Uit Egypte geroepen

Profetisch Woord Tekst, Hans van de Lagemaat

Hoe kunnen de woorden van Hosea 1:11: “Ik heb Mijn Zoon uit Egypte geroepen” volgens Mattheüs vervuld worden in de terugkeer van het gezinnetje van Jozef uit Egypte naar Israël? In deze studie gaat het om de wonderlijke eenheid tussen Israël en haar Messias.

Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen

“Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeke en Zijn moeder tot zich in de nacht, en vertrok naar Egypte, en was aldaar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden wat van de Heere gesproken is door de profeet, zeggende: Uit Egypte heb ik Mijn Zoon geroepen” (Matt. 2:14, 15).

Als we deze woorden van ‘de profeet’ opzoeken, dan lezen we: “Als Israël een Kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn Zoon uit Egypte geroepen” (Hos. 11:1). De context van dit vers draait helemaal om het volk Israël. Op het eerste gezicht zouden we hier dan ook niet meteen een profetie over de Messias in herkennen. En toch verwijst Mattheüs naar deze tekst, en zegt dat deze is vervuld toen Jozef en Maria met hun Goddelijke Kind uit Egypte terugkeerden. Terecht mogen we ons afvragen hoe dat zit. Aan het eind zullen we een antwoord op deze vraag formuleren, maar eerst een paar algemene opmerkingen.

Israël en de Messias een eenheid

Israël en haar Messias vormen een onlosmakelijke eenheid. Het is net zoiets als Christus als Hoofd van de Gemeente, “welke Zijn lichaam is” (Ef. 1:22, 23). Hoofd en lichaam kunnen niet gescheiden worden. En zo is het ook met Israël en de Messias. We zeggen nu niet dat Israël en de Gemeente hetzelfde zijn. Nee, dat zijn twee volkomen verschillende groepen. We vergelijken slechts de eenheid die er bestaat tussen Israël en Christus enerzijds, en de Gemeente welke Zijn lichaam is en Christus anderzijds.

Israël en de Knecht

Deze eenheid tussen Israël en de Messias komt onder andere tot uiting in de namen waarmee zij beiden worden genoemd. Het volk draagt de naam ‘Israël’, maar Christus ook, zo blijkt uit Jesaja 49:3: “En Hij heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Knecht, Israël, door Wie Ik verheerlijkt zal worden.” De context van dit hoofdstuk maakt duidelijk dat het hier gaat om een profetie over Christus. Het gebruik van het woord ‘Knecht’ lijkt hier een beetje verwarrend. In het gedeelte vanaf Jesaja 41 tot en met 53 wordt dit woord achttien keer gebruikt. En afwisselend wordt het volk en de Messias ermee aangeduid. In Jesaja 41:8 bijvoorbeeld gaat het over het volk: “Maar Gij Israël, Mijn Knecht! Gij, Jakob, die Ik verkoren heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber”. In Jesaja 42:1 gaat het weer over Christus: “Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn uitverkorene, In Wie Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven: Hij zal het recht de heidenen voortbrengen”. Maar niemand zal het toch kunnen ontkennen dat het in vers 19 van hetzelfde hoofdstuk weer over het volk gaat: “Wie is er blind dan Mijn knecht, en doof gelijk Mijn bode, die Ik zend? Wie is blind gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de Knecht des HEEREN?”
Het is niet goed, maar ook weer niet geheel onlogisch, dat veel Joodse uitleggers in Jesaja 53 dan ook het volk willen lezen in plaats van er een lijdende Messias in te zien.
‘Israël’ is een naam voor het volk en een naam voor de Messias van dat volk. En zo is het ook met de benaming ‘knecht’, of ‘dienstknecht’, waarmee zowel het volk als de Messias wordt aangeduid. In Jesaja 41 tot en met 53 moeten we zelfs heel zorgvuldig lezen om te onderscheiden over wie het gaat. Het is als met twee draden die ineengedraaid worden tot een nieuwe streng. De draden zijn elk afzonderlijk zichtbaar, en bestaan los van elkaar. Maar de streng zou geen streng zijn als een van de draden zou breken of ontbreken.

De wijnstok

Een ander voorbeeld is Israël als de wijnstok. In Jeremia 2:21 spreekt de Heere tot Zijn afvallige volk: “Ik had u toch geplant, een edele wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe zijt gij Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemde wijnstok?” In Psalm 80 komen we dichtbij de tekst waarmee we deze studie begonnen: “Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt dezelve geplant” (vs. 9). In deze (en ook andere) Schriftplaatsen is het volk de wijnstok. En als de Heere Jezus in Johannes 15:1 zegt: “Ik ben de ware Wijnstok”, dan bedoelt Hij dat Hij het tegenbeeld is van al die beelden die God voor Zijn volk gebruikt. Israël, het volk, is het type, Hij is de vervulling. Om de vergelijking van de twee draden weer op te pakken. Hij is als de rode draad die door de streng loopt. Ontbreekt deze draad dan blijft het zwakke, nietszeggende draadje van het volk over. Een draadje dat zelfs door zwakke kinderhandjes gebroken kan worden, en dat nergens toe dient. Je kunt er bij wijze van spreken nog geen knoop mee aan een jas naaien. Maar tezamen, ineengevlochten, vormen de twee draden een streng, die in staat is de gehele wereld te binden. Het is een streng die de loop van de geschiedenis bepaalt en verklaart.

De woorden van Mattheüs, die we aan het begin van deze studie citeerden “uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen”, komen uit Hosea 11. Het gedeelte dat daaraan voorafging begint met Israël als wijnstok. Dat kan toch bijna geen toeval zijn? “Israël is een uitgeledigde wijnstok” (Hos. 10:1). Ziet u de lijn?

God heeft een wijnstok uit Egypte overgebracht (Psalm 80:9). Deze wijnstok werd tot niets dan een uitgeledigde wijnstok. De wijnstok bracht weliswaar vruchten voort, maar het waren niet meer dan stinkende druiven (Jes. 5:2, 4). Christus is de ware wijnstok. En die in Hem blijft, en Hij in hem, die draagt veel vrucht (Joh. 15:1, 5). En dat zijn zeker geen stinkende druiven. Zo is Christus als de ware Dienstknecht en de ware Wijnstok de vervulling van Israëls geschiedenis. In Hem wordt hun doel vervuld, vol gemaakt. Hun Schriften, hoe wonderlijk de geschiedenissen daarin beschreven ook, zijn leeg zonder Hem. Hun roeping uit Egypteland onder de krachtige hand van de Heere blijft een geschiedenis zonder verdere inhoud als we de rode draad niet opmerken. Voorafgaand aan de uittocht uit Egypte stelde de HEERE het Pascha in. Er moest een lam worden geslacht. Het bloed van dit lam was als het ware de basis voor de uittocht. En dit lam is een verwijzing naar het “Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen, dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen” (Opb. 7:6).

Conclusie

We hoeven ons niet meer te verbazen over de woorden “opdat vervuld zou worden hetgeen van de Heere gesproken is door de profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen”. Hosea spreekt over het volk. Maar in Christus worden deze woorden uiteindelijk vervuld, vol gemaakt. Hij is het doel, de zin van Israëls geschiedenis, in verleden, heden en toekomst.

Sluiten