Schreef Mozes de Pentateuch?

Bijbelse personen | Oud Testament Tekst, Hans van de Lagemaat

De Bijbel heeft de eeuwen door voortdurend blootgestaan aan scherpe kritiek; bijvoorbeeld de gedachte dat de eerste vijf boeken van de Bijbel niet door Mozes, of zelfs niet in zijn tijd geschreven kunnen zijn.

Zaadjes van twijfel

Hoeveel pogingen worden er ook vandaag de dag niet ondernomen om het Woord bespottelijk te maken en de ongeloofwaardigheid ervan aan te tonen.
Sommige van die pogingen zijn zelfs ronduit ridicuul en komen voort uit een grove onwetendheid. Andere pogingen zijn subtieler en kunnen zelfs zaadjes van twijfel zijn bij Gods eigen kinderen. Gelukkig hoeven we de Schrift niet te verdedigen, die staat pal voor zichzelf. Wel kunnen we een antwoord zoeken op vragen die voortkomen uit een oprecht zoeken naar de waarheid van Gods kinderen in Zijn onfeilbaar Woord.

Een tegenwerping

Een van de vele tegenwerpingen is dat de Pentateuch, de eerste vijf boeken van de Bijbel, niet door Mozes geschreven kan zijn. Ondanks wat de Bijbel er zelf van zegt, menen critici dat deze Geschriften uit een veel later stadium van Israëls geschiedenis dateren.
Een van de bewijzen daarvoor zou Genesis 36:31 zijn: “En dit zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen Israëls”. Het gaat dan om dit laatste “eer een koning regeerde over de kinderen Israëls”. Als Mozes dit geschreven zou hebben, dan moet er toch iets bijzonders aan de hand zijn? In de tijd van Mozes waren er nog helemaal geen koningen in Israël. Dat zou nog honderden jaren duren. En toch verwijst Mozes hier naar een koning. Hoe kon hij dat nu weten? Dit zinnetje kan toch zeker niet eerder geschreven zijn dan in de tijd van Saul, de eerste koning van Israël?

Mozes kende de beloften

Dit is inderdaad heel bijzonder. Er zijn twee logische redenen waarom Mozes kon verwijzen naar een toekomstige koning van Israël.
Ten eerste wist Mozes van Gods uitdrukkelijke beloften aan Abraham en Jakob aangaande de toekomstige koningen van Israël. Genesis 17:6: “En ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen”. En Genesis 17:16: “Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haar worden!”
Zelfs veel dichter bij de aangevallen tekst, een hoofdstuk ervoor, wordt de belofte herhaald. “Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! Wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen” (Gen. 35:11).

De tekst “En dit zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen Israëls” betekent dus helemaal niet dat dit geschreven moet zijn nadat er een koning in Israël regeerde, maar simpelweg dat er in Edom een koningshuis was voordat de beloften aan Israël waar werden gemaakt. En wellicht kon de geschiedschrijver, in het licht van de belofte van Genesis 25:23, het niet nalaten om deze opmerking in te voegen als hij het nageslacht van Ezau (Edomieten) vergeleek met dat van Jakob. “En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand vaneen scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal de mindere dienen.”

God was met Mozes

De tweede (aan de eerste reden verwant) reden dat Mozes weet kon hebben van de koningen van Israël, is dat hij geïnspireerd werd. Hij ontving bijzondere openbaringen uit de hemel. Dat wordt wel heel duidelijk gezien in Deuteronomium 17:14-15: “Wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God geeft, en dat gij erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en gij zeggen zult: Ik zal een koning over mij stellen, als al de volken, die rondom mij zijn; zo zult gij voorzeker tot koning over u stellen, die de HEERE, uw God, verkiezen zal; uit het midden van uw broeders zult gij een koning over u stellen; gij zult niet over u mogen zetten een vreemde man, die uw broeder niet zij”.

Onder normale omstandigheden zou zulke voorkennis onmogelijk zijn. Maar we moeten in gedachten houden dat bij God alle dingen mogelijk zijn. Hij instrueerde Mozes deze woorden te schrijven.

Een licht in een duistere plaats

Daar ligt de kracht van de Bijbel. Het is het Boek van God. Als we al moeite zouden hebben met een tekst als Genesis 36:31, waar blijven we dan met al die profetieën aangaande de grote Koning. Neem bijvoorbeeld Zacharia 9:9: “Verheug u zeer, gij dochter van Sion! Juich, gij dochter van Jeruzalem! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen”. Is deze tekst dan ook pas geschreven nadat hij vervuld was?

Nee, we geloven in het profetische Woord, dat zeer vast is. Dat profetische Woord spreekt over dé Koning en Zijn volk Israël. We moeten dat Woord niet bekritiseren of aanpassen aan onze eigen uitleggingen. Petrus leert ons dat we er acht op moeten hebben, als op een licht schijnende in een duistere plaats (zie 2 Petrus 1:19).

Sluiten