Syrië en de droom van een groot Arabië

Achtergronden Tekst, Ruben Hadders

Syrië is de laatste weken veelvuldig in het nieuws door de opstanden tegen het regime. Toch is het land relatief onbekend bij de meesten van ons. Wij doken in de geschiedenis van één van Israëls grootste vijanden.

Een groot verenigd Arabië

Syrië, het moest ooit het begin zijn van een groot verenigd Arabië. In 1920 wordt het als koninkrijk opgericht door emir Faisal. Als heldhaftig leider van de Arabische Opstand in de Eerste Wereldoorlog had hij, met steun van de Britten eindelijk de Ottomanen verdreven die hier al sinds begin 16e eeuw de dienst uitmaakten. Op 1 oktober 1918 mocht zijn leger van de Britse bevelhebber Lord Allenby dan ook als eerste triomfantelijk de eeuwenoude stad Damascus binnenmarcheren. De droom van een grote Arabische staat, Arabië, leek eindelijk werkelijkheid geworden.

Verraden

Het liep anders. De Arabieren werden verraden. Nog geen half jaar nadat hen - in ruil voor hun steun tegen de Ottomanen - een grote onafhankelijke staat was beloofd in het Midden-Oosten, sluit Groot-Brittannië in het diepste geheim een verdrag met bondgenoot Frankrijk. In dit Sykes-Picotverdrag wordt afgesproken dat een onafhankelijke Arabische staat niet erkend zal worden en dat Arabische gebieden verdeeld zullen worden tussen beide landen.
Als op 11 maart 1920 emir Faisal wordt uitgeroepen tot koning van een onafhankelijk Arabië, komen de Fransen hiertegen in opstand. De Britten, die eigenlijk weinig met de Fransen op hebben, zijn aanvankelijk nog geneigd het nieuwe koninkrijk te erkennen, maar kiezen uiteindelijk toch partij voor de Fransen. Faisal verliest de oorlog tegen de Fransen en moet na een regeerperiode van nog geen zes maanden als balling uitwijken naar Groot-Brittannië. De Britten maken hem een jaar later koning van Irak, maar dit is weinig meer dan een goedmakertje. Het vertrouwen van de Arabieren in de Europese grootmachten is ernstig beschadigd. Jarenlang hadden zij gevochten met de Fransen en de Britten, vertrouwend op de belofte van een onafhankelijk Arabië. Maar die belofte bleek niets waard.
In 1940, tijdens de Tweede Wereldoorlog, valt Frankrijk en komt Syrië onder het bewind van Vichy-Frankrijk. Een tijdelijke regering die berucht wordt om zijn collaboratie met de Duitse nazi’s en de Italiaanse fascisten. Het zijn opmerkelijk genoeg de Britten die Syrië een jaar later bevrijden tijdens Operation Exporter. Niet lang daarna roept Syrië opnieuw zijn onafhankelijkheid uit.

De Ba’ath-partij

In 1943 is het de Grieks-orthodoxe christen Michel Aflaq die samen met de soennitische Salah al-Din Bitar en de sjiitische Saki Arsuzi de Ba’ath-partij opricht, de ‘Socialistische Partij van de Arabische Herrijzenis’. Hun droom is een groot Arabië, een seculiere en socialistische staat waarin Joden, christenen en moslims op gelijke voet met elkaar leven. Als in 1958 het land een unie vormt met Egypte, is dan ook de Ba’ath-partij groot voorstander. De Verenigde Arabische Republiek (VAR), onder leiding van de Egyptische president Nassar, zou een einde kunnen maken aan het gekibbel tussen verschillende Arabische partijen. Met instemming van haar oprichters zou dit ook het einde betekenen voor de Ba’ath-partij.
De droom houdt echter geen stand. De Syriërs krijgen steeds meer het gevoel overheerst te worden door Egypte, nu zij geregeerd worden vanuit de nieuwe hoofdstad Caïro. In 1961 pleegt het Syrische leger een coup en wordt opnieuw de onafhankelijkheid van het land uitgeroepen. Twee jaar later grijpt de Ba’ath-partij de macht in zowel Syrië als Irak. Geprobeerd wordt de VAR nieuw leven in te blazen – dit keer samen met Irak – maar dit mislukt opnieuw.
Door een partijcoup in 1966 komt Hafiz al-Assad aan de macht, een prominent lid van de partij en opperbevelhebber van de luchtmacht. Hij wordt minister van defensie in de nieuwe militaire Ba’ath-regering. Nadat zijn mede-coupplegers aan de kant zijn geschoven, wordt hij in 1971 president van de republiek en secretaris-generaal van de Ba’ath-partij. Met harde hand probeert hij Syrië tot een moderne, invloedrijke staat te maken in de regio. Gesteund door de Sovjet Unie investeert hij stevig in het leger, dat hoofdzakelijk moet strijden tegen de in 1948 opgerichte Joodse staat, die door Syrië niet wordt erkend. Als zij in 1967 de Zesdaagse Oorlog met Israël uitlokken, wordt Syrië bovendien een zeer gevoelige nederlaag toegebracht.
De Ba’ath-regering laat oppositiepartijen verbieden en roemt via scholen en de media het glorieuze verleden van de Arabieren. Door deze propaganda hoopt zij het Arabische nationalisme te versterken en een einde te maken aan de grote verdeeldheid in de Syrische samenleving. Het is de bekende tactiek van elke Arabische leider in het Midden-Oosten, omdat het anders haast onmogelijk is om over strijdende Arabische groeperingen te regeren.
Met ijzeren vuist regeert al-Assad het land tot hij in 2000 overlijdt als gevolg van een hartaanval. Zijn zoon Bashar al-Assad volgt hem op en wordt door het volk verwelkomd als de grote hervormer. Weliswaar krijgen soennitische moslims, die driekwart van de bevolking uitmaken, wat meer godsdienstvrijheid – docentes mogen nu een gezichtssluier dragen voor de klas - maar grote hervormingen blijven uit. Toch durven de Syriërs niet in opstand te komen. Zij herinneren zich nog goed het bloedbad uit 1982 toen in de stad Hama zo’n 25.000 mensen werden gedood. De soennitische Moslimbroederschap was daar namelijk tegen het regime in opstand gekomen.

Arabische lente?

Maar dan: februari 2011. De wereld is getuige van een indrukwekkende miljoenenmars op het Tahir-plein in Caïro, Egypte. De Arabieren hebben het zwakke punt van hun leiders gevonden: de macht van een verenigd volk. Het is de ironie ten top: wat de Arabische leiders aanvankelijk voor ogen hadden – eenheid onder de Arabieren – komt tot stand door het verzet tegen henzelf.
De vraag is echter hoelang deze eenheid standhoudt. In Nederland denken velen dat de ‘Arabische lente’ is aangebroken, niet wetende dat dit al de zoveelste opstand is in hun geschiedenis. We horen de Arabieren roepen om vrijheid en democratie en denken, naïef als wij zijn, dat hiermee dezelfde vrijheid wordt bedoeld als die wij kennen in het Westen.
Vergis u niet, Arabieren hebben eigenlijk niets met politiek. Dat zit niet in hun aard. Zij laten zich leiden zolang het goed gaat en als het slecht gaat laten zij zich nog steeds leiden. Onderwerping aan het gezag zit de Arabieren in de diepste vezels en maakt hen tot de beste onderdanen die een leider zich wensen kan. Tot eenmaal de grens is bereikt en zij zich met haast onmetelijke kracht losrukken van hun onderdrukkers. Dat is er wat er nu gebeurt in Syrië. Het is het eeuwenoude verhaal van de Arabieren. Ishmaël: de wilde ezel, weet u nog? (Gen. 16:12).
Ondertussen heerst de onzekerheid: hoe nu verder? Feit is in elk geval dat de droom van een verenigd Arabië verder weg is dan ooit. Pas in de toekomst, als ook de twaalf stammen van Israël verenigd zullen zijn en de Koning der Joden zal regeren vanuit Jeruzalem, pas dan geldt: “De Egyptenaren zullen samen met de Assyriërs de Heere dienen. Op die dag zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assyrië, een zegen in het midden van de aarde” (Jes. 19:23b, 24). Tot die tijd kan het Westen Syrië het beste gewoon met rust laten. Tot de Heere ‘de wilde ezel’ zal temmen.

Sluiten