Sjavoe’ot in verleden, heden en toekomst

Feesten en offers Tekst, Ton Stier

Sjavoe’ot, oftewel het Pinkster- of Wekenfeest, begint volgens de Hebreeuwse kalender met zonsondergang van de 6e Sivan, wat overeenkomt met woensdagavond 15 mei. De nacht die daarop volgt, brengen veel orthodoxe Joden door met de bestudering van de Thora.

Mo’edim

Sjavoe’ot is onderdeel van de Mo’edim, de feesten; letterlijk: ‘vastgestelde tijden’, of ook te vertalen met ‘ontmoetingen’. Zo is oheel mo’ed, de Hebreeuwse uitdrukking voor ‘de tent der ontmoeting’ (Exod. 27:21). De feesten des HEEREN waren dus eigenlijk vastgestelde tijden van ontmoetingen tussen de HEERE en Zijn volk. Let wel, het ging van Hem uit, het zijn immers Zijn feesten. “De feestdagen van de HEERE, die u moet uitroepen, zijn heilige samenkomsten. Dit zijn Mijn feestdagen …” (Lev. 23:1-2). Op het moment namelijk dat het profane feestdagen van het volk werden, lezen we: “Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen haat Ik met heel Mijn ziel; ze zijn Mij tot last; Ik ben het moe om ze te dragen” (Jes. 1:14).

Sjavoe’ot

Het Hebreeuwse woord Sjavoe’ot betekent letterlijk ‘weken’, vandaar de vertaling met Wekenfeest (Exod. 34:22). Hoeveel weken, lezen we in Leviticus 23:15-16: “U moet dan vanaf de dag na de sabbat gaan tellen, vanaf de dag dat u de schoof van het beweegoffer gebracht hebt. Zeven volle weken zullen het zijn. Tot de dag na de zevende sabbat moet u vijftig dagen tellen. Dan moet u de HEERE een nieuw graanoffer aanbieden”. Het gaat dus in totaal om zeven weken plus één dag, dat is 50 dagen. Dit getal vinden we weer terug in het Griekse woord pentekoste, dat letterlijk de vijftigste (dag) betekent en dus de 50 dagen tussen Pesach en Sjawoe’ot aanduidt.
Sjavoe’ot behoort samen met Pesach en Sukkot (loofhuttenfeest) tot een van de drie pelgrimsfeesten, in het Hebreeuws bekend als Shalosh Regalim. We lezen in Exodus 34:23: “Alles wat onder u mannelijk is, moet drie keer per jaar verschijnen voor het aangezicht van de Heere HEERE, de God van Israël”. Voor de mannen dus een verplichte inzetting, maar soms waren ook hele gezinnen van de partij. Denk bijvoorbeeld aan Jozef en Maria, die met de twaalfjarige Jezus ‘naar de gewoonte’ opgingen naar Jeruzalem voor de Pesachviering (Luk. 2:42).
Het ‘opgaan naar Jeruzalem’ beperkte zich natuurlijk niet tot de in het land wonende Joden. Lukas schrijft over ‘godvrezende mannen uit alle volken die er onder de hemel zijn’ (Hand. 2:5). In Handelingen 2:9-11 vinden we een opsomming van nationaliteiten en gebieden van waaruit zij voor de viering van Sjavoe’ot naar Jeruzalem gingen: “Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocië, Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, Kretenzen en Arabieren”.

En dan gebeurt het grote wonder. Ieder van deze godvrezende Joden krijgt in zijn eigen taal het Evangelie van de gestorven en opgestane Christus te horen. Tot voor kort hadden de apostelen daar geen weet van gehad (zie o.a. Joh. 20:9). Zij hadden alleen nog ‘het Evangelie van het koninkrijk’ verkondigd; de oproep tot bekering in verband met het herstel van het koninkrijk. Vandaar ook hun voor de hand liggende vraag na Jezus’ opstanding: “Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?” (Hand. 1:6).
Nu echter is de kern van hun prediking: de gekruisigde en opgestane Christus. Een prediking die vanuit Oudtestamentische profetieën wordt onderbouwd. Zo verklaart Petrus de woorden van David in Psalm 16: “… U zult mijn ziel in het graf niet verlaten en Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien”, met: “Mannenbroeders, het is mij toegestaan over de aartsvader David vrijuit tegen u te zeggen dat hij én gestorven én begraven is, en dat zijn graf tot op deze dag bij ons is. Aangezien hij een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam, voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten, daarom voorzag hij dit en zei hij over de opstanding van Christus dat Zijn ziel niet is verlaten in het graf en dat Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien. Deze Jezus heeft God doen opstaan, waarvan wij allen getuigen zijn” (Hand. 2:25-32).

Verspreiding van het Evangelie

Het is deze boodschap, die ieder in zijn eigen taal hoorde, waardoor velen diep in het hart werden geraakt (Hand. 2:37). Een prachtige verhoring van het gebed van de Heere Jezus in Johannes 17:20: “En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij zullen geloven”. Maar vervolgens is deze evangelieboodschap natuurlijk ook meegenomen naar de plaats waar zij vandaan kwamen. Gezien de reikwijdte van de gebieden waar zij vandaan kwamen, paste dat weer impliciet in de opdracht van de Heere: “… u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde” (Hand. 1:8). 

Een nieuwe groep gelovigen

Zo werd de Pinksterdag het begin van een nieuwe groep Joodse gelovigen, die niet slechts hun onderlinge verwantschap als volksgenoten deelden, maar bovenal één waren in de uit hen voortgekomen gestorven, opgestane en verheerlijkte Messias. Petrus zegt immers: “Deze Jezus heeft God doen opstaan, waarvan wij allen getuigen zijn. Hij dan, Die door de rechterhand van God verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest ontvangen heeft van de Vader, heeft dit uitgestort wat u nu ziet en hoort” (Hand. 2:32-33).

Bergtoppen

Tot op vandaag markeert Sjavoe’ot volgens de Joodse traditie Matan Thora, de wetgeving op de berg Sinaï, het oude verbond. Joodse gelovigen zien echter ook een tweede ‘bergtop’, die van het Nieuwe Verbond, waarin de Heere door Zijn Geest “Zijn wet in hun binnenste zal geven en die in hun harten zal schrijven” (Jer. 31:33). En op basis van dat nieuwe verbond mocht Petrus niet alleen de boodschap van bekering en vergeving van zonden prediken, maar ook de wederkomst van de Messias en het herstel van het Koninkrijk met de woorden: “Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere, en Hij Jezus Christus zal zenden, Die tevoren aan u verkondigd is. Hem moet de hemel ontvangen tot de tijden waarin alle dingen worden hersteld, waarover God gesproken heeft bij monde van al Zijn heilige profeten door de eeuwen heen” (Hand. 3:19-21).
Geweldig te mogen weten dat die bekering van Israël en het herstel van het koninkrijk eens letterlijk zal plaatsvinden. Dat dan ook de door Petrus aangehaalde profetie van Joël voluit in vervulling zal gaan: “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienaren en op Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren” (Hand. 2:17,18).

Wat een dag zal dat zijn!

Sluiten