Toe Bisjwat en gebed om regen

Jodendom | Feesten en offers Tekst, Ton Stier

Deze maand (20 januari) viert de Joodse gemeenschap Toe Bisjwat, ook wel bekend als chag la'ielanot, het bomenfeest. Een feest dat door de aanhoudende droogte en het vreselijke bosbrandincident op het Karmelgebergte eind vorig jaar wel een erg wrange bijsmaak heeft.

Terwijl in de maand januari Europa nog volop in de ban van de winter verkeert, begint in Israël normaliter de natuur te ontwaken. Openspringende boomknoppen getuigen van nieuw leven en kondigen het nieuwe zomerseizoen aan. Vandaar dat de Misjna1 spreekt over Rosj Hasjana Laïelanot, het nieuwjaar voor de bomen.

Toe Bisjwat betekent letterlijk de 15de van (de Joodse maand) Sjewat. Deze nationale feestdag is voor kinderen vooral een ‘boomplantdag’. In optocht gaan ze al zingend naar de plek, waar ze hun eigen meegebrachte boompje mogen planten.

Gehoorzaamheid en zegen

De traditie van Toe Bisjwat is gebaseerd op Leviticus 19:23-25:
“Wanneer u in het land komt en allerlei vruchtbomen plant, moet u de vruchten ervan als verboden beschouwen. Drie jaar lang zullen ze voor u verboden zijn, er mag niet van gegeten worden. Maar in het vierde jaar zullen alle vruchten ervan heilig zijn, tot lofzegging voor de HEERE. En in het vijfde jaar mag u de vruchten ervan eten om de opbrengst ervan voor u te vermeerderen. Ik ben de HEERE, uw God”.

Dus na binnenkomst in het beloofde land, mocht pas vijf jaar na de nieuwe aanplant van de vrucht gegeten worden. Die daad van gehoorzaamheid zou de Heere zegenen door de opbrengst te vermeerderen. Uit deze en vele andere inzettingen blijkt eens te meer dat de Heere Eigenaar is van het land. Hij bepaalt de wetten met betrekking tot het beheer ervan en vermeerdert de opbrengst navenant het volk Hem gehoorzaamt. Leviticus 26 is daarvan een duidelijk voorbeeld:
“Als u in Mijn verordeningen wandelt en Mijn geboden in acht neemt en ze houdt, dan zal Ik u op zijn tijd regen geven, zodat het land zijn opbrengst zal geven en de bomen van het veld hun vruchten zullen geven. Dan zal de dorstijd bij u tot de wijnoogst duren, en de wijnoogst zal tot de zaaitijd duren. U zult uw brood tot verzadiging toe eten en onbezorgd in uw land wonen” (vers 3-5).

In tegenstelling tot de Egyptenaren, die het water van de Nijl tot hun beschikking hadden, waren de Israëlieten in hun watervoorziening letterlijk en figuurlijk van de hemel afhankelijk. Op weg van Egypte naar Kanaän bereidde Mozes het volk er al op voor met de woorden:
“Want het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, is niet zoals het land Egypte, waaruit u weggetrokken bent, dat u met uw zaad moest bezaaien en al lopend water moest geven (aanduiding voor toenmalige irrigatietechniek), zoals een groentetuin. Maar het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, is een land met bergen en dalen; het drinkt water door de regen uit de hemel. Het is een land waar de HEERE, uw God, voor zorgt: voortdurend rusten de ogen van de HEERE, uw God, daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar. En het zal gebeuren, wanneer u nauwgezet luistert naar Mijn geboden die Ik u heden gebied, door de HEERE, uw God, lief te hebben en Hem te dienen met heel uw hart en met heel uw ziel, dat Ik regen voor uw land zal geven op zijn tijd, vroege regen en late regen, zodat u uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie kunt inzamelen. Ook zal Ik gewas op uw veld geven voor uw dieren; en u zult eten en verzadigd worden” (Deut. 11:11-15).

Gebed om regen

Het feit dat Israël het zevende jaar van droogte ingaat, slingert bij sommigen de klimaatdiscussie aan, anderen wijzen op wanbeheer als gevolg van dammen en verkwisting van water door de teelt van waterverslindende tropische gewassen als katoen. Maar volgens de rabbijnen spelen hele andere factoren een rol. De Jerusalem Post maakte al in november 2010 melding van een open brief van de Ashkenazische opperrabbijn Yona Metzger en de Sefardische opperrabbijn Shlomo Amar:
“De zomer is voorbij, net als het grootste deel van de winter en we zouden nu verlost moeten worden door het vallen van regens van zegen. De waterstand in het land Israël is schrikbarend laag, vooral omdat dit niet het eerste jaar van droogte is. Het land is droog als gevolg van onze vele zonden en dat is een verontrustende zaak.
Het is onze plicht om onze daden te onderzoeken, en met geheel ons hart dicht bij God te komen, en onze smeekbeden voort te zetten met een gebroken en wanhopig hart". De twee rabbijnen stelden ook een tekst op voor een speciaal gebed, dat iedere keer als in de synagoge de ark opengaat om de Thorarollen eruit te nemen, gereciteerd moet worden.
Ongetwijfeld zal de vreselijke bosbrand op het Karmelgebergte ook velen het gebed van Elia op de Karmel in herinnering gebracht hebben: “Antwoord mij, HEERE, antwoord mij, zodat dit volk weet dat U, HEERE, de ware God bent, en dat U hun hart tot inkeer gebracht hebt”. Niet lang daarna vielen zware stortregens (1 Kon. 18).

Waternijd

Overigens beperkt het probleem van de droogte zich niet alleen tot Israël. Het droogvallen van de Jordaan brengt ook Syrië en Jordanië in problemen. Ook grote rivieren als de Eufraat en de Tigris hebben extreem lage waterstanden.
Waterschaarste, dat natuurlijk ook voedselschaarste tot gevolg heeft, dreigt tevens oorzaak te worden voor nieuwe grote conflicten in de regio. Men spreekt dan ook over ‘waternijd’, als aanduiding voor de vele spanningen die in de regio over deze cruciale levensbehoefte bestaat.

De dag des HEEREN

Maar water zal straks ook in de dag des HEEREN een belangrijke rol spelen. Zo lezen we in Openbaring 16:12 over het droogvallen van de Eufraat, dat ‘de weg baant voor de koningen van de opgang der zon’. Openbaring 8 spreekt over Alsem, een ster die als een fakkel uit de hemel zal vallen en het derde deel van de wateren bitter maakt waardoor velen sterven. Een profetie die weer doet denken aan de wonderlijke geschiedenis van het bittere water bij Mara. De plaats waar de HEERE Mozes een stuk hout wees om in het water te werpen, waardoor het water weer zoet werd. Een herkenbaar beeld van Israëls Heelmester, Die ruim 1500 jaar later op het hout van Golgotha hun ziekte op Zich zou nemen en hun smarten zou dragen (Jes. 53:4).
Door Zijn verzoenend lijden en Zijn opstanding is Hij ook het Water des Levens, Die tot de Samaritaanse vrouw kon zeggen: “maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen. Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opwelt tot in het eeuwige leven” (Joh. 4:13, 14).

De Tempelbeek

Toch zal de mooiste Toe Bisjwat voor Israël aanbreken, als het water uit de nieuwe Tempel het land zal doorstromen en zelfs de Dode Zee tot leven zal wekken. Ezechiël die in hoofdstuk 37 nog profeteert over zeer dorre doodsbeenderen, mag in hoofdstuk 47 getuigen van het levende water in wonderlijk voortstuwende beken: “Toen leidde Hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek. Toen ik teruggekeerd was, zie, bij de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan deze kant en aan de andere kant. Hij zei tegen mij: Dit water stroomt weg naar het oostelijke gebied en stroomt in de Vlakte naar beneden en komt in de zee. In de zee uitgestort, wordt het water gezond. Het zal gebeuren dat alle levende wezens die er wemelen, overal waar een van beide beken naartoe komt, zullen leven. Daar zal zeer veel vis zijn, omdat dit water daarheen komt, en alles waarheen deze beek komt, zal gezond worden en leven”.

Een heerlijke Toe Bisjwat

En zo is het opmerkelijk dat de Bijbel begint met de vermelding van (vrucht)bomen (nadat de aarde op de derde dag uit haar watergraf is opgestaan): “En God zei: Laat de aarde groen doen opkomen, zaaddragend gewas, vruchtbomen, die naar hun soort vrucht dragen, waarin hun zaad is op de aarde!” En eindigt met de profetie over de Boom des Levens in het nieuwe Jeruzalem:
“En hij liet mij een zuivere rivier zien, van het water des levens, helder als kristal, die uit de troon van God en van het Lam kwam. In het midden van haar straat en aan de ene en de andere zijde van de rivier bevond zich de Boom des levens, die twaalf vruchten voortbrengt – van maand tot maand geeft Hij Zijn vrucht. En de bladeren van de boom zijn tot genezing van de heidenvolken” (Opb. 22:1-4).
Wat een heerlijke ‘Toe Bisjwat’ zal dat zijn! Niet slechts het begin van een nieuw zomerseizoen, maar het begin van een nooit eindigende nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar God zal zijn alles en in allen.

Voetnoot:
1. De Misjna (letterlijk: ‘lering’) is de schriftelijke vastlegging van de mondelinge Joodse leer van ca. 120 Joodse geleerden (ca. 135 – 200 na. Chr.)

Sluiten