Vragen over het Messiaanse Rijk

Profetisch Woord | Nieuw Testament Tekst, Christian Stier

Veel terugkomende vragen op Israëlavonden zijn: ‘Welke positie hebben wij als gelovigen in het Messiaanse Rijk? Zijn wij koningen van een stad of een bepaald rijk op aarde? Spelen wij überhaupt een rol in het Messiaanse Rijk? Hoe moet ik mij het een en ander voorstellen?’ Geen eenvoudige vragen waar de Bijbel een pasklaar antwoord op geeft, wat niet wegneemt dat Gods Woord wel degelijk enige richtlijnen biedt.

Positie van Israël

Allereerst is het belangrijk om te kijken naar het doel van het Messiaanse Rijk. Vooral bij de profeten lezen we veel over de rol en de positie van Israël. Zij spreken over het herstel van het volk, hun terugkeer naar het land (Ezech. 34) en het Nieuwe Verbond dat de HEERE met hen zal sluiten (Jer. 31). Israël zal haar oorspronkelijke roeping definitief vervullen door “Priesters van de HEERE” en “dienaren van onze God” te worden (Jes. 61:6 vgl. Exod. 19:5, 6). Een van de essentiële betekenissen van het Messiaanse Rijk is dat de HEERE al Zijn beloften met betrekking tot Zijn volk en land in vervulling doet gaan. En wel ter wille van Zijn Heilige Naam: “Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenvolken ontheiligd is, die u in hun midden ontheiligd hebt. Dan zullen de heidenvol- ken weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik in u voor hun ogen geheiligd word” (Ezech. 36:23). Het Messiaanse Rijk is tegelijk een nieuwe genadeperiode voor de volken. Vandaag leven we in een tijd die gekenmerkt wordt door vragen als: ‘Waar is God?’ en: ‘waarom grijpt God niet in?’. In het Messiaanse Rijk zal iedereen weten en met eigen ogen aanschouwen dat de HEERE de Koning der Koningen en de HEERE der Heerscharen is, Die dan ook orde op zaken zal stellen (Opb. 17:14; 29:16; Ps. 48:5-9). Desalniettemin zullen velen zich veinzend (niet van harte) aan Zijn heerschappij onderwerpen (Ps. 66:1-3). Dit blijkt alleen al uit de opstand die aan het einde van het Messiaanse Rijk zal plaatsvinden (Opb. 20:7-10).

Koningen

In de duizend jaar waarin de satan gebonden zal zijn, lezen we over een speciale groep gelovigen die met Christus duizend jaar lang als koningen zal heersen. Hun zegenrijke regeringspositie houdt verband met het lijden dat zij te midden van de Grote Verdrukking1 hebben ondergaan. Zij zijn op gruwelijke wijze door onthoofding om het leven gebracht. En dat niet door willekeur, maar om ‘het getuigenis van Jezus en het Woord Gods’, alsmede het feit dat zij ‘niet voor het beeld en het beest hebben gebogen en weigerden een merkteken van het beest aan hun voorhoofd of rechterhand te ontvangen’ (Opb. 20:4). “Over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaren lang” (vers 6). Ik geloof dat het hier gaat om gelovige Joden, die tijdens de Grote Verdrukking evenals Sadrach, Mesach en Abednego (Dan. 3), zich niet hebben laten intimideren en staande zijn geble- ven. Deze grote verdrukking zal volgens de profeten zich namelijk vooral afspelen in en rondom Jeruzalem (Zach. 12:2, 3; 14:2; Matt. 24), waarin het Joodse volk onder enorme druk zal komen te staan (Dan. 12:1; Jer. 30:7; Opb. 12). Maar in die periode zal er onder hen een gelovig overblijfsel zijn, die zal volharden tot het einde (Dan. 12:12) en de Heere zal aanroepen (Zach. 13:8, 9).

Het volk en het Koninkrijk

Als de Heere Jezus terugkomt en Zijn Koninkrijk vestigt, lezen we in Daniël 7:27: “Maar het koningschap en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste”. Hier gaat het duidelijk over het Joodse volk. Zij ontvangen de heerschappij om hun priesterroeping als hoofd van de volken definitief te vervullen (vgl. Deut. 28:13, 44; Exod. 19:6)! Een vergelijk- bare heersende positie beloofde de Heere Jezus aan Zijn twaalf discipelen: “Voorwaar, Ik zeg u dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, als de Zoon des mensen zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid, ook zult zitten op twaalf tronen en de twaalf stammen van Israël zult oordelen” (Matt. 19:28).

De Gemeente

Zoals we reeds zagen, zal Israël dus tijdens het Messiaanse Rijk tot haar definitieve bestemming komen. Bij de Gemeente, het Lichaam van Christus ligt dit anders. Allereerst is de Gemeente een verborgenheid in het Oude Testament dat pas ten tijde van de apostelen openbaar is geworden (Ef. 3:1-6). We vinden dus in de oudtestamentische profetieën sowieso geen informatie over de positie van de Gemeente in het Messiaanse Rijk.

Ten tweede heeft de Gemeente, in tegenstelling tot Israël, een hemelse roeping en bestemming. “Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen” (Fil. 3:20 NBG), onze hoop (toekomst) is weggelegd in de hemelen (Kol. 1:5). In Efeze 3:10 schrijft Paulus: “opdat nu door de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden”. Wij zijn als Gemeente een getuige in deze wereld, maar bovenal getuigen wij in de hemelse gewes- ten van Gods veelkleurige wijsheid. Ons getuigenis op aarde is een weerspiegeling van ons getuigenis in de hemel. Onze geestelijke zegeningen zijn in de hemelse gewesten (Ef. 1:3), waar zich ook onze strijd afspeelt (Ef. 6:12). Hoewel de positie van Israël vanzelfsprekend ook geestelijke dimensies heeft, spelen hun zegeningen en strijd zich voornamelijk in de zienlijke wereld af. Niet alleen voor wat betreft hun verleden, maar ook voor wat betreft hun toekomst (vgl. Deut. 28:2-14 met Jes. 60:10-22).

Positie Messiaanse Rijk

Ik denk dat we onze hemelse positie als burgers van een rijk in de hemelen (Fil. 3:20) ook moeten doortrekken met betrekking tot het Messiaanse Rijk. Ons gezichtsveld, dat nu nog vaak aards is gericht en lang niet altijd is afgestemd op ‘de dingen die boven zijn’ (Kol. 3:1, 2), zal - als we straks met Christus in heerlijkheid geopenbaard zullen worden (Kol. 3:3) - volmaakte hemelse reikwijdten kennen. Hij heeft ons immers “met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus, opdat (!) Hij in de komende eeuwen (!) de allesovertreffende rijkdom van Zijn genade zou bewijzen, door de goedertie- renheid over ons in Christus Jezus” (Ef. 2:7). Dat was ook Paulus hoop en verwachting: “De Here zal mij beveiligen tegen alle boos opzet en behouden in zijn hemels Koninkrijk brengen.” (2 Tim. 4:18 NBG).

Hogere of betere positie?

Laten we ervoor waken ons op welke wijze ook boven Israël te verheffen. Beide hebben een eigen positie en roeping en zullen door Gods genade tot hun bestemming komen. Als Lichaam van Christus, bestaande uit gelovige Joden en heidenen mogen we uitzien naar het moment waarop het laatste lid zal worden toegevoegd, en het Lichaam haar volheid zal hebben bereikt.

Met Hem regeren

In 2 Timotheüs 2:11, 12 schrijft Paulus: “Dit is een betrouwbaar woord. Want als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven. Als wij volharden, zullen wij ook met Hem regeren. Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen”. De NBG heeft als toevoeging dat wij met Hem “als koningen” regeren. In de grondtekst staat niet letterlijk ‘koningen’, maar deze regeringsvorm wordt hier wel bedoeld. Hoe moeten we dat zien? Opnieuw denk ik dat Paulus hier spreekt over een regering vanuit een hemelse positie. We zijn met Hem gestorven, met Hem levend gemaakt en met Hem “in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus” (Ef. 2:4-6). De context van dit gedeelte wijst op degenen die te midden van verdrukkingen (vs. 3) blijven volharden (vs. 12) en daardoor in een bijzondere heersende positie worden geplaatst: “Als wij volharden, zullen wij ook met Hem regeren”.

Voetnoot:
1. Niet te verwarren met de oordelen die God over de volken zal brengen, als zij de maat van hun zonden hebben vol gemaakt (Jes. 24:1-13; Hab. 3:6; Rom. 1:18; Opb. 14:14-20).

Sluiten