebied zou overlaten aan de reuzen, omdat ze na de eerdere overwinning (11:21-22) nog steeds niet definitief verdreven waren? Kaleb laat in ieder geval weten dat hij nog steeds de vervulling van Gods belofte verwacht te zien. Hij is bereid om zijn voet te zetten op het land dat de HEERE beloofd heeft (vgl. Joz. 1:2-3). Niet alleen zijn geloof is intact gebleven, maar ook zijn kracht is – wonderlijk genoeg – niet afgenomen.

Levietenstad, vrijstad en woonplaats van de hogepriesters

In Jozua 21:10-12 lezen we dat Hebron ook één van de 48 steden wordt waar de Levieten gaan wonen (Num. 35:1-15) en tevens 1 van de 6 vrijsteden (Joz. 20:7) in het land is.8 Hebron en de weidegronden daar omheen zijn voortaan voor de Levieten. Ook al blijven het akkerland en de omliggende dorpen die bij Hebron horen voor Kaleb en zijn familie, toch is dit een wonderlijke gang van zaken als we bedenken welke belofte de HEERE aan Kaleb had gedaan. De diepere reden hiervoor komen we op het spoor als we ontdekken dat in Hebron de zonen van Aäron ofwel de hogepriesters gingen wonen (Joz. 21:13; 1 Kron. 6:57).

Juda en Levi

Juda (Kaleb) baant de weg voor Levi, ofwel Juda’s belangen moeten plaats maken voor die van Levi. Later, als David (Juda) koning wordt, zien we het omgekeerde gebeuren. David wordt als eerste erkend als koning door de inwoners van de stad Hebron (2 Sam. 2:11). Het priesterschap baant daar de weg voor het koningschap.9

De betekenis van Kalebs handelen

Langzamerhand worden de contouren zichtbaar waartegen de geschiedenis van Kaleb zich afspeelt. Kaleb vertrouwt op de HEERE en ontvangt daardoor zegen en toekomst voor zichzelf en zijn familie op het grondgebied van de reuzen van Hebron. Op de thuisbasis van Israël doorbreekt hij de demonische macht van de reuzen en maakt hij plaats voor de vestiging van een vrijstad en een woonplaats voor de hogepriesters. De dienaars van de duisternis worden vervangen door het nageslacht van Aaron (= ‘de verlichte’).

Profetisch perspectief

We vinden in dit alles een geweldige verwijzing naar de Heere Jezus Christus, de Messias van Israël. Dat begint al bij de vruchten die worden meegebracht vanuit het Beloofde Land: wijndruiven, granaatappelen en vijgen. Wijndruiven verwijzen naar Jezus als de Ware Wijnstok (Joh. 15:1). Granaatappelen werden veelvuldig afgebeeld in de tabernakel en de tempel en verwijzen naar verzoening, aanbidding en de ontmoeting met de HEERE. Vijgen zijn enorm voedzaam en verwijzen naar leven en gezondheid. Het echte leven is onlosmakelijk met de Messias verbonden. Hij heeft de boze machten onttroond (Kol. 2:15; 1 Joh. 3:8) en zal Zijn volk in vrijheid stellen (Luk. 1:74). Het plaatsmaken van de belangen van Juda voor die van Levi bepaalt ons bij de priesterlijke bediening van de Heere Jezus voor Zijn volk. De Messias zou niet gelijk Koning worden, maar eerst verzoening tot stand brengen door lijden. Wrang genoeg waren het juist de priesters die een bijdrage leverden aan Zijn lijden. De Messias is Hogepriester geworden naar de ordening van Melchizedek. Zijn Hogepriesterschap gaat boven dat van Aäron uit (Hebr. 7). De Messias zal ook Koning zijn (Jes. 9:5), waaruit blijkt dat Hij koningschap (Juda) en priesterschap (Levi) zal verenigen. De vrijstad is er tot redding voor degenen die niet opzettelijk een doodslager zijn geworden (Num. 35). De doodslager moest in de vrijstad blijven tot de dood van de Hogepriester. Daarna was hij weer een vrij man. Typologisch kunnen we het Joodse volk zien als de doodslager. Onwetend werkte het mee aan de dood van hun Broeder en eigen Messias (Luk. 23:34; Hand. 3:17). Doordat de Hogepriester (Christus) sterft, is er voor hen weer leven mogelijk. Bij de dood van de Hogepriester stopt het oude verbond en breekt het nieuwe verbond aan. Dit laatste wordt uitvoerig uitgewerkt in de brief aan de Hebreeën. Zoals bij Hebron de dienaars van de duisternis worden vervangen door het nageslacht van 'de verlichte’, zo zal na de duisternis van de Grote Verdrukking, het licht van de Messias over Zijn volk en deze wereld opgaan. De Heere Jezus zal de wetteloze doden door de adem van Zijn mond en machteloos maken door Zijn verschijning (2 Thess. 2:8).

De verovering van Hebron

Jozua 15 wekt de indruk dat Kalebs verovering van Hebron en omstreken (Joz. 15:13-19) vrij kort na de verdeling van het land plaatsvindt. Aannemelijker is echter dat dit zich pas heeft afgespeeld na de dood van Jozua, zoals we lezen in Richteren 1:10-15. De beschrijvingen in Jozua 15 en Richteren 1 zouden in dat geval verslag doen van dezelfde gebeurtenis. Beide beschrijvingen vertonen inderdaad overlap. De verschillen hebben te maken met het perspectief waar vanuit geschreven wordt. Jozua 15 beschrijft de situatie meer vanuit het perspectief van Kaleb en zijn gezin. Richteren 1 beschrijft de situatie meer vanuit de context van de stam van Juda, waartoe Kaleb behoorde. Een tijdgat tussen het toewijzen van de gebieden en de verovering daarvan lijkt ook bevestigd te worden door aanduidingen binnen het boek Jozua zelf. In Jozua 11:23 en 14:15 lezen we dat het land rustte van de strijd. Dit wordt vlak voor Jozua’s dood nog een keer gezegd (Joz. 23:1). Het is daarom aannemelijk dat men in de periode daartussen niet verder is gegaan met het veroveren van de resterende gebieden (Joz. 13:1-7). De vraag dient zich aan hoe lang het dan nog heeft geduurd voordat Kaleb Hebron en omstreken heeft ingenomen. We missen verdere tijdsaanduidingen voor Kalebs leeftijd. Als we afgaan op de leeftijdsgegevens van Jozua, ontdekken we dat de wachttijd tussen de 25 en 45 jaar is geweest.10  Daaruit volgt dat de verovering van Hebron en omstreken zich moet hebben afgespeeld toen Kaleb op hoge leeftijd was gekomen; minimaal 110 en maximaal 130 jaar oud. Deze hoge leeftijd is minder problematisch dan het wellicht lijkt. Mozes gaf ook nog leiding aan het volk Israël toen hij al 120 jaar oud was. Ook hij was toen nog bijzonder krachtig (Deut. 34:7). Kaleb zou ook een leidende rol gehad kunnen hebben, terwijl zijn familieleden en stamgenoten het 'zware werk' deden. Ook in dat geval zou de verovering op zijn naam staan.

Van woestijn naar broederschap

De Schrift schetst ons het leven van Kaleb in vier momenten, die verbonden zijn met vier plaatsen. De naamsbetekenissen van deze plaatsen illustreren op treffende wijze welke lijn de HEERE rondom en door hem uitwerkte. We kwamen Kaleb voor het eerst tegen in de woestijn Paran, bij Kades. Paran (‘plaats van spelonken of holen’) bepaalt ons bij het karakter van de woestijn, een plaats waar de dood heerst. Kades (‘geheiligd’) bepaalt ons erbij dat de woestijn voor Israël geen eindstation zou worden. Het volk was geheiligd ofwel afgezonderd voor het doel wat de HEERE. Moab (‘nageslacht van de vader’) benadrukt dat het volk (en specifiek de nieuwe generatie bij de oostgrens) verbonden was met de vaderen en ook het volk van de HEERE was gebleven. De 38 jaren van straf betekenden niet dat het plan van de HEERE met Zijn volk zou stoppen. Gilgal (‘omwenteling’) wijst op het nieuwe begin in het land als het volk door de Jordaan is getrokken en het beloofde land in bezit wordt genomen. Hebron (‘broederschap’) bepaalt ons bij het gezegende leven in het land, zoals door de HEERE bedoeld. In Psalm 133 wordt de zegen van de broederschap bezongen. (“Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het dat broeders ook eensgezind samenwonen”) Het kan ons niet ontgaan dat in deze Psalm ook het hogepriesterschap van Aäron benoemd wordt. Hebron is door toedoen van Kaleb de plaats geworden waar de inhoud van deze Psalm werkelijkheid werd.  

Voetnoten 1. Kaleb (uit Juda) en Jozua (uit Efraïm) vertegenwoordigen samen het voortbestaan van het hele volk, wat later vaak wordt samengevat als Juda en Efraïm (bijv. Hos. 5:12-14; 6:4). 2. De waarheid uit Psalm 103:10 kan dus niet als op zichzelf staand feit worden gezien. Uit deze Psalm blijkt dat Gods vergeving niet los staat van de vergeving voor degenen die de HEERE vrezen. 3. In het boek van Henoch (ook wel ‘het Boek van de oprechte’ genoemd), wat ook wordt aangehaald in de Bijbel (Joz. 10:13; 2 Sam. 1:18; Judas 14-15; 2 Petr. 2:4), wordt gezegd dat de reuzen de mensen onder andere bekend maakten met occultisme en bepaalde 'medische' kennis (Henoch 7:1-3). 4. Zie het ‘en ook daarna’ van Gen. 6:4. 5. Dat Arba de ‘grootste’ was, kan betrekking hebben op zijn fysieke verschijning, maar ook op zijn positie onder zijn volk. 6. Abraham koopt de spelonk van het veld van Machpela. Een stuk land dus, naast Hebron. Machpela betekent 'verdubbeling'. Volgens de Joodse traditie liggen er vier echtparen begraven die onderdeel uitmaken van de Messiaanse lijn. Adam en Eva (Babylonische Talmoed - Traktaat Sotah, pag. 13a.), Abraham en Sara (Gen. 23 en 25), Izak en Rebekka (Gen. 35) en Jakob en Lea (Gen. 49-50). 7. Psalm 90 en 91 geven ons een inkijk in deze periode en het beleven daarvan. 8. In Deut. 4:41-43 lezen we dat de vrijsteden in het Overjordaanse gebied al eerder door Mozes waren aangewezen. 9. Ook de huldiging van David als koning over de twaalf stammen vond plaats in Hebron (2 Sam. 5:3). Ook Absalom werd later te Hebron tot koning uitgeroepen (2 Sam. 15:8-10). Nog later werd Hebron versterkt door Rehabeam (2 Kron. 11:11). 10. We weten van Jozua alleen dat hij op de leeftijd van 110 jaar oud sterft (Joz. 24:29). Zie hieronder de twee mogelijke berekeningen van Kalebs leeftijd.

Sluiten