Pascha en Gilgal

Christologie | Oud Testament | Feesten en offers Tekst, Hans van de Lagemaat

Er gebeurde veel in Gilgal. De bijzondere doortocht door de Jordaan, de besnijdenis, de oprichting van gedenktekens en nog meer. Maar in deze korte studie richten we ons op de viering van het Pascha in combinatie met de betekenis van Gilgal, waar de Heere de smaad van Zijn volk afwentelt. Gilgal is namelijk een vorm van een werkwoord dat vertaald kan worden met ‘(af )wentelen’. Die betekenis is zelfs nog enigszins terug te vinden in de klank van het woord.

Pascha, ongezuurde broden en eerstelingen

Het was op de tiende van de maand nisan dat het volk Israël de eerste stappen in het beloofde land zette. De tiende nisan was exact veertig jaar nadat alle huisgezinnen op gezag van Mozes een lam apart hadden gezet om op de veertiende te worden geslacht. Op de veertiende was het Pascha van de Heere (Exod. 12).

Direct na het Pascha kwamen de dagen van de ongezuurde broden. Dat feest duurde zeven dagen en was nauw verbonden met het paasfeest. Gedurende deze dagen viel op de dag na de sabbat die in deze week viel, ook het feest van de eerstelingen. Waar Pascha een type is van ‘goede vrijdag’, de dag waarop de Heere Jezus werd gekruisigd, staat Jom Habikkoeriem (het feest van de eerstelingen), voor Zijn opstanding.

De smaad van Egypte

In die dagen sprak de Heere tot Jozua: “Vandaag heb ik de smaad van Egypte van u afgewenteld” (Joz. 5:9). Wat was deze smaad van Egypte? En waarom zegt de Heere nu pas, na veertig jaar, dat de smaad van Egypte van hen is afgewenteld? En meer nog, waarom gebruikt de Heere dit woord? In Hebreeën 11:25 wordt de smaad van Christus gekoppeld aan de slechte behandeling door de Egyptenaren. Zoals in zoveel andere teksten identificeert Christus Zich hier met Zijn volk. De smaad van Zijn volk was Zijn smaad. En Mozes koos deze smaad boven het genot van de zonde. Hij versmaadde zijn positie aan het hof van Farao en gaf een positie van rijkdom, eer, macht en aanzien op om met het volk van God te lijden. Hij wist dat dit grotere rijkdom was dan al de schatten van Egypte. “Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij met haar begeerte; maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid” (1 Joh. 2:16, 17). Dit heeft Mozes geweten. Hiernaar richtte hij zijn leven in. En hierdoor werden zijn keuzes bepaald. Liever voor een tijdje de spot van de wereld dan samen met diezelfde wereld ten onder te gaan.

De smaad van Christus

Wat is de smaad van Christus? Dezelfde brief aan de Hebreeën maakt ons dit duidelijk. De schrijver spoort ons aan om buiten de legerplaats te gaan en Zijn smaad te dragen (Hebr. 13:13). In het vers ervoor motiveert hij die keuze: “Daarom heeft ook Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden” (vs. 12). De plaats buiten de legerplaats was de plaats van de smaad. Buiten de stadsmuren stond het kruis waaraan de Heere heeft geleden en is gestorven. Daar hing Hij tot een spot voor de wereld. Profetisch schrijft David van dit moment in Psalm 22: “Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen en veracht door het volk” (vs. 7).
De plaats van de vernedering, de smaad en de spot. Dat was ook de plaats van Israël in Egypte en die culmineerde in de dood van de eerstgeborene, de dood van het lam. We zouden kunnen zeggen: het lam werd plaatsvervangend de dood van de Eerstgeborene.

De smaad weggenomen

Na de uittocht uit Egypte zwierf het volk veertig jaar door de woestijn. En pas daarna sprak de Heere ervan dat de smaad van het volk werd weggenomen. Waarom zo laat pas? Was dit niet reeds het geval aan de overzijde van de Schelfzee? Nee, het volk had toen zijn doel nog niet bereikt. Het was nog een volk zonder eigen land. Het was bevrijd van de lasten van Egypte, maar nog niet bevrijd van de lasten van de woestijn. Het moest rusteloos zwerven. Pas als volk en land met elkaar zijn verenigd, zegt de Heere: “Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld”.

De smaad afgewenteld

Verder zei de HEERE tegen Jozua: “Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal, tot op deze dag” (Joz. 5:9). De Heere gebruikt hier het woord ‘Gilgal’ voor het ‘afwentelen’ van een grote steen. Zo wordt het ook vele malen gebruikt. Ja, ook de eerste maal dat we het woord tegenkomen in de Bijbel draagt het die letterlijke betekenis. “En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats” (Gen. 29:3 SV).

De smaad werd bij de doortocht van de Jordaan van Israël afgewenteld als een grote steen. En het was de Heere Zelf die het deed! Zonder Hem zou het volk machteloos het beloofde land aan de andere zijde van de Jordaan hebben zien liggen; niet bij machte om er ook maar één voet in te zetten. Maar door de wonderwerkende macht van de Heere waarmee Hij de wateren van de Jordaan stopte en een droge plaats voor het volk creëerde, kon het volk over de rivierbodem trekken.

U begrijpt al waar het naartoe gaat. Christus had geleden aan het kruis en was in een graf gelegd. De ingang van het graf werd door Jozef van Arimathea afgesloten met een grote steen en door de Romeinen bewaakt en verzegeld.
Maar de smaad van Christus werd afgewenteld! De dood kon Hem in het graf niet houden. En er kwam, na een grote aardbeving, een engel van de Heere die de steen van de deur van het graf afwentelde (Mat. 27:60; 28:2; Mar. 16:3, 4).

Dat is de les van Gilgal! De opstanding van Christus. In Zijn werk is de laatste en de grootste vijand van Gods kinderen, de dood, verslagen. De steen is afgewenteld en Zijn graf is leeg. Hoewel smaad en verzoekingen van de woestijn nog deel zijn van Zijn volk is het pad door de Jordaan bereid. Als het onze tijd wordt om te ontslapen en de donkere wateren van de dood ons aangapen, mogen we ons oog slaan op die meerdere Ark van het Verbond die in het midden van de rivierbedding daar staat als teken dat ze ons wellicht nog mogen bedreigen en verschrikken, maar zeker niet meer kunnen verslinden. De opstanding uit de dood ligt vast in Hem. De smaad van Christus is ‘afgewenteld’.
Als dit heil in Hem nog niet ons deel is, wat dan? Geen toepasselijker woord zouden we kunnen vinden dan waarmee de Heere aan het kruis bespot werd, maar wat wel waar was: “Hij heeft het op de HEERE gewenteld” (Ps. 22:9, SV). Geen ander dan Hij kon tot God bidden met de woorden van Psalm 119: “Wentel van Mij versmaadheid en verachting, want Ik heb Uw getuigenissen onderhouden” (vs. 22, SV). Dat gebed is verhoord. En niet alleen voor Hemzelf, maar ook voor allen die Zich door het geloof geheel en al aan Hem toevertrouwen.

Welke last ons ook drukt. Welke zonde ons ook plaagt en door welke verzoekingen we ook worden verleid, we moeten alles op Hem wentelen om een veilige tocht door de Jordaan te waarborgen.
“Wentel uw weg op de HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken” (Ps. 37:5, SV).

Sluiten