Maarten Luther en antisemitisme

Achtergronden | Antisemitisme Tekst, Ira Stam

“Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de Zijnen” en “Waar je een echte Jood ziet, kun je met een goed geweten een kruis slaan en openlijk naar waarheid zeggen: daar gaat de duivel in eigen persoon”. Twee teksten, geschreven door één en dezelfde man: de grote reformator Maarten Luther (1483-1546). De rabbijnen Evers en Ten Brink vinden de Nederlandse herdenking van 500 jaar Reformatie een mooie gelegenheid om het antisemitisme van Luther te veroordelen.

Met de eerste Maarten Luther, de schrijver van ‘Een vaste burcht is onze God’ ben ik opgegroeid. Echter, in de loop der jaren heb ik ook de antisemitische Luther leren kennen. “Door haar (de tong) loven wij God en de Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.” Die tegenstelling van Jakobus (3:9) is duidelijk in bovengenoemde antisemitische uitspraak van dezelfde persoon. We kennen hem vooral als kerkhervormer, maar veel minder bekend is hij vanwege zijn Jodenhaat. Deze kant kennen we niet zo goed of beter gezegd, associëren liever niet met hem. Vaak wordt hij verontschuldigd voor zijn antisemitische uitspraken. 'Hij was een kind van zijn tijd.'

Jodenhaat en Jodenhater

De uitspraken van Luther staan in historische context en zijn niet nieuw. Dat mag echter nooit een verontschuldiging zijn voor de inhoud. Elk mens is verantwoordelijk voor zijn of haar uitspraken. Luther trok zijn eigen conclusies. De algemene tendens was dat, nadat het christendom in de vierde eeuw de heersende godsdienst was geworden, het Jodendom door de christenen tot een tegengestelde geloofsopvatting werd gedemoniseerd. Ingegeven door theologische superioriteit, ondermijnd door twijfel en angst, die omsloeg in fanatisme en haat. Een open houding tegenover de Joden en het Jodendom werd zo belemmerd.

Het Europa van Luther was het zestiende-eeuwse, heilige Roomse Rijk en besloeg het huidige Duitsland met Bohemen. Het hoofd van het Roomse Rijk was keizer Karel V (1519-1556). Luther woonde en werkte in Wittenberg. Tijdens zijn leven heeft hij nauwelijks met Joodse mensen gesproken. Na 1432 werden er geen Joden meer in Wittenberg geduld en in 1440 werden de laatste Joodse families verdreven. De Joodse historicus Heinrich Graetz schrijft hierover: “Luther leefde in een uithoek, ingesponnen als in een cocon. Hij leende elke roddel over de Joden gewillig het oor, beoordeelde hen naar de maatstaven van het spitsburgerdom en droeg hen elke cent na die ze verdienden”.

Jodenhaat heeft diepe wortels in de christelijke traditie. De klassieke christelijke leer is in veel opzichten anti-Joods of erger en is tot op de huidige dag maatgevend in een groot deel van de christenheid. Volgens René Süss heeft Luther de melk van onze traditie door de zeef van zijn Jodenhaat gegoten, zodat die er onherkenbaar zwart als het gelaat van de duivel zelf uit kwam te zien.

Wat zeggen Joodse mensen zelf over de Jodenhaat? In de Haggada schel Pesach (Joodse tekst voor de viering van Pesach) staat: “want niet slechts eenmaal stond iemand tegen ons op om ons te vernietigen, maar in iedere generatie waren er die tegen ons opstonden om ons te verdelgen”.
En jaren later schrijft Theodor Herzl: “het Joodse vraagstuk bestaat. Het is een restant van de Middeleeuwen. Overal waar aanzienlijke aantallen Joden wonen, worden zij in meer of mindere mate vervolgd”.

Smaadschrift ‘Over de Joden en hun leugens’

In 1543 schreef Luther drie geschriften over zoals hij het noemde 'het Jodenvraagstuk'. In totaal heeft hij zes ‘Judenschriften’ geschreven over dit onderwerp, waarvan ‘Over de Joden en hun leugens’ (Von den Juden und ihren Lügen) de bekendste is.

Enkele uitspraken uit dit Judenschrift: “De Joden zijn de leugenaars en bloedhonden bij uitstek, die niet alleen de hele Schrift met hun leugenachtige commentaar, van het begin af tot nu toe, onophoudelijk hebben verdraaid en vervalst. Christenen begrijpen de Schrift beter dan zij, dat weten we zeker en alle duivels zullen ons die niet ontnemen, laat staan die ellendige Joden. De Joden zijn een zware belasting voor ons, een plaag, een pest en ze brengen alleen maar ongeluk in ons land. Wat moeten wij christenen nu doen met dit verworpen, verdoemde volk der Joden? Men moet hun synagogen en scholen in brand steken en wat niet wil branden moet men met aarde overdekken, zodat geen mens er meer wat van ziet voor eeuwig niet en men moet hen al hun boeken afnemen ... daarom nu en voor altijd: weg met hen”.
De schrijver van ‘Een vaste Burcht is onze God’ is in deze citaten in de verste verte niet meer te herkennen. En ook de vaak besproken humor van Maarten Luther is hierin niet terug te vinden. Dit zijn teksten van een woedende theoloog, die voortdurend in herhalingen valt en veel krachttermen gebruikt om zijn punt te maken. Luther zag in de Joden een bedreiging van zijn reformatie en ook van de samenleving. Volgens kerkhistoricus Christoph Burger heeft Luther de Joden niet gehaat, maar kon en wilde hij niet accepteren dat zij Jezus Christus niet als de Zoon van God wilden aannemen.

Zijn Judenschriften werden aanvankelijk terughoudend ontvangen, omdat er te veel zakelijke belangen op het spel stonden. De overheid was echter wel overtuigd van de legitimiteit van Luthers argumenten. Luther meende letterlijk wat hij in de loop der jaren over de Joden zei. Ook in theologisch opzicht. Waren er bij de andere reformatoren (Calvijn) nog gedachten van hoop op de bekering van de Joden in de eindtijd, bij Luther was die hoop totaal verdwenen.

Theologie van Luther en zijn Judenschriften

Luther kwam wel in aanraking met het Jodendom, omdat hij het Oude Testament bestudeerde in het Hebreeuws. Hij waarschuwde tegen het Joodse denken, tegen de Hebreeuwse taal en de rabbijnse exegese van teksten. René Süss zegt dat Luther niet Hebreeuws dacht, maar Latijns. Luther was niet geïnteresseerd in Joden als mens en al helemaal niet in hun Jood-zijn. Joden interesseerden hem slechts als potentiële christenen. Hij claimde de Hebreeuwse Bijbel voor het christelijk geloof door de Joodse uitleggers voor leugenaars uit te maken.

Een van de eerste bijbelteksten die Luther in zijn smaadschrift aanhaalt is Hosea 1:9: “En Hij zei: Geef hem de naam Lo-Ammi, want u bent niet Mijn volk en Ik zal er niet voor u zijn”. Volgens hem is Gods handelen met Israël een doorlopende bestraffing voor hun ongehoorzaamheid en hun weigering om Jezus te erkennen als Messias. Hij gaat daarin nog een stap verder door te stellen dat de Joden hun status als volk van God hebben verloren, omdat zij Jezus niet hebben aanvaard als hun Messias. Dus een volk zonder toekomst, een volk als kinderen van de duivel.

Als je de Judenschriften van Luther leest, ontdek je een rode lijn vanuit de theologie van Augustinus naar het denken van Luther en dat is de vervangingstheologie. Luther spreekt voortdurend over het einde van het Joodse volk. Israël is niet tot in eeuwigheid, voor altijd, het volk van God. Waarom? Omdat de Joden de komst van Jezus als Messias ontkennen, heeft God een einde aan Zijn verbond met hen gemaakt. “Joden die zich niet bekeren, hebben hun bestaansrecht verspeeld. Het verbond van God met Israël is in Christus vervuld, dus de geschiedenis van het Joodse volk kan na Hem geen continuïteit meer hebben. Het is het einde van het volk”, aldus Luther.

De vervangingstheologie is uiteindelijk bepalend voor zijn houding ten opzichte van de Joden. Zoals eerder gezegd, ziet Luther het Oude Testament als boek van de Kerk. En de Kerk heeft nu de plaats van Israël, als volk van God, ingenomen. Deze vervangingstheologie heeft de Kerk de eeuwen door afgehouden van het juiste zicht op het beloofde Koninkrijk én Koningschap van Christus op aarde.
 

Antisemitische in christelijke theologie

Antisemitisme in de christelijke theologie was er en zal er altijd zijn. Er is een rode draad te ontdekken in de vroege theologie, te beginnen bij Augustinus.
Augustinus, die een inspiratiebron voor Luther was, heeft de theologie over het Joodse volk na hem blijvend beïnvloed. Hij zei: “in jullie vaderen hebben jullie Christus gedood” en “Joden zijn de negatieve getuigen van het heil van Christus. Zij zijn de ergste vijanden van het Evangelie”. Augustinus geloofde wel in de bekering van de Joden aan het einde der dagen.

De rode draad loopt vervolgens van Augustinus naar Petrus Venerabilis (1122-1156), beter bekend als de abt van Cluny, die zei: “God wenst echter dat de Joden niet gedood worden, maar dat zij een leven als Kaïn zouden leiden. Erger dan de dood, gestraft voor de diefstal waardoor zij zich verrijkt hebben. Al hun geld en hun bezittingen moeten hen ontnomen worden”. De tijdslijn is verder door te trekken naar de antisemitische uitspraken van paus Innocentius III op het vierde Lateraanse Concilie in 1215. Daar werd gezegd dat Joden in christelijke landen een uiterlijk teken op hun kleding moesten dragen.

Calvijn was negatief over de Joden, maar hij voorzag evenals Augustinus een toekomst voor hen en was een van de weinige theologen in zijn tijd die de teksten van rabbijnen raadpleegde en verwerkte in zijn commentaren. Andere medestanders in de Reformatie vonden Luthers anti-Joodse geschriften onacceptabel, vooral in de kringen rondom Heinrich Bullinger. “Christelijke anti-Joodse traditie is nog lang niet overwonnen, al lijken teksten als die van Luther dode vulkanen. Maar, vulkanen zijn echter meestal niet dood, maar slapen om op onverwachte momenten te ontwaken”, aldus René Süss.

 

Oplossing van het Jodenvraagstuk

Luthers smaadschriften tegen de Joden vielen in het zestiende-eeuwse Roomse Rijk in Duitsland in vruchtbare aarde. Rond 1520 hadden alle grotere steden in Duitsland zich van hun Joden ontdaan. Ook uit de rijkssteden Frankfurt en Worms werden in 1614 en 1615 alle Joden verdreven. Rond 1916 kwam het antisemitisme in een stroomversnelling. De in 1917 opgerichte Vaterlandspartei in Duitsland was de eerste partij die antisemitisme in politiek opzicht organiseerde. Volgens hen was de nederlaag van Duitsland in de Eerste Wereldoorlog de schuld van de Joden. Dit was tevens vruchtbare grond voor Hitler, wiens ster al rijzende was. De NSDAP had veel leden onder protestants-christenen en nationalisten, met als inspiratiebron Maarten Luther. Hitler schreef in 1923 over Luther: “Hij was een groot man, een reus. Met één ruk doorbrak hij de schemer en zag de Jood zoals wij hem pas vandaag beginnen te zien”.

 

Echter, Hitler had meer inspiratiebronnen voor zijn oplossing van het Jodenvraagstuk, zoals de Amerikaanse autofabrikant Henry Ford (1863 – 1947), die in 1920 The international Jew schreef. In dit boek laat hij zich zeer negatief uit over de macht van de Joden. Het concern van Ford had grote belangen in nazi-Duitsland. De biograaf van Ford zegt over hem: “op Hitler en misschien Luther na was de autofabrikant Ford de invloedrijkste antisemiet uit de geschiedenis”.

 

Verband demonisering en pogrom

Ook kerkhistoricus Henk Oberman vindt dat Luther in zijn Judenschriften een oproep doet tot een pogrom. Hij streefde naar een samenleving zonder Joden als hij schrijft: “Weg met hen”. En Herman Selderhuis zegt: “Terecht wordt gesteld dat de woorden van Luther mede schuld hebben aan de moord op miljoenen Joden, dat had hij kunnen voorkomen door het beginsel van Sola Scriptura (alleen de Schrift) waar hij anderen zo ijverig mee om de oren sloeg, ook op zijn eigen mening en houding toe te passen”.

René Süss concludeert dat er een duidelijk verband te zien is tussen Luthers demonisering van de Joden en hun identificatie met de duivel enerzijds en het verlagen van de drempel naar hun vernietiging anderzijds. “Het beroep van de nazi’s op Luthers teksten moet als gebruik ervan worden beoordeeld”, aldus Süss.

Maarten Luther kan niet schuldig worden verklaard aan de misdaden van de nazi’s, maar hij is wel een onderdeel geweest van de opkomst en de misdadige geschiedenis van dit antisemitisme. De nazi’s maakten geen misbruik van Luthers teksten, zij gebruikten die zoals ze door Luther waren bedoeld. De geschiedenis leert dat nationalisme vaak samengaat met Jodenhaat. 

Nieuw antisemitisme

Maarten Luther is niet meer onder ons, maar het antisemitisme wel. Het is springlevend. Wereldwijd, in Europa én in Nederland. Of zoals de Nederlandse historica Evelien Gans het verwoordt: “Zolang er Joden zijn én er een Joodse staat is, zal antisemitisme bestaan. Jodenhaat zit ontzettend diep in ons collectief geheugen”. Aan het oude, klassieke antisemitisme is een nieuw element toegevoegd: de haat tegen de staat Israël.

Opperrabbijn Jakobs en enkele andere rabbijnen in Nederland vergelijken de huidige situatie met de dertiger jaren voor de Hitlerperiode. Volgens hen moeten Nederlandse Joden binnen vijf jaar weg zijn uit het land. Plekken in Nederland waar antisemitisme leeft, worden gemeden. Joodse mannen dragen geen zichtbare tekenen, zoals keppeltjes, meer. Op sociale media neemt het aantal haatuitspraken tegen de Joden, de Shoah en tegen de staat Israël toe. Als het slecht gaat met de Joden, is de hele samenleving in gevaar. Europa is gewaarschuwd. Nederland is gewaarschuwd.

 

Bronnen:
Luthers theologisch testament door René Suss
Die Judenschriften door Maarten Luther

Luther. Een mens zoekt God door Herman Selderhuis

De Jodenstaat door Theodor Hertzl

The Holocaust, Israel and the Jew door Evelien Gans en Remco Ensel

Katie van Bora de vrouw van Luther door Charles Ludwig

RD en Trouw

Sluiten