Namen in de Tenach

Jodendom Tekst, Sergey Dariy

Wie de namen in de Bijbel bestudeert, komt niet alleen veel te weten over bepaalde historische personen, maar ook over waartoe God hen had voorbestemd. ‘Nomen est omen’ – ‘de naam is een voorteken’, pleegden de oude Romeinen te zeggen. De naam die ouders aan hun kind gaven, kwam nooit zomaar uit de lucht vallen. Er was altijd een bepaalde reden voor, ongeacht of ze nu wisten wat de bestemming van het leven van hun kind zou zijn. In deze studie bespreken we enkele betekenissen en achtergronden van Hebreeuwse namen.

Theoforische namen

Een van de meest voorkomende manier van naamgeving is de zogenaamd theoforische, dat betekent dat de Naam van God toegevoegd wordt aan de wortel van het woord. Hij kan zowel aan het begin of het einde van de wortel worden geplaatst.

Zo kan bijvoorbeeld de Hebreeuwse wortel Natan (heeft gegeven) vier namen genereren: Elnathan, Nathanael, Jonathan en Netanja. Door zo’n naam te geven, toonden de ouders zich dankbaar aan God voor de geschonken zoon.

Deze namen kunnen verwijzen naar:

  • Dankzegging: Azriël, Eleazar, Azaria – ‘God heeft 
geholpen’ of ‘de Heere heeft geholpen’; 

  • Gebed: Ismaël – ‘God zal horen’, Jirmjahoe (Jeremia) 
– ‘De Heere zal worden verhoogd’, Jechizkel - ‘God 
maakt sterk’; 

  • Theologisch statement: Elijahoe, Joël – ‘de Heere is 
God’. 
Theoforische namen kunnen ook afgodisch zijn, zoals Adoni-Bezek en Jerubaäl. In sommige gevallen wordt het tot iets minachtends, wanneer in de naam een bepaalde afgod, zoals de Baäl besloten ligt. Jerubaäl wordt dan Jeru- besset ‘strijders van schande’ en Isjbaäla wordt Isboset, ‘man van schande’. 


Vaak wordt een theoforisch gedeelte van een naam afgekort. Azaria wordt dan Ezra, Paltiël wordt Palti en Selumiël Sallum. Zo kunnen we aannemen dat Zakkur Zacharia is en Nahum Nehemia1.

Namen in relatie tot omstandigheden

Namen van personen in de Tenach kunnen ook te maken hebben met hun omstandigheden. Die worden vaak in verschillende Bijbelverhalen beschreven. Als we de afstammingslijn van Abraham (vader van vele volkeren) tot aan de zonen van Juda bekijken, zien we dat in alle gevallen de naam te maken heeft met de omstandigheden waarin het kind geboren is:

Izak (gelach): omdat Sarah lachte, gaf de HEERE deze naam aan de zoon (Gen. 17:19);
Jakob: (hij hield de hiel van zijn broer vast).
De namen van de zonen van Lea en Rachel hebben te maken met de machtsstrijd in Jakobs gezin. Bij Zerah (oprijzend) bond de vroedvrouw een scharlakenrode draad om zijn pols, toen zijn hand als eerste naar buiten kwam, terwijl Perez (doorbraak) degene was ‘die een bres voor zichzelf geslagen had’.

Efraïm noemde zijn zoon Beria (onheil), omdat hij rouwde over de dood van zijn andere zonen (1 Kron. 7:23). In de ene Midrasj kunnen we lezen over de tien zonen van Benjamin, wiens namen uitdrukking gaven aan het diepe verdriet en de angst om zijn broer Jozef. In een andere Midrasj lezen we over het vermogen van mannen om namen aan gebeurtenissen te geven, geleid door de Geest van God2.

Noach – was om te troosten (nahem);
Saul – aan de HEERE gevraagd (sja’al);
Jabes – geboren in smart (etsev);
Ikabod - (geen heerlijkheid – schande) kreeg zijn naam na een militaire nederlaag;

Manasse - (doet vergeten) was de naam die maakte dat Jozef zijn ellende in Egypte kon vergeten;
Menahem - (trooster) wijst op de toekomstige vertroos- ting van het Joodse volk;

Mesullam - (die een beloning ontvangt) beschrijft de kwaliteit van degene die de naam draagt.

Namen die een persoon karakteriseren

Het waren meestal vrouwen die mooie namen droegen, zoals Tamar (palm), Rebekka (vaars), Rachel (ooi), Jedida (geliefde) en Naomi (aangenaam). Namen kunnen ook uiterlijke kenmerken beschrijven, zoals bij Korach (kaal), Laban (wit) en Ram (hoog). Mensen konden ook naar bepaalde dieren vernoemd worden, zoals wolf, raaf, geit, hond, slang, vogel, of zelfs muis, rat of bij. Er komt in de Bijbel echter geen man voor met de naam ‘stier’, waar- schijnlijk omdat de stier symbool stond voor Baäl.

Vernoemingen

Soms werden mensen vernoemd naar hun nauwe verwanten. Zo zijn er kleinkinderen die de namen van hun grootvader dragen.
Azaria, zoon van Jochanan, de zoon van Azaria;

Amazia, de zoon van Hilkia, de zoon van Amzi; Sima, zoon van Uzes, zoon van Simeï;
Maächa, dochter van Absalom, zoon van Maächa.

Naar de vader vernoemd:
Abner (mijn vader Ner), zoon van Ner;
Abisaï (mijn vader Isaï), zoon van Isaï.
Nog een ander voorbeeld: Davids zoon Absalom kwam op voor de bezoedelde eer van zijn zus Tamar en noemde later zijn dochter ook Tamar.

Hernoemd

In de Tenach zie je ook personages die tijdens hun leven een andere naam krijgen. Abram (verheven vader) wordt Abraham (vader van vele volkeren), Sarai (twistziek) wordt Sara (vorstin) en Jakob (hij die de hiel vasthoudt, of bedrieger) wordt Israël (strijder Gods). Koning Davids zoon Jedidja (vriend van de HEERE) krijgt als nieuwe naam Salomo, wat letterlijk ‘Zijn vrede’ betekent.

De Babylonische koning Nebukadnezar veranderde de naam van koning Davids nakomeling Mattanja (gift van de Heere), in Zedekia (de rechtvaardigheid van de HEERE), en maakte hem koning over Juda. Eerder in de geschiedenis van Juda zien we hoe de Egyptische farao Necho de naam van koning Eljakim (God bevestigt) wijzigde in Jojakim (de HEERE zal hem bevestigen/ oprichten), terwijl hij hem op de troon van zijn jongere  broer Joahaz plaatste.
Het Babylonische hoofd van de hovelingen gaf Daniël de nieuwe naam Beltsazar, Hananja noemde hij Sadrach, Misaël Mesach en Azarja Abed-Nego. Daarmee beves- tigde hij hun nieuwe status als dienaars aan het Babyloni- sche hof en maakte hij een connectie met de afgoden van Babylon. De Egyptische farao gaf de vreemdeling Jozef de nobele Egyptische naam Zafnath Paäneah.

Analyse van de Joodse namen in Egypte

Als we de geslachtsregisters in de boeken Exodus, Leviticus en Numeri onder de loep nemen ontdekken we dat er binnen het volk vier groepen zijn te onderscheiden:

  1. leiders van de stammen in het tweede jaar na de 
Exodus (Numeri 1) en de hoofden van de families van 
de Levieten (Numeri 3); 

  2. verspieders die door Mozes werden uitgezonden 
om het land Kanaän te verkennen (Numeri 13); 

  3. leiders van de stammen in het veertigste jaar na de 
Exodus (Numeri 34); 

  4. geslacht van Mozes en Aäron, hun voorvaderen 
en nakomelingen. 


Elk van deze groepen geeft ons de naam van de persoon en van zijn vader. De groepen kunnen naar hun type namen in vijf categorieën worden verdeeld:

1. Theoforische namen.

Elizur, ‘God is mijn vesting’ (Num. 1:5); Gamaliël, ‘God heeft me verleend’ (Num. 1:10).

2. Namen waarbij Gods naam is vervangen door woorden zoals vader of broer.
In deze namen wordt een beroep op God gedaan als Vader, Broeder, enzovoort.

Abidan, ‘mijn Vader is rechter’ (Num. 1:11); Ahiëzer, ‘mijn Broer is een hulp’ (Num. 1:12); Ammihud, ‘mijn Bloedverwant is Majesteit’ (Num. 1:10).

3. Namen met een afgekorte theoforische vorm.

Selumiël ‘vrede van God’ (Num. 1:6); Palti, ‘mijn verlossing’ (Num. 13:9); Safat, ‘hij heeft rechtgesproken’ (Num. 13:5).

4. Namen als een gebedsverzoek

Jigeal, ‘laat Hij verlossen’ (Num. 13:7); Hosea, ‘red ons’ (Num. 13:8); Jozef, ‘moge Hij toenemen’ (Num. 13:7); Jefunne, ‘moge Hij terugkeren’ (Num. 13:6).

5. Namen die verschillende gebeurtenissen of toestanden beschrijvingen.
Rafu, ‘genezen’, ‘geheeld’ (Num. 13:9); Siftan, ‘oordeel’ (Num. 34:24); Nachbi, ‘verborgen’ (Num. 13:14).

Als we al deze namen bekijken, kunnen we concluderen dat de meeste iets te maken hebben met de God van Israël. In veel gevallen zijn de namen van de zonen ‘religieuzer’ dan de namen van hun vaders.
Bijvoorbeeld: Eliab, ‘God is Vader’, ‘zoon van Helon’, ‘sterk’; Ammiël, ‘mijn Bloedverwant is God’; de zoon van Gemalli, ‘kameelrijder’. Opvallend is ook dat je niet eerder dan veertig jaar voor de Exodus namen tegenkomt die een gebedsverzoek zijn.

Na de dood van Jozef en zijn broers werden de Israëlieten tot slaven gemaakt (Exod. 6:8). We nemen aan dat de slavernij en onderdrukking ongeveer 110 jaar voor de uittocht begon. Zo’n tachtig jaar voor de uittocht verslechterde de situatie, toen de Egyptenaren Joodse baby’s begonnen te doden (Exod. 1).

Hier kunnen we het volgende uit a eiden:
- Het Joodse volk herinnerde zich gedurende het leven

in Egypte de God van haar voorvaderen;
- De ouders probeerden hun kinderen namen te geven

die hen zouden herinneren aan de God van Israël en

hen zo een levend geheugensteuntje te geven;
- Nadat de gebondenheid door de Egyptenaren zwaar-

der werd, begon het Joodse volk te bidden om verlos- sing. Deze gebeden werden vastgelegd in de namen van hun kinderen.

Epiloog

Jarenlang sloeg ik de lange geslachtsregisters in de Bijbel over. Ik vond ze saai en zinloos om te lezen. Maar gaandeweg liet de Heere mij zien dat namen heel erg belangrijk zijn. Achter iedere naam staat een bepaald persoon met zijn levensverhaal.

Maar het allerbelangrijkste is de boodschap te leren begrij- pen die God ons door die namen heen wil geven. Ik moedig u dan ook aan de namen in de Bijbel te bestuderen!

1. Niet te verwarren met Nehemia van het gelijknamige boek. 2. Midrash (Sotah 36); (Bereshit Rabba 37:7).

 

 

Sluiten